De intellectueel denkt niet in termen van goed en kwaad. Hij ondergraaft het moreel en sticht verwarring

Die vervelende intellectuelen

Boudewijn van Houten

Heel de intellectueel: Het mes in de intelligentsia; notities 1979-2004

Aspekt, 239 blz., e 22,95

Vincent Blok

Rondom de vloedlijn: Filosofie en kunst in het machinale tijdperk. Een confrontatie tussen Heidegger en Jünger

Aspekt, 240 blz., e 22,95

Kees Schuyt

De stuifzandsamenleving

Meulenhoff / De Volkskrant, 190 blz.,

e 10,-

Veel mensen ervaren het huidige tijdsgewricht als uitermate verwarrend en zoeken naar zekerheden, naar heldere scheidslijnen, naar een overzichtelijke keuze tussen goed en kwaad. Sommige intellectuelen roepen hierbij Carl Schmitt aan, die het onderscheid tussen vriend en vijand zag als het wezen van de politiek. Dat klinkt aantrekkelijk en lijkt bevredigender dan de volkswijsheid dat het niet uitmaakt of je nu door de hond of door de kat gebeten wordt, of dan het cynisme van postmoderne filosofen die met veel omhaal van dure woorden hetzelfde beweren.

In de praktijk is het vaak niet zo gemakkelijk. Neem het recente referendum. Wie was hier de vijand? Waren het de megalomane politici en de on controleerbare eurocraten, of populisten als Geert Wilders, Jan Marijnissen en Jean-Marie Le Pen? De keuze was vrijwel onmogelijk, en nog altijd beseffen weinig mensen dat de democratie veel minder bedreigd wordt door moslimfundamentalisten dan door het gedachtegoed van D66, dat nu door veel andere partijen wordt overgenomen omdat die denken hiermee te ontkomen aan het formuleren van een eigen visie. In kwesties als deze is er niet slechts één vijand, maar dient de strijd op vele fronten tegelijk te worden gevoerd en is het onvermijdelijk tijdelijke bondgenootschappen te sluiten met lieden die men het liefst ook zou bestrijden.

De afgelopen jaren is vanuit rechtse, conservatieve hoek dikwijls beweerd dat onze samenleving naast extremisten van divers politiek of religieus pluimage nóg een vijand kent, een soort vijfde colonne die onze weerbaarheid ondergraaft: de intellectuelen. Niet zelden wordt hier nog het tegenwoordig uiterst negatieve adjectief «linkse» aan toegevoegd, terwijl dit door sommigen juist wordt gezien als pleonasme.

Voor wie in deze wereld slechts vrienden en vijanden wil onderscheiden is de intellectueel immers een vervelend of zelfs verontrustend fenomeen. Als het goed is, stelt hij namelijk lastige vragen, prikt hij allerlei argumenten door, stelt hij zekerheden ter discussie. Wanneer hij bij de vijand iets positiefs ontdekt, zal hij niet schromen dat te melden, terwijl hij ook niet te beroerd zal zijn onbetrouwbare vrienden in hun hemd te zetten. De intellectueel ondergraaft het moreel en sticht verwarring. Wie op zoek is naar tot oneliners te reduceren dogmata, wie ingewikkelde problemen ziet als de strijd tussen de good guys en de bad guys, beschouwt de intellectueel als een irritante zeikerd.

In zijn schotschrift Heel de intellectueel schrijft Boudewijn van Houten dat intellectuelen «soldaten in het uniform van de vijand» zijn. «En die mogen zonder vorm van proces worden afgeknald.» Hij zou graag de geschiedenis in gaan als de grote «intellectuelen verdelger» en is van mening dat wanneer niet op tijd met de intellectuelen wordt afgerekend, zij met de gewone, normale, brave burgers zullen afrekenen. In een milde bui is hij bereid om deze «mongooltjes van het geestesleven», die «de missing link tussen de gewone mens en de crimineel» vormen, te sparen en hen slechts naar de Waddeneilanden te verbannen, op voorwaarde dat in de omringende zeeën voldoende haaien zijn uitgezet.

Het zal duidelijk zijn dat Van Houten, die over zijn jaren als corpsstudent ooit het aardige boekje Onze hoogmoed schreef, zo’n bloedhekel aan intellectuelen heeft dat hij regelmatig vervalt in studentikoos gebral en zelfs niet terugdeinst voor jargon waarmee zijn vader, de nationaal-socialistische uitgever Reinier van Houten, ooit een goed be legde boterham verdiende. Wanneer hij hierop wordt aangesproken, zal hij vermoedelijk verklaren dat we het niet zo heel serieus moeten nemen, dat hij in werkelijkheid niet voor het standrechtelijk executeren van intellectuelen is. Hij schrijft namelijk dat hij in tegenstelling tot Mulisch – ook de zoon van een nazi – «geen aartje naar mijn vaartje» heeft en niet warmloopt voor totalitaire regimes.

