Waarom jongens sissen en schelden

‘Die meisjes vragen erom’

Na de Belgische documentaire Femme de la rue woedden felle debatten over seksuele intimidatie op straat. Cultuur, achterstand, wat drijft die Marokkaanse jongens? ‘We hangen. We chillen. En als er een mooi meisje langsloopt, roepen we pssst!’

Ze woont nu ergens buiten Brussel, waar precies wil ze niet zeggen. De Belgische filmmaakster Sofie Peeters (25), die twee maanden geleden nationale en internationale aandacht vergaarde met haar afstudeerfilm Femme de la rue, over seksuele intimidatie op straat, heeft de multiculturele Brusselse buurt (Anneessenswijk) waar ze twee jaar lang woonde achter zich gelaten. In deze buurt, zo zagen we in Femme de la rue, betekende een simpele wandeling over straat vaak een helletocht langs tientallen seksistische mannen en jongens van Noord-Afrikaanse afkomst. Om het probleem te schetsen interviewde ze lotgenoten met soortgelijke ervaringen en scheerde ze langs enkele vermeende oorzaken van dit gedrag: cultuur, sociaal-economische omstandigheden en het verknipte vrouwbeeld dat mannen overhouden aan de seksistische afbeelding van vrouwen in het straatbeeld.

Tegen het eind van haar film zegt Peeters nog dat ze niet wil verhuizen, want dat zou een capitulatie betekenen voor seksisme. Maar tien keer per dag lastiggevallen worden door wildvreemde mannen werd haar uiteindelijk te veel. ‘Het was alsof ik mijn strijd tegen seksisme op straat opgaf’, zegt ze. ‘Maar op het laatst voelde ik mij niet meer vrij in mijn eigen buurt.’ Femme de la rue deed na vertoning in het Vlaamse actualiteitenprogramma Terzake op 26 juli een fel debat ontbranden over de omvang en oorzaken van seksuele intimidatie op straat. Er was een nieuw multicultureel pijnpunt ontdekt: de schofterige bejegening op straat van autochtone vrouwen door – veelal – mannen van Noord-Afrikaanse afkomst.

Ook in Nederland leidde de film volop tot debat. Een oproep op nrc.next.nl aan vrouwen om hun ervaringen met seksisme op straat te delen, leverde meer dan zevenhonderd reacties op. Een artikel in de Volkskrant van Sarah Sluimer (28, programmamaker bij debatcentrum De Balie) waarin gesproken werd over ‘een leger allochtone observanten’ die haar in haar woonomgeving seksistisch bejegenen, bracht scribenten op de been die probeerden uit te maken in hoeverre dit seksistisch gedrag van Marokkaanse jongens door cultuur is ingegeven. Ondertussen pleitten politici ter linker- en rechterzijde voor een sisboete. Steven de Jong, columnist voor nrc.nl, stelde in een online-artikel de vraag of cultuur wel een factor van belang is als duidelijk is dat Marokkaanse advocaten en doktoren nooit naar vrouwen sissen. Maar schrijver Said el Haji was in een artikel in Volkskrant-_katern _Vonk stellig over de rol van Marokkaanse cultuur: ‘Want in zo’n cultuur word je gewoonweg niet geleerd hoe met vrouwen om te gaan.’

Is het inderdaad cultuur of toch iets anders, vroegen ook Eefje Auer (24) en Janelle Aarts (23) zich af. De tweedejaarsstudenten grafische vormgeving aan de Willem de Kooning Academie, Rotterdam, kregen in mei van dit jaar bij het vak beeld en idee de vraag gesteld waar Rotterdam verlost van moet raken om een utopisch ideaalbeeld te naderen. Ze hoefden daar niet lang over na te denken: waar Rotterdam prima zonder kan is het gesis en het seksistische gescheld waar ze naar eigen zeggen minstens één keer per maand mee te maken hebben. De docent beeld en idee vroeg ze een creatieve uiting te geven aan hun ergernis. Aarts en Auer ontwierpen vervolgens twee colbertjes, een witte en een zwarte. Het zwarte colbertje bedrukten ze met het gescheld dat ze regelmatig naar het hoofd geslingerd krijgen – ‘Hoer’, ‘Trut’, ‘Bitch’ – en het witte colbertje met suggesties voor hoffelijker openingszinnen: ‘Goedemorgen mevrouw, u ziet er leuk uit.’ ‘ Hoe maakt u het?’

