TELEVISIE

Die stem

Wreed geluk

Buiten Hans Kellers fameuze reeks Dode dichters (VPRO) is er zelden tv-aandacht voor poëzie. De dichtkunst is nu eenmaal een niche. Gelukkig prefereren de meeste liefhebbers papier boven plasma. Incidenteel verschijnt een poëet (Tjitske Jansen bij Kunststof); of overlijdt er een die vooral als Bekende Nederlander wordt uitgeluid (Vinkenoog); en heel soms wordt een documentaire aan een dichter gewijd, zoals Kopland, de taal van het verlangen van Piet Hein van der Hoek. Opvallend dat die mooie film van een regionale zender kwam: RTV Noord. Zondag weer een lange dichtersfilm, en zowaar weer uit de regio: RTV Rijnmond. Desondanks bijna overal te ontvangen in het kader van RegioDoc, waarin gewesten elkaars mooiste films tonen. Onderwerp niet Vaandrager of Deelder maar Hugo Claus. Gent ligt niet aan de Maas, maar Poetry International is medeopdrachtgever – vandaar.
De vraag is ook niet of regionale films regiogebonden genoeg zijn, maar of ze goed zijn. En de moeite waard is Wreed geluk van John Albert Jansen. Grote Hugo is er weinig in te zien. Wel veel te horen bij het lezen van zijn gedichten en dat kon hij als de beste. We horen ook zijn maten Claus voordragen en hoe overtuigd die dat ook doen, niemand, behalve misschien Jan Decleir, evenaart de meester. Mij zou het niet verbazen als de aantrekkingskracht die hij op het vrouwvolk had niet alleen wortelde in wát hij zei, maar ook in die geweldige stem en toon.
Over vrouwen en lust gaan veel van de gedichten en veel van de gesprekken met zijn kompanen en broer Odo. Want Jansen probeert Claus te vangen door en in verhalen van vrienden. Zo wordt de film niet alleen een schets van de dichter (ook voor zijn omgeving niet te kennen, al was het maar omdat de waarheid volgens hem iets was ‘waartegen de honden pisten’ – aldus Pjeroo Roobjee), maar ook groepsportret van oude Vlaamse kunstenaars, elk kanjer in eigen stiel, die in Hugo ook zichzelf beschrijven. Vooral als de gulzige mannen die ze waren, voor wie de dood eindeloos ver leek maar wier levensdrift ze tegelijk ook uit de dood verklaren.
Die laatste komt onmiskenbaar dichtbij in het moeizaam ademen van Raveel, in de tweede harttransplantatie van Lauwaert (die weer mag vreemdgaan, zij het voorzichtig – het lijkt een panische obsessie), in het fysieke ongemak van broer Odo. Diens rol in de film is belangrijk – niet alleen vanwege biografische informatie maar ook vanwege het verbluffend exempel dat hij vormt inzake genetica. Uiterlijk al een niet te missen Claus, maar ook de overgave waarmee hij vertelt, dansjes voordoet en zelfs de heg te lijf gaat met de snoeischaar lijken herkenbaar. Zoals het fabuleren van vader op zoon Hugo is overgegaan, zo zijn lol en levenslust kennelijk door meer Clausen geërfd. Wie weet trouwens wat voor onzin Odo over Hugo beweert. Maar als het niet waar is, dan klopt het naar de geest voortreffelijk.
Niet alles is even geslaagd. Waar Jansen een gedicht door een koor van vriendenstemmen laat voordragen verdwijnt de tekst achter de gimmick. De wielrenner door het land waar Hugo vroeger met Raveel reed is een obligate biking gag en in de slotronde die hij door Raveels museum fietst toont de filmer te nadrukkelijk zelf kunstenaar te (willen) zijn.
In het koor van grote oude mannen zingt ook Jef Geeraerts. Maar hij rouwt niet vertederd lachend om een vriend of om het verlies van lust en ‘de vrouwen’ – hij rouwt om zijn gestorven vrouw. Pijnlijk indrukwekkend, maar eigenlijk een andere film.

John Albert Jansen, Wreed geluk: Claus, Vlaanderen & De liefde. Zondag 29 november 12.00 uur, de meeste regionale zenders. Daarna wekelijks op dat tijdstip andere regiodocumentaires, t/m maart