Politionele acties - Nederland moet in de geschiedenis kijken

Die zwarte bladzijde is echt zwart

Remy Limpachs boek over de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog is een mijlpaal. Hij toont definitief aan dat Nederland buitensporig en structureel gewelddadig optrad. Het geweld was niet alleen bekend tot in de hoogste kringen, maar werd vaak zelfs actief aangemoedigd.

Medium 2000 1368 35

Op een steenworp afstand van de provinciegrens, daar waar het glanzende asfalt van Atjeh verandert in de pokdalige hobbelweg van Noord-Sumatra, staat het huis van meneer Ahmad. Het is een mooi huis van twee verdiepingen, met groen gepleisterde muren en een grote ramboetanboom in de tuin. Voor het huis is een veranda, en daar zit meneer Ahmad op een plastic stoel naar het passerende verkeer te kijken, kauwend op een stengel suikerriet.

‘Hij heeft veel meegemaakt’, fluistert zijn kleinzoon terwijl hij me het erf op duwt. ‘Zijn vrouw is jaren geleden overleden, en al zijn vrienden zijn inmiddels ook dood, net als zijn broer. Sindsdien zit hij daar maar een beetje te zitten.’

Meneer Ahmad is 89, en de jaren hebben hun sporen duidelijk nagelaten. Broodmager is hij, tandeloos, zijn ogen weggezonken in een zee van rimpels.

Desondanks straalt hij iets kwieks uit.

Belanda?

Een stem als schuurpapier.

De kleinzoon fluistert wat sussende woorden, maar die zijn niet besteed aan meneer Ahmad. Hij wappert ongeduldig met zijn handen: dichterbij, hier komen, stoel pakken.

Even later zitten we naast elkaar langs de drukke weg. Vrachtwagenchauffeurs trappen piepend op de rem of geven oorverdovend gas. Telkens als het even stil is vertelt meneer Ahmad in korte, afgemeten zinnen over zijn strijd met de Nederlanders.

‘Ik was in de buurt van Medan gelegerd, samen met een heleboel andere Atjehers. Divisi Rencong heetten we, de dolkmesdivisie. We vertrokken in 1947 met 44 jongens en kwamen in 1949 terug met z’n zevenen.

De Nederlanders hadden een tank en daarmee walsten ze alles plat. Niets konden we doen! Wij hadden op dat moment alleen bamboestokken. Pas later kregen we vuurwapens, afkomstig uit een achtergelaten Japanse voorraad.

De laatste tijd droom ik soms over die jaren. Dan zie ik de gezichten van de doden, Indonesiërs en Nederlanders. Het zijn geen enge dromen. Doden horen nu eenmaal bij een oorlog, daar is niets aan te doen.

Boos op de Nederlanders ben ik niet. Hoe kun je boos zijn als je als winnaar uit de strijd komt? Misschien zijn de Nederlanders wel boos op ons, dat zou ik me best kunnen voorstellen.’

Hij wil nog iets zeggen, maar juist op dat moment dendert er een luidruchtige colonne vrachtwagens voorbij: palmolie uit Singkil, op weg naar Medan. Tegen de tijd dat het weer stil is, is meneer Ahmad de draad van zijn verhaal kwijt. Met een lege blik in de ogen staart hij voor zich uit; zijn mond hangt een beetje open. ‘Kom’, wenkt zijn kleinzoon. ‘Hij heeft al meer gepraat dan in de afgelopen maand bij elkaar.’

Een paar weken later krijg ik een mailtje uit Nederland dat de opa van mijn vriend Jaap is overleden. Slechts één keer sprak ik Jaaps opa, jaren geleden, en die ontmoeting maakte grote indruk. Opa was van Nederlandse komaf, maar geboren in Atjeh en getogen in alle hoeken en gaten van Nederlands-Indië, en dat was ruim negentig jaar later nog duidelijk te merken. Zijn appartement op een steenworp afstand van het ADO Den Haag-stadion was van boven tot onder gevuld met wajangpoppen, batikdoeken en antieke krissen. In alle kamers hing een ondefinieerbare Indische geur, uit een fotoalbum staken vergeelde ansichtkaarten met poststempels uit Semarang en Batavia.