De colbertjes dienden twee doelen: het uitte hun frustratie, en het kon hopelijk dienen als aanknopingspunt voor een discussie die ze graag wilden aangaan met hun belagers. Vanwege drukte op school gingen ze er niet meer mee de straat op. Maar toen zond de Vlaamse zender Canvas deze zomer de documentaire Femme de la rue uit. De discussie die de documentaire teweegbracht sterkte ze in de overtuiging dat seksuele intimidatie op straat geen bagatel is die bij het grootstedelijk leven op de koop toe moet worden genomen. Ze besloten alsnog met hun colbertjes de straat op te gaan.

Op vrijdagmiddag 14 september hebben Aarts en Auer kort overleg op het Rotterdamse Beursplein over wie welk colbertje zal aantrekken. Aarts krijgt het witte colbertje, Auer het zwarte. Ze mengen zich tussen het publiek in winkelcentrum de Koopgoot. Ze lopen traag om iedereen ruim de gelegenheid te geven de teksten op hun colbertjes te lezen. Maar dit is doelgericht winkelpubliek en gehaast kantoorvolk met weinig oog voor iets anders dan koopjes of de route naar werk of treinstation. Twee jongens bij een McDonald’s kijken Aarts en Auer na, maar onthouden zich van commentaar. Misschien maken ze meer kans op aanspraak op het Centraal Station van Rotterdam. Aarts en Auer noemen dit de plek waar ze geregeld seksistisch commentaar te horen krijgen van groepen jongens. Auer – lang, slank, blond – zegt dat het vooral Marokkaanse jongens zijn die haar van alles naroepen – ‘Je voelt je een hond als ze je zo aanspreken’ –, terwijl Aarts – kort, vol, lichtgetint – vertelt dat zij het voornamelijk te stellen heeft met Antilliaanse jongens: ‘Antilliaanse jongens vallen toch meer op mollige meisjes.’

Het contact met hun potentiële treiteraars blijft uit. Aarts en Auer kunnen voorlopig alleen maar gissen naar de motieven voor het seksistisch gedrag. Komt het door een gebrek aan liefde, vragen ze zich af. Is het verveling? Is het vanwege het seksistische vrouwbeeld in de rap­cultuur? Worden ze met meer agressie opgevoed? Of komt het toch door hun religie of cultuur? Ze vinden het vreselijk om te generaliseren, maar neigen toch naar de laatste uitleg. Aarts: ‘Het is verschrikkelijk om zo over de cultuur van deze jongens te praten zonder te weten wat ze drijft. Ik wil een antwoord hebben, waarom doen ze dit?’

Op 10 september tijdens een drukbezocht debat in De Balie over seksuele intimidatie op straat komen ze er evenmin uit. Tegenover elkaar staan de debaters Samira Bouchibti (ex-politica) – ‘Ja, het komt door de Marokkaanse cultuur. Als iets waar is dan is het waar’ –, Ahmed Marcouch (pvda) – ‘Cultuur is te groot. Het heeft meer te maken met straatcultuur’ – en tv-presentatrice Zarayda Groenhart (Spuiten en slikken) – ‘Ja, cultuur is een van de oorzaken.’ De discussie in België volgde grotendeels hetzelfde parcours. Dat wil zeggen: het bleef vooral hangen bij de vraag of het gedrag van de jongens in Femme de la rue een uiting is van een vrouw­vijandige cultuur.

Dat haar film tot simplificatie van een complex probleem zou kunnen leiden, had Peeters vooraf moeten weten en daar had ze op moeten anticiperen, vindt de Amerikaanse filmmaakster Maggie Hadleigh-West (54).

Maggie wie?

