Voltaire, Filosofische vertellingen

Die vervloekte grijns van Voltaire

Voltaire was een politiek relativist. Van de zich conservatief noemende ultraliberalen die momenteel de wereld willen verbouwen tot een liberaal-democratisch paradijs zou hij beslist niets moeten hebben. Ook hun zou hij ongetwijfeld zijn fameuze vervloekte grijns hebben getoond.

Over Voltaire (1694-1778) valt veel lelijks te vertellen. Hij was ijdel, probeerde bij machtige lieden in het gevlij te komen, was verzot op geld, heeft tal van antisemitische uitlatingen gedaan, en was als criticus pur sang een uitgesproken negatief figuur. Bovendien lijkt er van zijn werk niet veel overgebleven te zijn. De tientallen toneelstukken die hij schreef zijn onspeelbaar en onleesbaar. Zijn hoogdravende tragedies zijn weliswaar het werk van een gewiekste verzensmid, maar ze ontberen elk gevoel voor tragiek. Een fors deel van zijn tijd, energie en intellectueel kapitaal heeft de voor die tijd bijzonder oud geworden Voltaire gestoken in grote historische werken. In tegenstelling tot Gibbons The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1776-1788) worden Voltaires Le Siècle de Louis XIV, Essay sur l’Histoire Generale en Essay sur les Moeurs nog slechts door een handjevol specialisten gelezen.

Zelfs zijn tijdgenoten toonden aanzienlijke reserves ten aanzien van deze werken, al moest de jonge James Boswell toegeven «dat niemand zulke gewaagde verhalen ophangt als hij». Voltaires stijl kon niet genoeg geprezen worden, maar als er in die boeken al waarheid voorkwam, dan altijd «geschminkt, beklad of in belachelijke vermomming». Een eeuw later was Voltaires reputatie wat dat betreft nog verder afgebladderd, aangezien Flaubert in zijn Dictionnaire des idées reçues onder het lemma «Voltaire» noteerde: «Beroemd om zijn afzichtelijke ‹grijns›. Oppervlakkig in wetenschappelijk opzicht.»

Dat verwijt van oppervlakkigheid betreft niet alleen Voltaires werk als historicus, maar richt zich ook sinds jaar en dag op zijn filosofische werk. Hoewel hij de beroemdste der achttiende-eeuwse philosophes is, wordt hij gezien als een getalenteerde naprater van John Locke en Pierre Bayle en een behendig popularisator van de ideeën van Newton. Volgens John Gray zijn Voltaires filosofische geschriften «unoriginal to the last degree». Ook de telkens weer oplaaiende kritiek op het rationalisme en vooruitgangsgeloof van de Verlichting doet Voltaires reputatie geen goed. Verlichtingsdenkers als hij hebben in de loop van de tijd de schuld gekregen van abjecte zaken als de Franse Revolutie, de secularisatie, de Goelag, Auschwitz, de seksuele revolutie en het drugsgebruik.

Isaiah Berlin mocht dan van mening zijn geweest dat «no one mocked as brilliantly as Voltaire», William Blake had hem al rond 1800 juist hierop aangevallen: «Mock on Mock on Voltaire Rousseau/ Mock on Mock on tis all in vain/ You throw the sand against the wind/ And the wind throws it back again.» Voltaire dreef de spot met de christelijke godsdienst, en dat maakte hem bij velen zo gehaat. Voor de ultrareactionaire Joseph de Maistre was hij «dat brutale vloekbeest», de «persoonlijke vijand van de Redder der mensen», was hij zo verdorven dat hij zelfs uit Sodom zou zijn verbannen, en was duidelijk dat «de goddelijke vervloeking op zijn gezicht geschreven stond».

Volgens de man die door de Nederlandse neoconservatieven is uitverkoren als hun intellectuele boegbeeld, Edmund Burke, heeft «nobody […] ever united blasphemy and obscenity so happily together» als Voltaire. In tegenstelling tot de lieden die hier in Nederland de van God gegeven harmonische orde willen herstellen, en die wit wegtrekken als ze godslasterlijke of obscene taal horen, had Voltaire veel gevoel voor humor. En anders dan bijvoorbeeld Paul Cliteur werd hij tweemaal in de gevangenis gegooid, leefde hij vele jaren in ballingschap, en werd hij door de stalknechten van een beledigde edelman ongenadig afgerost.