De heer des huizes maakte een rusteloze indruk. Jaap had me al een beetje gewaarschuwd. ‘Sinds kort kampt hij met oorlogstrauma’s. Het is heel vreemd: zijn hele leven heeft hij over zijn laatste jaren in Indië gezwegen, maar van de ene op de andere dag kan hij over niets anders meer praten.’

Nog voordat we goed en wel zaten, barstte opa al los. De ene na de andere gruwelijkheid vloog door de kamer, van hongeroedeem tot een schietpartij tot een aanval met bamboestokken tot schipbreuk op de Javazee. Zijn verhaal was niet gemakkelijk te volgen; gebeurtenissen en jaartallen buitelden over elkaar heen en sommige verhalen keerden verschillende keren terug in heel verschillende verschijningsvormen.

‘Hij is sinds kort in behandeling bij een centrum voor oorlogsgetraumatiseerden’, vertelde Jaap me later. ‘Daar neemt hij deel aan gespreksgroepjes. De meeste andere deelnemers zijn Afghanistan-veteranen die net zijn teruggekeerd van hun missie – mijn opa van 92 moet een nogal opvallende verschijning zijn tussen al die jonge ventjes.’

En nu is hij dood.

‘Stuk of wat kampongs afgebrand, bevolking verzameld en ruim tweehonderd mensen als honden neergeschoten’

De herinneringen aan het oude Indië doven uit, zowel in Nederland als in Indonesië. Zelfs van het sluitstuk, de gewelddadige dekolonisatie, is vandaag nog maar een handjevol hoogbejaarde getuigen over. Binnen een paar jaar zullen we het moeten doen met louter archiefstukken en verhalen uit de tweede hand.

Het lijkt alsof historici dit terdege beseffen: een ware stortvloed van nieuw onderzoek over de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog overspoelt op dit moment ons land, met De brandende kampongs van Generaal Spoor van Remy Limpach als meest recente en geruchtmakendste aanwinst.

Het boek van Limpach is in verschillende opzichten een mijlpaal. Qua omvang en grondigheid overtreft het alles wat tot nu toe over de strijd is geschreven. En over de specifieke invalshoek van Limpach – extreem geweld van Nederlandse zijde – bestaat eigenlijk maar een handvol wetenschappelijke studies, waarschijnlijk omdat het zo’n controversieel onderwerp is.

‘Ik ben me er terdege van bewust dat het voor een historicus relatief makkelijk oordelen is, met de kennis van de afloop, ver weg van het strijdgewoel en zittend in een bureaustoel’, stelt Limpach in zijn voorwoord. ‘De meesten van [de militairen] hadden bij hun vertrek uit Nederland oprecht het idee dat zij de bevolking van de archipel gingen beschermen en helpen, iets wat ze in veel gevallen ook deden. Eenmaal daar, hebben zij echter al snel ervaren dat de realiteit op het grimmige Indonesische oorlogstafereel er geheel anders uitzag dan het voorlichtingsapparaat in Den Haag wilde doen geloven. Toch geldt (…) dat moeilijkheden, tegenslagen of extreme gewelddaden van een onorthodox opererende vijand geen vrijbrief zijn tot of rechtvaardiging van eigen misdaden. Verklaren en begrijpen zijn (…) andere categorieën dan goedpraten en bagatelliseren.’

Van dat laatste is zeker geen sprake in de bijna duizend dichtbedrukte pagina’s die volgen. Met een fileermes ontleedt Limpach een grote hoeveelheid grof Nederlands geweld. Op het eerste gezicht maken de vele getuigenverklaringen van Nederlandse militairen, die bijna achteloos door het boek zijn gestrooid, de meeste indruk.

‘Op sinterklaasochtend van 1948, een zondag, reed een truck met Nederlanders naar een kerkdienst. De truck werd beschoten en een van de soldaten kreeg een dodelijk schot door het hoofd. De commandant (…) nam een stafkaart en passer (…), trok een cirkel en drie compagnieën maakten van alles wat binnen de cirkel lag een Sodom en Gomorra. Wat daar gebeurde was pure wraak, vergelding en erger dan Putten.’

‘In de verte lag een dorp waar we soms mensen bedrijvig heen en weer zagen lopen. Dit was kennelijk aanleiding voor een marinier om zijn scherpschutterskwaliteiten te beproeven. Ongeveer tweehonderd meter verderop zakte een vrouw in elkaar. De marinier oogstte veel bewondering omdat hij van zo’n grote afstand zijn doelwit wist te raken.’