Februari, 1991. In Amerika komt de documentaire War Zone uit. Maakster is de dan 33 jaar oude Maggie Hadleigh-West, een onbekende alumnus van de School of Visual Arts, New York. In het 76 minuten durende War Zone legt zij net als Peeters met de camera vast hoe structureel en bedreigend seksuele intimidatie kan zijn in grote steden, in dit geval New York, New Orleans, San Francisco en Chicago. Hadleigh-West filmde vijf weken lang en kreeg in die periode 1055 keer te maken met seksueel intimiderend gedrag, variërend van seksistisch commentaar tot ongewenst fysiek contact. In War Zone worden 53 van die confrontaties getoond. Het is een grimmige en schokkende voorganger van Femme de la rue, met dit verschil: in War Zone is de seksuele intimidatie niet gefilmd met een verborgen camera, maar houdt Hadleigh-West een kleine handycam vast in haar hand die ze direct richt op de mannen die hun seksuele toespelingen niet voor zich kunnen houden.

‘What did you just call me?’ vraagt ze quasi-naïef.

Enkele verklaringen die de mannen voor hun gedrag geven: Hadleigh-West ging uitdagend gekleed, ze vroeg erom. In de bijbel staat dat de vrouw ondergeschikt is aan de man, ze zal zich daarom elk commentaar moeten laten wel­gevallen. Ze bezondigen zich niet aan seksistisch gedrag, ze maken haar slechts een compliment. Waarom heeft zij daar problemen mee? Is ze misschien lesbisch?

Hadleigh-West zegt dat ze bewust filmde in de drukke centra van de verschillende steden om aan te tonen dat seksuele intimidatie op straat niet het alleenrecht is van een specifieke etnische groep of cultuur. Haar ervaringen doorsneed ze met korte portretten van Latina’s en Afro-Amerikaanse meisjes die vertellen over het seksistisch gedrag van mannen uit hun eigen etnische groep en mannen uit andere etnische groepen, die vaak een racistische tint aan hun gedrag meegeven. ‘Ik had een veel shockerender documentaire kunnen maken als ik alleen had gefilmd in een wijk met veel Latino’s of Afro-Amerikanen’, zegt Hadleigh-West. ‘Maar daarmee zou ik alleen een stereotype bevestigen, terwijl ik vooral wilde aantonen hoe wijdverbreid seksuele intimidatie op straat is.’

War Zone is ingebed in een breder betoog over seksueel geweld tegen vrouwen. Hadleigh-West wilde een algemeen geaccepteerde cultuur onthullen die seksuele intimidatie op straat als een doodnormaal onderdeel van het sociale verkeer beschouwt. In War Zone krijgt ze dan ook evengoed schunnigheden voor de kiezen van beurshandelaren als van Afro-Amerikanen en Latino’s. ‘Ik wilde de wereld niet een nog kloterigere plek maken dan hij al is door voeding te geven aan racisme’, zegt ze. ‘Is de discussie in België en Nederland dat dit in elke cultuur kan voorkomen? Gaat het over de man-vrouwverhoudingen? Of is het slechts een culturele of raciale kwestie? In het geval van het laatste: Peeters had dat moeten zien aankomen.’

‘Ik kan mij daar deels in vinden’, zegt Peeters over de kritiek van Hadleigh-West. ‘Ik zou bijvoorbeeld ook in andere landen moeten filmen. Maar ja, het is maar een afstudeerfilm. Het is moeilijk om er iets breders van te maken. Femme de la rue is een persoonlijke film die ineens onder de aandacht kwam. Het is geen journalistieke reportage.’

