Die twijfel, die twijfel

Het vervelende is dat je de ene moraal (de onze) weliswaar beter kunt vinden dan de andere moraal (die van hullie), maar dat zegt nog niets over het waarheidsgehalte van die uitspraak.

Je kunt geen wereldkampioen in de moraal worden.

Ik kan daar ook niet de hele dag over nadenken. Sterker: ik neem per dag honderden morele beslissingen, en die neem ik bijna allemaal onbewust. Ga ik nog net even door rood – en breng daarmee misschien anderen in gevaar – of niet? Ga ik een vriend geen lening geven, eet ik toch dat extra vette broodje of niet? Aan die beslissingen wijd ik nauwelijks enige gedachte, want die tijd heb ik meestal niet. Ik handel moreel of amoreel uit intuïtie, denk ik wel eens.

En mijn intuïtie is niet altijd moreel in orde.

Bij grote problemen – gaan we oorlog voeren of niet – kan ik langer over mijn moraliteit nadenken. Er zijn waarden die ik te verdedigen heb, er zijn rode lijnen die dan moeten worden overgegaan, consequenties die je te aanvaarden hebt, verantwoordelijkheden die je moet dragen. Je kunt daarover advies inwinnen bij anderen, en je kunt er een volk of een vergadering over laten stemmen.

Maar dan?

Ik stel me die situatie vaak voor.

Als wat de meerderheid wil nu niet strookt met mijn wil?

Mijn kleinzoon is achttien. Wij zijn in oorlog met Rusland en iedereen – ikzelf ook – vindt het juist als we ten strijde gaan trekken.

Maar nu ken ik de oorlog – die is vreselijk – en ik wil mijn kleinzoon daarvoor behoeden, zou ik dan moreel verwerpelijk zijn als ik hem verberg?

Ja? Nou en?

Mijn vader vertelde mij een keer dat hij die avond over mij had gedroomd. Ik was – in het kamp – door Japanners gevangen genomen en was ontsnapt en naar mijn vader gegaan. De jappen kwamen mij zoeken, en vonden mij. Mijn vader voelde zich in die droom machteloos en werd verdrietig wakker.

We spraken erover.

‘Wat had je dan willen doen?’ vroeg ik.

‘Als ik een pistool had gehad was het misschien het beste om jou en mezelf neer te schieten, want ik wilde jou en mij het lijden van het martelen besparen.’

Er is constant morele ­twijfel als je meer informatie ­toebedeeld krijgt

‘Maar je hebt geen pistool.’

‘Dan had ik er misschien voor moeten zorgen dat de jappen ons neerschoten.’

‘Had je dat echt gedaan?’

Mijn vader wist het niet. Hij dacht uiteindelijk van wel.

Toen had ik moeite met deze vaderlijke beslissing, tegenwoordig begrijp ik hem goed.

Maar ik kan nergens opzoeken of mijn vader dan moreel juist had gehandeld.

Een kennis van mijn vriendin heeft afgelopen week zelfmoord gepleegd.

We weten niet waarom. Het schijnt zo te zijn dat je in een plotselinge psychose kunt raken en dan tot suïcide overgaat. Wij troosten ons dus met de gedachte dat de kennis plotseling ziek was geworden.

Maar als die kennis dat nu niet was, maar gewoon het leven niet zag zitten, omdat alles tegenliep? Als de dood hem voor iedereen het beste leek? Hoe moet dan mijn oordeel luiden? Ik ben tegen. (Waarbij ik ook weer denk aan mijn ouders: die zijn in de oorlog niet voor niets blijven leven.)

Maar ik weet het niet, en besef dat ik er niet over kan oordelen – ik ben niet op de hoogte van alle gegevens.

Aan dat euvel lijd ik steeds vaker.

Er is constant morele twijfel als je meer informatie toebedeeld krijgt.

De twijfel is soms zo groot dat ik denk dat je je juiste morele handelen ook wel eens door kop of munt zou kunnen laten bepalen.

Ik ben erg bang dat ik straks heel goede argumenten kan formuleren om oorlog te voeren, zelfs als ik besef dat er dan honderdduizenden doden zullen vallen.

Maar moet ik die argumenten dan voor me houden?