Doorgewinterde obscurantisten en religieuze fundamentalisten daargelaten maken de meeste auteurs die over Voltaire schrijven bij al hun kritiek op ’s mans oppervlakkigheid en eenzijdigheid een uitzondering voor een deel van zijn werk. Het drie jaar geleden vertaalde Filosofisch woordenboek is in ieder geval bijzonder leesbaar en dikwijls ook erg geestig. Ook de meer dan vijftienduizend bewaard gebleven brieven, uitgegeven in dertien dikke en dure Pléiade-delen, zijn zeer interessant en prachtig geschreven. De kans dat een Nederlandse uitgever deze ruim twintigduizend bladzijden laat vertalen is uiteraard nihil, maar gelukkig zijn onlangs wel vertalingen verschenen van Voltaires Lettres philosophiques en de Contes philosophiques.

De bundel Filosofische vertellingen, evenals het Filosofisch woordenboek prachtig vertaald door Hannie Vermeer-Pardoen, bevat naast bekende romans als Zadig of Het Lot en Voltaires meesterwerk Candide of Het optimisme tal van verhalen en schetsen die stuk voor stuk een wijsgerige of ideologische inslag hebben, en die spotten met alle literaire wetten en geboden. De figuren in zijn boeken zijn vehikels voor ideeën, geen mensen van vlees en bloed waar je in kunt geloven of met wie je kunt meeleven. Handelingen verrichten ze nauwelijks; het ene moment zijn ze in Constantinopel, het andere in Lissabon, en aan de reis maakt Voltaire geen woorden vuil. Zijn helden zijn ondanks alle vermommingen die hij ze aantrekt — Chinees, Perzisch edelman of nobele indiaan — typische Fransen: ze praten en praten en praten.

De brieven, vertaald als Fransman in Londen, schreef Voltaire nadat hij in 1726 was uitgeweken naar Engeland. In Frankrijk was hij er op hardhandige wijze achter gekomen dat hij, de zoon van een adellijke maar verarmde moeder en een succesvolle maar burgerlijke notaris, nooit zou worden geaccepteerd in de allerhoogste kringen. Engeland daarentegen bood een getalenteerde en ambitieuze auteur veel meer mogelijk heden. Met groot enthousiasme doet hij dan ook verslag van het godsdienstige, literaire, wetenschappelijke en commerciële klimaat. In zijn boek over de geschiedenis van de anglofilie, Voltaire’s Coconuts, stelt Ian Buruma dat er een weliswaar grillige en soms onderbroken maar niettemin duidelijke lijn loopt van de karikatuur die Voltaire van Engeland schetste naar de visie van Margaret Thatcher: «Britain as the island of liberty, facing a dark, despotic Continent.»

Naast uitgebreide beschouwingen over Locke en Newton, het functioneren van de overheid en de handel en de stand van de Engelse literatuur, besteedt Voltaire veel aandacht aan de godsdienst. Hij vergaapt zich aan de quakers, de presbyterianen, de socinianen, de arianen en allerlei andere sekten, en komt tot de conclusie dat deze religieuze verdeeldheid een groot goed is. «Als er in Engeland maar één geloof was, dan zou gevreesd moeten worden voor tirannie; waren het er twee, dan zouden die elkaar de strot afsnijden. Maar het zijn er dertig, en die leven vreedzaam en gelukkig samen.»

Hoewel qua thematiek en vorm eigenlijk een Fremdkörper wordt het pièce de résistance van deze brievenbundel gevormd door Over de ‹Gedachten› van Pascal. Hierin voorziet Voltaire een aantal uitspraken van Pascal van commentaar. Deze methode levert een fictief en voor Voltaire wel erg gemakkelijk te winnen debat op, dat ons echter veel vertelt over Voltaires visie en onbedoeld ook over zijn angsten. Pascals kijk op de mensen is inktzwart: «Men stelle zich een aantal mannen voor in ketenen, allemaal ter dood veroordeeld, van wie er dagelijks enkelen voor het oog van de rest worden geëxecuteerd. Zij die in leven blijven, zien hun eigen lot in dat van de anderen en wachten tot zij aan de beurt zijn, met elkaar smartelijke blikken wisselend, zonder hoop. Dat is het beeld van de staat waarin de mens verkeert.»

Voltaire vindt dit een onzinnige vergelijking. Deze mannen «zijn niet alleen ongelukkig omdat ze lijden, maar ook omdat ze doormaken wat andere mensen bespaard blijft». Het is niet het lot van de mens om te worden geketend en geëxecuteerd. «Alle mensen zijn, net als dieren en planten, op de wereld gezet om te groeien, een bepaalde tijd te leven, hun evenbeeld te produceren en te sterven.» Van alle dieren heeft de mens het meest aangename en langdurige leven, dus moeten we niet zeuren over onze ellende, maar «ons verbazen over ons geluk en de duur daarvan, en onszelf daarmee feliciteren».