Waar Hadleigh-West en Peeters elkaar wel in vinden, is de uitleg die ze geven voor het gedrag van de mannen die in hun films voorkomen. Het gaat niet voor elk individueel geval op, maar in grote lijnen schetsen beiden de mannen als maatschappelijke verschoppelingen. Peeters: ‘We mogen niet ontkennen dat er culturele factoren zijn die tot het gedrag van deze jongens en mannen kunnen leiden. Maar er zijn ook sociaal-economische factoren.’ Hadleigh-West: ‘Het grootste deel van de Afro-Amerikaanse mannen in mijn film zijn mannen zonder werk die niets anders te doen hebben dan de hele dag op straat hangen. Ze worden met de nek aangekeken, ze hebben niets om zelfrespect uit te putten. Als er dan een kleine, blonde vrouw als ik langsloopt, dan is dat voor hen de kans om iets van macht en controle uit te oefenen door mij te kleineren met seksueel commentaar.’

Voor de zestienjarige Abderrahman lijkt het gesis en gescheld naar vrouwen niet in de eerste plaats een manier om eindelijk eens wat macht en controle uit te oefenen. ‘Ik vind, een meisje die eruitziet als een hoer, die moet als een hoer behandeld worden’, zegt hij. Een hoer is volgens hem iedere vrouw die strakke kleding draagt die haar vormen benadrukken. De zeventien­jarige Soufian spreekt hem tegen: ‘Als een meisje strakke kleren wil dragen, dan mag ze dat toch dragen? Dat betekent toch niet dat je slechte dingen naar haar moet gaan roepen?’

Abderrahman en Soufian wonen in Bos en Lommer, Amsterdam, en maken deel uit van een groepje van zeven jongens dat geregeld samenkomt in buurthuis Connect aan de Sara Burgerhartstraat. Het zijn jongens tussen de zestien en twintig jaar oud die in een kwetsbare positie verkeren: drie van hen hebben opleiding noch baan (Abderrahman, Brahim (16), Hamid (20)), de andere vier (Suleyman, Montasir, Soufian, Oualid, allen 17) volgen een vmbo-opleiding op een roc. Jongerenwerker Said Bensellam (41) heeft deze jongens onder zijn hoede genomen en probeert ze te betrekken bij een beveiligingsproject in de buurt, in de hoop dat ze niet afglijden.

Alle zeven geven toe dat ze wel eens op straat een seksistische opmerking naar een meisje hebben gemaakt. Ze krijgen de meest prangende vraag van de Rotterdamse studenten Janelle Aarts en Eefje Auer voorgelegd: waarom sissen of schelden jullie naar meisjes?

Oualid en Montasir noemen het sissen en de beledigde of geïntimideerde reactie daarop van autochtone meisjes een cultureel misverstand. Zo versieren zij, Marokkanen, nu eenmaal. Soms hebben ze er succes mee, zeggen ze, vooral bij Marokkaanse of Turkse meisjes.

Naast een oprechte poging om een meisje te versieren, noemt Oualid het ook een manier om indruk op elkaar te maken. Ze doen het alleen als ze zich in een groepje bevinden. Het zorgt voor hilariteit als je een meisje schrik aanjaagt met gesis en gescheld, en je bewijst er je mannelijkheid mee. Ze richten zich vaker tot Turkse of Marokkaanse meisjes dan Nederlandse, omdat er nu eenmaal meer Turkse en Marokkaanse meisjes in hun buurt wonen. Marokkaanse en Turkse meisjes met strakke kleding maken meer verbale agressie bij hen los dan Nederlandse, omdat ze van Marokkaanse en Turkse meisjes meer verwachten dat deze zich zedig kleden en minder met een air van zelfverzekerdheid over straat lopen. Alleen Sufian en Suleyman benadrukken bij herhaling dat Marokkaanse en Turkse meisjes vrij zijn om zich te kleden zoals ze willen en dat het geen vrijbrief vormt voor seksisme.