Toch zou een dergelijk verweer flauw zijn, aangezien hij intellectuelen vooral verwijt dat ze zo vrijblijvend en onoprecht zijn, dat ze zich altijd in de meest vreemde bochten wringen om de consequenties van hun ideeën te ontlopen. Van Houten is een verklaard estheet en hedonist die het intellectuelen kwalijk neemt dat zij dat niet zijn of, nog erger, daar niet voor uit durven komen. In de jaren zestig heeft hij, sa men met boezemvriend Theo Kars, een weinig succesvolle poging gedaan het bastion van de vaderlandse literatuur te bestormen. Dat literaire roem hem onthouden werd zou natuurlijk iets te maken gehad kunnen hebben met de omvang van zijn talent, maar zelf houdt hij het erop dat hij zo walgde van het modieuze, quasi-erudiete en met allerlei linkse halsafsnijdersregimes koketterende literaire wereldje, dat hij zichzelf hiermee buitenspel plaatste.

Ondanks alle rancune en alle getier is het af en toe een aardig boekje om te lezen. Hilarisch is de buitengewoon vi leine beschrijving van een bezoek aan het Italiaanse vakantiehuis van mede-estheet J.P. Guépin en in zijn oordeel over schrijvers is hij af en toe to the point: «Als je de roman Siegfried leest, krijg je meer sympathie voor Hitler dan voor Mulisch. Nu ja, bij mij is het altijd zo geweest. Hitler had veel menselijks, Mulisch is zo dor als hij eruit ziet.» Bovendien walgt Van Houten van allerlei aanstellerige types die zeer onder de indruk zijn van het feit dat een Italiaanse markies zijn personeel netjes behandelt, terwijl dat natuurlijk de gewoonste zaak van de wereld is, en stelt hij dat wie voor een referendum is ook voor juryrechtspraak moet zijn, om vervolgens een beeld te schilderen van wat ons dan te wachten staat.

Van Houtens afkeer van linkse intellectuelen mag dan wat overdreven zijn, het grootste manco van zijn boek is dat hij echt interessante intellectuelen als Orwell, Tucholsky, Aron of De Kadt niet noemt – lezing van het volgende boek sterkte mij in de opvatting dat men in dit opzicht niet wantrouwig genoeg kan zijn. Vincent Bloks Rondom de vloedlijn is op het eerste gezicht een zeer specialistisch filosofisch werk, over twee weinig toegankelijke denkers. Te gelijkertijd is het de weerslag van de intellectuele zoektocht van iemand die eind jaren tachtig, begin jaren negentig sympathiseerde met de felle «anti-imperialisten», die radicale acties on dernamen tegen ondernemingen die zaken deden met het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime en hun hoop hadden ge vestigd op de Nicaraguaanse sandi nis ten. Uit het voorwoord wordt niet duidelijk of Blok meedeed aan dergelijke acties, of slechts stond te juichen bij het in de brand steken van de Makro of Shell-stations, de boycot van W.F. Hermans en het besluit van de universiteitsraad van de Universiteit van Am sterdam om in verband met het V.S.-optreden in Midden-Amerika geen studieboeken uit dat land meer te gebruiken.

Wanneer Blok geen strafbare feiten heeft gepleegd, kunnen we hooguit spreken van politieke inschattingsfouten, en wie maakt die rond zijn twintigste niet? Opvallend is echter de wijze waarop hij zijn toenmalige illusies tot uitgangspunt van zijn dissertatie heeft gemaakt. Onder imperialisme verstond Blok destijds «de menselijke verhoudingswijze die uit is op macht en deze macht desnoods bereikt, behoudt en vermeerdert ten koste van de wereld en mensen daarbinnen». Zo ruim bemeten is het begrip natuurlijk van toepassing op alle mogelijke verhoudingen tussen mensen, zodat het verzet tegen de «on waarheid» van het imperialisme niet alleen bestond uit het bestrijden ervan, maar tevens uit het creëren van zogenaamde «vrijplaatsen» waar ge pro beerd werd vorm te geven aan een «radicaal andere bestaanswijze».

De val van de Muur en de verkiezingsnederlaag van de sandinisten in 1990 zetten Blok echter aan het denken. Er leek geen alternatief meer mogelijk en hij besefte dat «het anti-imperialisme in haar verzet tegen… zelf uit is op macht en zodoende zelf getuigt van imperialisme».