‘Stuk of wat kampongs afgebrand, bevolking verzameld en op aanwijzing van een stelletje spionnen ruim tweehonderd mensen (…) als honden, met de revolver, neergeschoten. Er is hier een kapitein bij het leger die in een psychopateninrichting thuis hoort.’

De conclusie die Limpach uiteindelijk trekt uit deze (grotendeels nooit eerder onderzochte) verklaringen is dat Nederlandse militairen zich niet incidenteel, maar structureel schuldig maakten aan massageweld, en bepaalde eenheden zelfs ongeoorloofd geweld toepasten volgens een systeem, zoals bij de welbekende commando’s van kapitein Westerling op Zuid-Celebes en bij de systematisch martelende inlichtingendiensten.

Wat het boek van Limpach echter nog bijzonderder maakt, is dat hij veel verder gaat dan een opsomming en een analyse van gruwelijkheden. Hij onderwerpt ook orders, controlesystemen en gezagsstructuren aan een onderzoek, en komt uiteindelijk tot de vaststelling dat ‘er een brede, dwars door alle rangen lopende coalitie van daders bestond die solidair waren, onderling met veel begrip op elkaar reageerden en werden bezield door vergelijkbare motieven en belangen om extreem geweld te plegen en te gedogen’. Het Nederlandse geweld was niet alleen bekend tot in de hoogste kringen, maar werd in veel gevallen zelfs actief aangemoedigd.

Medium 2106 043 006

Vooral die laatste conclusie geeft, ogenschijnlijk, een nieuwe wending aan een lange discussie, die in 1969 begon toen oud-soldaat Johan Hueting op de nationale televisie een geruchtmakend boekje open deed over zijn gewelddadige jaren in Indië.

De ‘politionele acties’ zijn sindsdien zelden helemaal uit de Nederlandse krantenkolommen verdwenen. Vaak nam het debat het karakter aan van een woordenstrijd. Mocht het woord ‘oorlogsmisdaad’ gebruikt worden om Nederlands geweld te beschrijven? Was het geoorloofd om een vergelijking met het optreden van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog te maken?

Met name Indië-veteranen en repatrianten, die zich toch al miskend voelden in Nederland, verdedigden vol vuur het militaire optreden in de voormalige kolonie. Decennialang bekvechtten ze met activisten en een handjevol berouwvolle veteranen zonder tot overeenstemming te komen.

Nu bijna alle directe belanghebbenden zijn overleden, lijkt het pleit dan eindelijk beslecht. De twijfel over de buitensporige gewelddadigheid van het Nederlandse optreden in Indië lijkt voorbij; de felle tegenstand die een boek als dat van Limpach pakweg tien jaar geleden zou hebben uitgelokt, is anno 2016 grotendeels achterwege gebleven; zijn harde conclusies doen weliswaar nog een hoop stof opwaaien, maar lijken vrij algemeen te worden geaccepteerd. Limpach stelt vooral lacunes in het wetenschappelijke onderzoek naar de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog te hebben willen dichten – ondanks, of waarschijnlijk vooral dankzij alle discussies van de afgelopen decennia is veel historisch materiaal niet of nauwelijks bestudeerd.

Uit de geschokte reacties blijkt echter dat het boek wellicht ook implicaties zal hebben die de wetenschap overstijgen. ‘Nederland heeft de verantwoordelijkheid om in de geschiedenis te kijken’, liet minister Koenders van Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld optekenen. ‘Die zwarte bladzijde kan niet zomaar omgedraaid worden. Ook wij moeten in het reine komen met ons verleden.’ Zijn collega Hennis-Plasschaert van Defensie voegde eraan toe dat ze een grootschalig vervolgonderzoek niet uitsluit. Wie weet loopt het in de toekomst nog wel eens uit op échte herstelbetalingen en échte excuses aan Indonesië, klinkt het hoopvol in de kranten. Eindelijk maakt Nederland werk van het Indische trauma. Toch is het de vraag of dit echt gaat gebeuren.