Ze ontkennen elke relatie tussen hun seksistische gedrag en de Marokkaans-islamitische cultuur waarin ze zijn opgegroeid. Maar Abderrahman en Brahim, de twee werkloze schoolverlaters, verklaren wel telkens hun seksistische gedrag aan de hand van hun culturele achtergrond. Meisjes die zich niet zedig kleden, verdienen een slechte behandeling. Abderrahman en Brahim zijn ook sneller geneigd dan de rest om hun seksistische gedrag te verbinden aan hun frustratie over hoe zij zich behandeld voelen en beschouwd weten door de Nederlandse samenleving. Abderrahman: ‘Iedereen sist naar vrouwen. Surinamers. Hollanders. Maar alleen met Marokkanen maken ze er een probleem van. Ze haten ons.’ Brahim: ‘Veel mensen denken al slecht over ons. Ik heb zo vaak met Nederlandse vrouwen meegemaakt dat ze hun tas wegstoppen als ik naast ze sta. Ze gaan dan vies naar je kijken. Ja, dan verdienen ze het dat je ze uitscheldt.’

Over één ding zijn ze het allemaal eens: de meeste meisjes die ze kennen zijn materialistisch ingesteld. Ze geloven dat je pas kans maakt bij een meisje als je dure merkkleding draagt en genoeg geld hebt om haar onuitputtelijke behoefte aan luxegoederen te bekostigen. Drie van hen werken niet (Brahim, Abderrahman, Hamid). Twee van hen werken voor een kleine vergoeding in buurthuis Connect (Montasir, Sufian). De andere twee werken als vakkenvuller in Vomar (Oualid, Suleyman). Geen van hen maakt, gezien de opleiding, of het ontbreken daarvan, kans op een goedbetaalde baan in de toekomst. Dat frustreert. Abderrahman: ‘Kijk, dan is er een meisje, daar wil je mee gaan, want je weet dat ze al met iemand anders is gegaan. Maar jou wijst ze af, omdat ze aan je ziet dat je geen geld hebt. Dan is het toch normaal dat je haar uitscheldt?’

In verschillende variaties en in wisselende verhoudingen zijn dit de terugkerende argumenten die hun seksistische gedrag op straat moeten verklaren: wat als seksistisch wordt opgevat, is voor hen een gangbare, soms zelfs effectieve manier om een meisje te versieren. Ze sissen of schelden naar meisjes die er gezien hun strakke, onzedige kleding om vragen. Ze gedragen zich seksistisch om indruk te maken om het groepje jongens waar ze mee optrekken. En ze sissen en schelden naar meisjes van wie ze denken dat die op hen neerkijken omdat ze arme sloebers zijn. Ze doen het in hun eigen buurten en het treft voornamelijk hun Turkse en Marokkaanse buurmeisjes. Abderrahman: ‘We hebben niets te doen. We gaan hangen. We chillen. En als er een mooi meisje langsloopt, dan roepen we pssst! Pssst! Als ze het leuk vindt, dan lacht ze. Als ze het niet leuk vindt, dan negeert ze het toch gewoon en loopt ze door?’

Maggie Hadleigh-West ontkent niet dat het vrouwbeeld in de ene gemeenschap of cultuur deplorabeler kan zijn dan in de andere. Ze ervoer het in zwarte wijken. Maar dat moet begrepen worden in de Amerikaanse maatschappelijke context waarin de Afro-Amerikaanse gemeenschap nog altijd gemarginaliseerd wordt. Om nader onderzoek te doen naar het geldende vrouwbeeld binnen een deel van de Afro-Amerikaanse gemeenschap, maakte ze een tweede documentaire, Player Hating: A Love Story (2009), over een ploeterende rapgroep in Brooklyn. Seksisme en homofobie binnen deze subcultuur waren endemisch. ‘Wat ik tijdens het maken van Player Hating leerde is dit: die jongens kunnen thuis nog zo vaak te horen krijgen dat ze vrouwen moeten respecteren, wanneer ze op straat zijn gelden andere regels en zijn er lagere verwachtingen. Om aansluiting te vinden bij de straatcultuur moeten ze een seksistisch vrouwbeeld overnemen. De straatcultuur wordt op zijn beurt gevormd door geweld, discriminatie en door het stereotype van de zwarte man als een zinnelijk en losgeslagen wezen met weinig respect voor vrouwen. Deze jongens gedragen zich hiernaar bij gebrek aan een alternatief.’