Dit lijkt inderdaad een vrij oppervlakkige levensvisie, al kan niet worden ontkend dat hij wordt gedeeld door de overgrote meerderheid van de mensen. Voor mensen met existentialistische twijfels lijkt Pascal veel aantrekkelijker, de uitzichtloze ellende die hij schildert zal hun bekend voorkomen. Zij lezen de Pensées als een dagboek van een man die gepijnigd werd door een cioranesk nihilisme, en verliezen daarbij uit het oog dat het hier helemaal niet gaat om een dagboek waarin iemand zijn vertwijfeling en wanhoop over een door God verlaten wereld uitschreeuwt. De postuum uitgegeven Pensées zijn niet meer dan het verzamelde materiaal voor een boek dat Pascal niet meer heeft kunnen schrijven, en waarin hij een ongelovige, een «libertijn», aan het woord wilde laten, die dan op het einde zou worden bekeerd door de fundamentalistische christen die Pascal zelf wilde zijn.

Waarom was Voltaire zo gebeten op Pascal? Voltaire zag in dat Pascal, net als hijzelf, sterk was beïnvloed door het scepticisme van Montaigne, en dat hij eigenlijk een voorloper van de Verlichting had kunnen zijn. Pascal was een pleitbezorger van de experimentele natuurwetenschappen, die aantoonde dat bepaalde rationele beweringen van Descartes niet klopten, hij was een briljant wiskundige en ontwierp een mechanische rekenmachine, en hij schreef even elegant als de libertijnen tegen wie hij na zijn bekering zo fel ten strijde zou trekken. Dat uitgerekend zo’n man zich plotseling in de armen wierp van de onbekende God moet voor Voltaire een bijzonder beangstigende gedachte zijn geweest.

Voltaire was niet de simplistische optimist waarvoor hij vaak wordt versleten: hij geloofde niet in de onbeperkte vooruitgang. Af en toe wist de mens het stadium van echte beschaving te bereiken, bijvoorbeeld in de klassieke oudheid, om daarna altijd weer terug te vallen in de barbarij. Wat je Voltaire kwalijk zou kunnen nemen, is dat hij zich die beschaving maar op één manier kon voorstellen, dat hij van mening was dat alle tradities en religieuze opvattingen dienden te worden vervangen door een nieuwe, rationele en universele moraal. Voor hem bestonden de idealen van de Verlichting primair uit tolerantie en de totstandkoming van een rechtsstaat. Je kunt dit naïef noemen, en deze ideeën zouden ook heel gevaarlijk zijn, als Voltaire van mening was geweest dat deze idealen slechts op één manier te verwezenlijken waren. Volgens John Gray steekt Voltaire gunstig af bij Verlichtingsfundamentalisten als Condorcet, Marx, Hayek en Fukuyama, omdat hij een politiek relativist was. Soms konden de idealen van de Verlichting het best worden verwezenlijkt in een staat die werd geregeerd door een verlicht despoot, in andere omstandigheden bood een constitutionele monarchie de beste voorwaarden, terwijl het soms ook een democratie kan zijn waarin tolerantie en recht het best tot uiting komen. Van de zich conservatief noemende ultraliberalen die momenteel de wereld willen verbouwen tot een liberaal-democratisch paradijs zou hij beslist niets moeten hebben. Ook hun zou hij ongetwijfeld die vervloekte grijns hebben getoond.

Voltaire

Filosofische vertellingen

Vertaald door Hannie Vermeer-Pardoen

Van Gennep, 701 blz., € 45,-

Voltaire

Fransman in Londen: Brieven uit Engeland

Vertaald door Jeanne Holierhoek

Wereldbibliotheek, 191 blz., € 17,90

_______________________

Ronald van Kesteren

Het verlangen naar de Middeleeuwen

Tijdens het prille begin van wat later de Renaissance werd genoemd, keek Petrarca vol walging neer op de voorafgaande eeuwen, die duistere «tussentijd» na de glorieuze oudheid en vóór de stralende toekomst. Vier eeuwen later beschreef Gibbon diezelfde «Middeleeuwen» als een periode van «barbarij en religie». In dezelfde tijd begon echter aarzelend de belangstelling voor de Middel eeuwen toe te nemen. Tijdens de Romantiek en verder gedurende de gehele negentiende eeuw was het tijdvak van de ridders, kastelen, jonkvrouwen, gilden en vrome geestelijken een ware hype. In een samenleving die door de Industriële Revolutie volledig door elkaar werd geschud, leek een overzichtelijke periode van stabiliteit, harmonie en gemeenschapszin een paradijs. Van Kesteren biedt een caleidoscopisch overzicht van de motieven en uitingsvormen van dit verlangen naar een tijd die nooit heeft bestaan.