Het uitsterven van de laatste ooggetuigen gaat in Indonesië gepaard met een stuk minder ophef dan in Nederland. Zo werd in 2015 de viering van zeventig jaar Indonesische onafhankelijkheid weliswaar groots aangepakt, met feestelijke liederen en wapperende vlaggen en knallend vuurwerk, maar de weinige nog levende 85-plussers die verantwoordelijk waren voor die onafhankelijkheid bleven opvallend vaak buiten beeld.

Dat was geen toeval. In de heroïsche ontstaansgeschiedenis van Indonesië die de overheid al vele jaren propageert is de bloedige strijd met Nederland in de regel gereduceerd tot weinig meer dan een voetnoot. Een maatschappelijk debat of een diepgravend onderzoek naar hoe het komt dat er tijdens die strijd zoveel slachtoffers vielen is nooit gevoerd, en de vraag of Nederlandse excuses of herstelbetalingen op hun plaats zouden zijn, is nauwelijks gesteld.

‘De Indonesische overheid is vergeetachtig. Opa heeft de oorlog overleefd, Indonesië is onafhankelijk – dat is het enige wat telt’

‘Ik geloof dat hij wel trots is op zijn oorlogsverleden’, vertelde meneer Ahmads kleinzoon toen ik vroeg of zijn opa geen behoefte had aan meer erkenning. ‘Maar het is allemaal zo lang geleden, en de Indonesische overheid is erg vergeetachtig. Opa Ahmad heeft de oorlog overleefd en Indonesië is onafhankelijk – dat is uiteindelijk het enige wat telt.’

Abdul Wahid, een van de weinige Indonesische historici die zich bezighouden met de periode 1945-1949, schreef er eens over: ‘De onafhankelijkheidsoorlog is in ons land een soort sprookje geworden. Het is een heel kort sprookje: het kolonialisme werd verslagen dankzij dappere Indonesiërs die zich opofferden voor het vaderland. Bijna niemand vraagt zich af hoe die martelaars precies om het leven zijn gekomen. En al helemaal niemand weet hoe het zit met het Indonesische geweld tegen de Nederlanders of het onderlinge Indonesische geweld, dat in dezelfde periode ook ontstellend veel slachtoffers eiste.’

Hoe goed die officiële lezing is aangeslagen, bleek bijvoorbeeld toen de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot in 2005 een zeer omzichtig geformuleerde spijtbetuiging uitsprak in Jakarta.

‘Het is voornamelijk een Nederlandse kwestie’, verzuchtte de hoofdredacteur van het gezaghebbende Indonesische tijdschrift Tempo destijds over het belang van Bots woorden. ‘Zelfs voor redacteuren is dit een saai onderwerp, omdat het simpelweg niemand hier aanspreekt. Het kan Indonesiërs gewoon niets schelen.’

En daar doemt dan het grote obstakel op de weg naar ‘in het reine komen met de geschiedenis’ op – een obstakel waar men in Nederland in al die postkoloniale jaren van onderlinge discussies en verwijten maar zelden rekening mee heeft gehouden. Nu er in ons land, na lang wroeten, eindelijk overeenstemming lijkt te zijn bereikt over de Nederlandse rol tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog – namelijk de rol van dader – blijkt het nog helemaal niet zo eenvoudig om Indonesiërs te vinden die de rol van slachtoffer willen aannemen en dankbaar willen luisteren naar de Nederlandse schuldbekentenissen.

De advocate Liesbeth Zegveld slaagde er in 2011 nog in om enkele hoogbejaarde overlevenden van het Nederlandse bloedbad in Rawagede (1947) op te sporen, die in een geruchtmakende rechtszaak tegen de Nederlandse staat uiteindelijk excuses en een herstelbetaling kregen. Dat was een sympathiek initiatief, maar het biedt geen structurele oplossing voor de omgang met al die andere vormen van extreem geweld die Limpach in zijn boek beschrijft – het is simpelweg ondoenlijk om zeventig jaar na dato de nog levende nabestaanden van vele tienduizenden slachtoffers op te sporen en stuk voor stuk schadeloos te stellen.