Peeters volgt grotendeels dezelfde analyse als Hadleigh-West. Ze heeft alleen de pech dat in de receptie van haar film de nadruk op cultuur is komen te liggen doordat de meeste mensen zich baseren op een kortere versie van Femme de la rue die op het internet circuleert: ‘Ik vind het absoluut jammer dat de meeste mensen zich baseren op de zeventien minuten durende versie van Femme de la rue die in Terzake werd getoond en niet op de 25 minuten durende originele versie die later door rtbf werd uitgezonden. Want die geeft veel meer de mogelijkheid om te nuanceren, vanwege de inbreng daarin van een bevriende Marokkaanse rapper, Said. Hij ontbreekt in de korte versie. Hij vertelt dat het gedrag van deze jongens voortkomt uit verveling, uit armoede. Hij maakt duidelijk dat het niet enkel gaat om cultuur of achtergrond. Hij komt uit dezelfde cultuur, maar gedraagt zich niet zo en heel veel andere allochtone mannen met een baan ook niet. Said zegt dat de mannen die op straat hangen de no-life’s zijn zonder baan.’

Het ontbreken van deze nuancering in de veelbekeken korte versie maakte Femme de la rue tot speelbal van tegengestelde politieke stromingen. Extreem-rechts probeerde haar film in te passen binnen hun anti-islamdiscours, terwijl hypercorrect links de film vooral stigmatiserend voor Marokkanen vond. Hij zou geen oog hebben voor de sociaal-economische omstandig­heden van deze jongens en mannen.

Hoewel Hadleigh-West zegt dat Peeters dit had kunnen voorkomen door haar film breder op te zetten, voelt ze ook mee met Peeters, want ook War Zone werd vaak moedwillig verkeerd geïnterpreteerd. ‘Het waren de jaren negentig. Niemand had seksuele intimidatie op straat zo onder de aandacht gebracht. Men vond het sensationeel. Van de ene op de andere dag belandde ik vanuit de anonimiteit in een live-show op tv met vier miljoen kijkers. Ik werd direct geframed als een radicaal, een feminist, een mannenhatende bitch. “Hou je eigenlijk wel van mannen?” werd mij in veel interviews gevraagd. En: “O, dus jij zegt dat als een man naar je kijkt, hij je automatisch ook wil verkrachten?”’

Het was de denigrerende respons van een maatschappij die liever de vingers niet brandt aan een alomtegenwoordig probleem als seksuele intimidatie op straat. Hadleigh-West zette haar strijd door. Ze zegt dat ze ondanks alle seksistische kritiek – van mannen én vrouwen – het probleem de jaren daarna onder de aandacht is blijven brengen door lezingen te geven op scholen, in buurthuizen en op universiteiten. ‘Het debat over seksuele intimidatie wordt tegenwoordig in Amerika op een hoger plan gevoerd’, zegt ze. ‘Het wordt nu beter begrepen dat het onacceptabel gedrag is, en dat mijn kleding, houding, of sekse nooit een reden kan zijn om dit gedrag te vergoelijken.’

‘In War Zone was ik een metafoor voor andere vrouwen. Wat mij overkwam, overkwam ook alle andere vrouwen. Maar tijdens het filmen merkte ik dat veel problemen van zwarte mannen, net als de problemen van vrouwen, werden genegeerd, terwijl het zich allemaal afspeelt onder onze neuzen. Hieruit komt mijn tweede film, Player Hating, die bedoeld is om de ongelijkheid te tonen die deze mannen treft.’

Peeters vindt dat haar film seksuele intimidatie op straat ook uit de taboesfeer heeft gehaald. Het heeft voor een mentaliteitsverandering gezorgd in België. Ze zegt dat steeds meer vrouwen uit Femme de la rue moed putten om hun ervaringen met seksuele intimidatie op straat te delen. Dat onrecht is nu aangekaart: de samenleving en de politiek erkennen het als een serieus probleem. Ze is alleen niet net als Hadleigh-West van plan om een vervolg aan haar film te geven en de wereld te tonen van de gemargi­naliseerde jongens en mannen uit de Anneessenswijk die ze ontvlucht is.