Wereldbibliotheek, 634 blz., € 34,90

Rinse Reeling Brouwer

De handzame Calvijn

Als de zogenaamde Middeleeuwen ergens door werden getekend, dan was het de suprematie van de katholieke kerk. Daaraan kwam definitief een einde in de zestiende eeuw, toen reformatoren als Luther en Calvijn de katholieke theologie opbliezen. Vooral de laatste ging met nietsontziende logica en intellectuele hardheid de roomse santenkraam te lijf en legde de basis voor een spijkerharde, veeleisende godsdienst, die weliswaar minder troost te bieden had dan het katholicisme maar tegelijkertijd meer ruimte schiep voor het individu. De informatieve inleidingen in deze bloem lezing maken veel duidelijk over de calvinistische leer, waarvan de naam vaak te lichtvaardig wordt gebruikt als adjectief bij alles wat ernstig of veeleisend is.

Van Gennep, 340 blz., € 22,50

Immanuel Kant

Kritiek van de zuivere rede

Intellectueel en moreel nog veeleisender is het belangrijkste werk van Kant, dat nu voor het eerst integraal in het Nederlands is vertaald. Wie er in het Duits niet doorkwam, moet, ondanks de voortreffelijke prestatie van vertalers Jabik Veenbaas en Willem Visser, niet denken dat dit een piece of cake is. Kant is nu eenmaal geen briljant stilist en zijn «transcendentale basisleer» stelt hoge eisen aan de lezer. Een boek van een dergelijke importantie behoort echter vanzelfsprekend in vertaling voorhanden te zijn. Naast de definitieve, zwart gedrukte tekst zijn de afwijkende delen uit de eerste versie in blauwe letters afgedrukt. Bovendien is het boek uitstekend ingeleid en geannoteerd.

Boom, 689 blz., € 49,50

Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker

’14-’18: De Grote Oorlog opnieuw bezien

Nu er nog maar een handjevol veteranen is, lijken de Nederlandse uitgevers de Eerste Wereldoorlog pas goed ontdekt te hebben. Kwamen jarenlang slechts mondjesmaat boeken uit over deze oorlog die aan ons voorbijging, tegenwoordig tuimelen de titels over elkaar heen. Dit boek biedt geen beschrijving van de doelstellingen van de bevelhebbers en het, daar zelden mee corresponderende, verloop van de strijd. Wel wordt aandacht geschonken aan het lijden dat het gevolg was van het ongekende, door de Industriële Revolutie mogelijk gemaakte geweld, aan het nationalisme van de strij dende partijen en hun steeds verder opgeklopte vijandbeelden, en aan wat de Vlaamse bard Willem Vermandere «de hoge bergen van verdriet» noemt, die na 1918 overal in het zwaar gehavende Europa stonden.

Mets & Schilt, 352 blz., € 22,50

Arthur Stam

De CPN en haar buitenlandse kameraden

Van de goodwill en het prestige waarover de CPN in 1945 kon beschikken, was aan het einde van de jaren vijftig niet veel meer over. Het gure klimaat van de Koude Oorlog en de hondentrouw aan Moskou waren daar debet aan. Toen in de Sovjet-Unie een aarzelend en halfslachtig begin werd gemaakt met de zogenaamde «destalinisatie» kwam de CPN in aanvaring met het vaderland aller arbeiders. Onder leiding van Paul de Groot bleef de partij trouw aan het zuivere stalinisme en koos in het conflict tussen Moskou en Peking voor de nog stalinistischer Chinezen. Ondanks de toeloop van veel naïeve leden van de protestgeneratie was de neergang onafwendbaar. Men vraagt zich op bladzijde 455 van dit boek af waar al die ruzies, intriges en scheuringen goed voor zijn geweest.

Aspekt, 477 blz., € 32,-

John Gray

Vals ochtendlicht

De twintigste eeuw mocht dan geen feest zijn, als John Gray gelijk krijgt, zal men er op het einde van deze eeuw wellicht met heimwee aan terugdenken. Toen dit boek in 1998 verscheen, verkeerden velen nog in de veronderstelling dat Fukuyama gelijk had gehad, en dat negen jaar eerder de geschiedenis definitief tot stilstand was gekomen. Bos nië en Rwanda waren weliswaar akelige dissonanten geweest, maar de toekomstmuziek scheen in majeur geschreven en met het overal oprukkende kapitalisme zouden ook welvaart, democratie en mensenrechten zegevieren en zou de Nieuwe Wereldorde binnen afzienbare tijd een feit zijn. Met deze vlijmscherpe en groots opgezette analyse laat Gray weinig heel van deze dromen, en toont hij aan hoe kwetsbaar en illusoir de positie van het Westen is.

Ambo, 340 blz., € 22,95