Opheffer

Die oorlog

Ik geloof dat ik zonder overdrijving kan beweren dat mijn leven getekend is door de Tweede Wereldoorlog.

Mijn ouders en zusje zaten in een kamp, ik schrijf er boeken over, ik maak er filmscenario’s over, ik lees er alles over – het is alsof ik tevergeefs achter een geheim probeer te komen.

Ik merk ook dat de Tweede Wereldoorlog in de belangstelling wegsterft, als de wind die in de avond gaat liggen; steeds vaker moet ik iets uitleggen wat ik vanzelfsprekend achtte.

Laatst bijvoorbeeld aan leerlingen van een middelbare school die mijn boek hadden gelezen.

«Waarom zijn uw ouders niet vergast?» vroeg een aardige puber.

«Omdat ze dus in Japanse krijgsgevangenschap zaten.»

«In Indonesië?»

«Ja…»

«Wat deden de Japanners daar?»

Ik gaf geschiedenisles. Met de kaart erbij. Ze kenden Pearl Harbour van de film.

«Maar als uw ouders nou joden waren geweest?»

«Ja», zei ik zo cynisch mogelijk, «mijn ouders hebben geluk gehad…»

Binnenkort gaat er een film in première waarvan ik het scenario heb geschreven: Oorlogsrust. Ik heb daarin – tamelijk kinderachtig, ik geef het toe – een quiz gemaakt met vragen over de oorlog. Van makkelijk naar moeilijk. Ik deed dat om te laten zien dat we zelf ook de nuances over de oorlog aan het vergeten zijn. Dat maakt me soms droevig, terwijl ik er blij om zou moeten zijn.

Blij, omdat het goed is dat oorlog op de achtergrond raakt, dat we ons niet meer laten leiden door wat er «toen» is gebeurd. Maar het maakt me droevig, omdat met het vergeten ook een deel wegvalt waaraan ik mijn bestaan heb te danken. Oorlog als een raison d’être.

Ik heb altijd, als je dat zo kunt uitdrukken, langs de lijnen van de oorlog gedacht en gehandeld. En misschien daarbij ook fouten gemaakt.

Ik was voor de oorlog in Irak. Niet omdat er massavernietigingswapens zouden zijn, maar omdat ik meende, en nog steeds meen, dat een dictator die gas gebruikt en meer dan honderdduizend doden op zijn geweten heeft van deze aardbodem moet verdwijnen.

Ik begrijp dan ook de mensen niet die vinden dat Saddam «levenslang» moet krijgen.

Ik ben ook voor de absolute vrijheid van meningsuiting. Omdat ik weet wat er in de oorlog gebeurde als je je niet kon uitspreken.

Ik ben eveneens tegen elke vorm van fascisme, dus ook tegen een fascistische religie. Omdat ik door de Tweede Wereldoorlog weet dat fascisme alleen maar vernietiging op het oog heeft. Vooral religieus fascisme. Religieuze fascisten verafgoden de dood, zoals ze hun God verafgoden. Die houden niet van de mens.

Ik vond – in tegenstelling tot veel Duitslandkenners – Der Untergang een prachtige film, omdat je vooral zag hoe Hitler het modieus gebruik van de wetenschap – het darwinisme – misbruikte voor zijn eigen filosofie, maar daar toch aan ten onder ging. «Alleen het sterkste geslacht zal overwinnen…» Wie zwak was, zoals het Berlijnse volk in 1945, moest maar dood. Hitler vergat stelselmatig te definiëren wat «sterk» eigenlijk is; het werd goddank zijn eigen ondergang.

Er zou een mooi woordenboekje samen te stellen zijn over woorden en begrippen die na de Tweede Wereldoorlog een andere betekenis hebben gekregen. Vrijheid, solidariteit, gelijke kansen, mening, actie, vrede, humaan, waardevrije wetenschap, discriminatie, mode… Aan die veranderde betekenissen kun je mooi de veranderende tijd zien, plus het onvermogen om over sommige zaken helder te denken.

Omdat de jeugd steeds minder weet van de Tweede Wereldoorlog wil staatssecretaris Ross dat het onderwijs daaraan meer aandacht besteedt.

Ik denk dat dat geen zin heeft. Beter is vermoedelijk om die begrippen te behandelen: vrijheid, vrijheid van meningsuiting, nationaal-socialisme, socialisme, discriminatie – dan kom je vanzelf bij de oorlog uit.

Maar ik besef dat ik er nooit meer van los zal komen.

En ik heb die oorlog niet eens zelf meegemaakt.

Is heftige armoe ook niet een vorm van oorlog? Dan zijn er hier onder de asielzoekers vele oorlogsslachtoffers.

In mijn kleine kring van kennissen zitten Kroaten, Nigerianen, Duitsers, Amerikanen, een vrouw uit Mali, Somaliërs… allemaal hun eigen oorlog meegemaakt. Allemaal niet bij machte iets uit te drukken dat op onmiddellijk begrip stuit.

Toen Van Gogh Submission wilde maken, begreep ik onmiddellijk waarom hij dat wilde – al vond ik het scenario geen filmscenario en veel te slap.

Het had te maken met onze oorlogstic, en de oorlogstic van Ayaan.

Onderdrukking… Dat is iets wat je niet pikt – als je ouders hebt gehad die jaren onderdrukking hebben meegemaakt of als je zelf slachtoffer bent geweest van keiharde onderdrukking.

Al wat Theo heeft gedaan, kun je op een of andere manier terugvoeren op die Tweede Wereldoorlog. Al vanaf zijn eerste «existentialistische» films, tot zijn laatste politiek geëngageerde films, kun je verwijzingen naar de «bange jaren ’40-’45» zien. Niet voor niets maakte Theo een serie van Koos Tak, een journalist die op zijn eigen manier eveneens was blijven hangen in die merkwaardige Tweede Wereldoorlog.