Er zijn hier en daar tekenen dat er onder jongere Indonesiërs weer wat interesse voor het koloniale verleden komt, onder meer in het werk van de al eerder genoemde Abdul Wahid en bij enkele andere jonge historici, vaak in samenwerking met Nederlandse wetenschappers – maar die tekenen zijn schaars en pril, en het is zeer de vraag of ze ooit tot een breed Indonesisch debat zullen leiden zoals we dat in Nederland kennen.

En dus lijkt Nederland voor verwerking en verzoening aangewezen op een Indonesië dat over het algemeen met heel andere dingen bezig is dan met het geweld van 1945-1949. Of Nederlandse excuses en herstelbetalingen tegen deze achtergrond het gewenste therapeutische effect hebben, valt dan ook zeer te betwijfelen.

Dat roept allerlei vragen op. Kan van Indonesië worden verlangd dat men er klaar staat om het verleden onder ogen te zien, alleen maar omdat er in Nederland nu een doorbraak in het debat lijkt te zijn bereikt? Zijn er andere manieren om af te komen van een postkoloniaal schuldgevoel dan excuses of herstelbetalingen? Schort er soms iets aan de manier waarop de discussie over het koloniale verleden in Nederland gevoerd wordt?

Vooral voor dat laatste is van alles te zeggen. Hoe bijzonder een studie als die van Limpach ook is, de schuldbewuste reacties erop zijn dat een stuk minder. De verontwaardiging en de roep om boetedoening hebben in de recente stortvloed van publicaties over de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog al veel vaker geklonken. Gruweldoden op Bali, massamoorden op Sulawesi, verbrande kampongs op Java – telkens opnieuw halen ze de voorpagina’s van alle kranten; telkens opnieuw lijkt iedereen even geschokt; telkens opnieuw dooft de verontwaardiging verbazend snel weer uit, om bij de volgende onthulling in volle kracht terug te keren.

De Amerikaanse antropologe Ann Laura Stoler bedacht er de term ‘culturele afasie’ voor: het verschijnsel dat er weliswaar kennis is over een pijnlijke geschiedenis, maar dat die kennis vervolgens door een gebrek aan context niet goed begrepen en verwerkt wordt.

Het is goed mogelijk dat veel mensen in Nederland aan culturele afasie lijden. De kennis over Nederlands geweld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog is zeker al wel aanwezig – zou er ook zonder Remy Limpachs gedetailleerde analyse echt nog iemand in ons land zijn die niet weet dat er in die periode verschrikkelijke dingen zijn gebeurd? De verhalen erover doen immers al vele decennia de ronde, net als de verontwaardiging erover – ze klinkt bij elke nieuwe onthulling holler en holler.

Het koloniale verleden als irritante vlieg, die telkens weet te ontsnappen als je hem wil meppen, en telkens weer op je neus gaat zitten. Om ‘in het reine te komen’ met het Nederlandse geweld in 1945-1949 is er heel wat meer nodig dan historische studies, verontwaardiging, een minister die excuses uitspreekt, een ambtenaar die geld overmaakt.

Het verhaal van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog is immers een stuk complexer en pijnlijker dan het verhaal van tweehonderdduizend Nederlandse soldaten aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Zelfs de voor de hand liggende context van de gruwelijke Bersiap-periode en de Japanse tijd doet niet voldoende recht aan dit verhaal.

Om het drama van de Indonesische dekolonisatie te begrijpen is een omslag in denken nodig. Die omslag behelst het denken over kolonialisme – in Nederland gewoonlijk gezien als een aardige curiositeit, een voetnoot in onze geschiedenis, hoogstens een onderwerp voor selectieve verontwaardiging.

Totdat ons koloniale verleden, in al zijn facetten, de plek in de geschiedenisboeken krijgt die het verdient – vooraan, met grote letters – zijn we veroordeeld tot telkens dezelfde discussies over telkens weer andere details.


Met dank aan Paul Bijl, Gert Oostindie en Remco Raben.

Anton Stolwijk is auteur van Atjeh: Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis

Beeld: (1) 1946, Oost-Java, voormalig Nederlands-Indië (Nederlands Instituut voor Militaire Historie); (2) 1949, Djokjakarta (omgeving), Midden-Java, voormalig Nederlands-Indië. Militairen van het Regiment Stoot- troepen rukken op langs een spoorweg tijdens een actie ten zuiden van Djokjakarta na de Tweede Politionele Actie (Nederlands Instituut voor Militaire Historie)