Hierna ging Blok op zoek naar «het wezen» van het imperialisme, dat blijkbaar zo sterk was dat het zelfs zijn tegenstanders in zijn macht had. Zodoende kwam hij uit bij de vraag wat «het we zen» van de macht is en stortte hij zich op het werk van Heidegger en Jünger. Dit was een bevrijdende ervaring, aangezien hij tot de conclusie kwam dat het imperialisme niet bestreden kon worden, maar dat het vraagt om «omwenteling van het menselijk bestaan». Hiermee doelde hij echter niet op de subcultuur van krakers en activisten waar hij uit voortkomt, omdat Heidegger hem geleerd heeft dat alle activisme «doortrokken is van zijnsvergetelheid». Sterker nog: «Feitelijke politiek-economische omstandigheden zo als de Amerikaanse bombardementen op Irak en de aanslagen op burgers door Al-Qaida secundair ten opzichte van de vraag naar het filosofisch principiële, de semantische grond ervan.» Gebruikmakend van de orakeltaal van Heidegger stelt Blok dat de noodzakelijke omwenteling van het menselijk bestaan niet «activistisch» kan worden begrepen, maar een «Anspruch» vergt die «door een menselijk denken alleen kan worden voorbereid».

We hebben hier dus te maken met een intellectueel die ooit ideologisch verblind was door de simplistische slogans van ultralinkse activisten, vervolgens op schoot is gekropen bij twee denkers die het politiek en moreel volledig hebben laten afweten en die zich nu bedrinkt aan de holle woorden en on toetsbare begrippen van een filosofie die zichzelf genoeg is. Evenals Jünger, die zich ook boven alles verheven voelde, heeft Blok blijkbaar een enorme wolk van metafysische humbug nodig om zijn escapisme te legitimeren.

Na de boeken van Van Houten en Blok was het een verademing om De stuifzandsamenleving van Kees Schuyt te lezen, een bundeling Volkskrant-columns die verscheen op het moment dat Schuyt de J.P. van Praagprijs kreeg uitgereikt. Hier zien we een echte intellectueel aan het werk, iemand die lastige vragen stelt, argumenten doorprikt en zekerheden ter discussie stelt. En dat zonder grote woorden en welluidende kreten, maar met behulp van een enorme feitenkennis, eruditie en gezond verstand. Onder Schuyts handen groeit vrijwel elke column uit tot een mini-essay over een brandend maatschappelijk vraagstuk, waarbij hij nooit met gemakkelijke oplossingen komt maar behoedzaam de vinger op de zere plekken legt en aangeeft wat de oorzaken en gevolgen van bepaalde verschijnselen zijn, dit alles vaak gelardeerd met verwijzingen naar schrijvers, dichters en denkers.

Wanneer hij iets schrijft over het toegenomen geweld in de samenleving, waar tramconducteurs, verplegend en onderwijzend personeel en de balie medewerkers van de universiteit mee geconfronteerd worden, verbaast hij zich erover dat het steeds de potentiële slachtoffers zijn die op cursus moeten, die moeten leren hoe ze om moeten gaan met agressieve medeburgers. Vervolgens stelt hij zich de vraag waar al die agressie vandaan komt en legt hij een relatie tussen taal en gedrag.

Wat hij niet doet, is het slaken van populaire kreten en het propageren van de even simpele als krachtdadige maatregelen waarmee populistische politici en opinion leaders aan de weg timmeren. Zo keert hij zich, in een stukje naar aanleiding van de dood van Meindert Tjoelker, tegen de nestor van de vaderlandse populisten, Hans Wiegel, die een oorzakelijk verband had gelegd tussen de antiautoritaire opvoedingsidealen uit de jaren zeventig en het huidige «zinloos geweld».

Allereerst stelt Schuyt de vraag of de daders wel zo’n antiautoritaire opvoeding hadden gehad, omdat zij waren geboren op een moment dat dergelijke opvattingen al weer uit de mode waren geraakt. Vervolgens wijst hij op onderzoek dat heeft uitgewezen dat degenen die wel zo’n opvoeding hadden genoten, in meerderheid niets liever wilden dan een «gewoon» leven, en zich vrij sterk afzetten tegen de opvattingen van hun ouders. Bovendien blijkt uit veel wetenschappelijk onderzoek dat ge weld en agressie eerder in verband kunnen worden gebracht met een autoritaire opvoeding.

Of Schuyt nu schrijft over «11 september», de slachtoffers van de cafébrand in Volendam, euthanasie, de universiteit, de voetbeweging van Dennis Bergkamp of de romanfiguren van J.M. Coetzee, steeds combineert hij een scherpe en tegelijkertijd liefdevolle blik op de realiteit met een uiterst nuchtere redeneertrant en een ongelooflijk brede en diepgaande kennis. Anders dan Van Houten onthoudt Schuyt zich van schelden en fulmineren en in tegenstelling tot Blok bezondigt hij zich niet aan bombastisch gebazel en escapisme. Vastberaden en bedaard probeert hij greep te krijgen op een samenleving die als los zand aan elkaar lijkt te hangen en alle kanten op dreigt te waaien. Dat is een houding waar de lezer wat aan heeft en die het grootste respect verdient.