Die nazomer van 1989

INGO SCHULZE
ADAM UND EVELYN
Berlin Verlag, 313 blz., € 18,-

Lutz heette hij eigenlijk, maar iedereen noemde hem Adam. Ten tijde van de DDR was hij kleermaker. Adam had gouden handen. Zijn bloezen, rokken, jurken en mantelpakken waren zo mooi en zaten zo perfect dat ze van iedere vrouw een aantrekkelijke schoonheid maakten. Zijn klanten zagen er in hun nieuwe kleren zo verleidelijk uit dat Adam hen niet kon weerstaan. In het kleine naaiatelier werd de liefde bedreven als kroon op een nieuwe creatie. Dat ging goed tot op een warme dag in augustus 1989 Adam werd betrapt door zijn vaste vriendin Evelyn, die niet wilde begrijpen dat het hier om mode en seks ging en niet om liefde. Want die gold uitsluitend Evelyn.
Zo begint de jongste roman van Ingo Schulze, wellicht de meest bekende onder de Duitse auteurs die opgroeiden in de DDR en na de val van de Muur en de Duitse hereniging gingen schrijven. Voor hen was de Wende hoogst ingrijpend en het is dus niet verwonderlijk dat deze in hun romans een grote rol speelt. Schulze schreef erover in zijn Simple Storys uit 1998 en nog eens zeven jaren later in zijn grote, indrukwekkende roman Neue Leben, die ook in het Nederlands werd vertaald.
Voor Schulze was daarmee nog altijd niet het laatste woord over het verdwijnen van de DDR gezegd. In de roman Adam und Evelyn keert hij terug naar de nazomer van 1989, toen het overal in Oost-Europa gistte. In Polen en Hongarije kwamen hervormingen op gang en de Duitsers in de DDR werden onrustig, omdat er uitzicht ontstond op vrijheid en een ander leven.
We zullen er dit jaar nog veel over horen, over de gebeurtenissen in de nazomer en herfst van 1989, nu twintig jaar geleden. Een eerste, maar vooral nog symbolische daad geschiedde op 27 juni, toen de Oostenrijkse en de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken een gat knipten in het prikkeldraad langs hun grens. Opeens leek het IJzeren Gordijn passeerbaar, en ofschoon dat toen nog niet het geval was, begonnen de eerste Oost-Duitsers hun koffers te pakken. Officieel gingen ze op vakantie in Hongarije en Tsjechoslowakije, maar in stilte hoopten ze via die landen het Westen te kunnen bereiken.
De beelden uit die tijd zijn nog niet verbleekt; duizenden Oost-Duitsers die in en om de West-Duitse ambassade in Praag bivakkeerden en na spannende weken jubelend het nieuws aanhoorden dat ze naar het Westen mochten. In Hongarije was de situatie niet veel anders. Eind augustus waren er 150.000 Oost-Duitsers. Ze verbleven in de West-Duitse ambassade in Boedapest of in vluchtelingenkampen. Op 11 september opende Hongarije de grens naar Oostenrijk en konden de Oost-Duitsers weg.
Tegen deze achtergrond speelt de roman Adam und Evelyn, en als de lezer bij deze titel denkt aan de Bijbel, aan het verhaal van Adam en Eva en hun verdrijving uit het paradijs na het eten van de boom van goed en kwaad, dan is dat precies de bedoeling van Schulze. Want in wezen gaat het bij hem om de vraag: wat is het paradijs? Waar is het te vinden? Is het werkelijk het rijke en vrije Westen?
Adam is eigenlijk heel tevreden met zijn leventje in de DDR. Zijn werk, zijn huisje en ’s avonds bier en een sigaar in zijn tuin. Voor hem is dat paradijs genoeg.
Evelyn, die in de DDR niet mag studeren en in een restaurant werkt, verwacht echter meer van het leven. Ze stond op het punt om samen met Adam op vakantie te gaan bij Hongaarse kennissen aan het Balatonmeer. Maar met haar ontrouwe Adam wil ze nu niets meer te makken hebben. Ze reist met vrienden naar Hongarije, en Adam reist haar achterna. Onderweg pikt hij een jonge vrouw op, Katja, die bij een poging via de Donau naar het Westen te vluchten bijna is verdronken en alles heeft verloren. Katja weet heel zeker dat het paradijs in het Westen ligt en ziet het zelfs als haar ‘plicht’ om daar naartoe te gaan. ‘We weten toch helemaal nog niet wat leven betekent.’
Schulze heeft over de belevenissen van zijn hoofdpersonen een lichtvoetige, amusante roman geschreven, waarin de toon wordt bepaald door het gesproken woord. Hij laat zijn personages bijna voortdurend met elkaar praten. In dit meerstemmige koor ontstaat opnieuw de sfeer van die dagen: hoopvolle verwachting, gemengd met enige weemoed om mensen en dingen die men achterliet.
Adam en Evelyn verzoenen zich aan het Balatonmeer, en als Hongarije echt de grens opent, rijden ze samen naar Oostenrijk en vandaar naar Beieren. Adam weet niet goed wat hij in het Westen moet, want hij begrijpt snel dat West-Duitse vrouwen niet naar de kleermaker gaan als ze iets nieuws willen. Hij leest voor het eerst in de Bijbel het scheppingsverhaal en ontdekt de erfzonde van deze tijd. Evelyn: ‘Hij meende erfzonde is de drang steeds meer en meer geld te willen en dat dit alles kapot zou maken.’
Het kapitalisme, zo voorziet Adam, zal zijn landgenoten uit het paradijs verjagen. Zolang de Muur overeind stond, was voor de meeste Oost-Duitsers het onbereikbare Westen het paradijs. Toen ze echter eenmaal bij het Westen hoorden, kregen ze te maken met de kwade kanten van het kapitalisme en verdween het paradijs. Maar dat besefte in die nazomer van 1989 nog bijna niemand.