Sylvain Ephimenco

Dief

Er zijn frustraties die je een leven lang blijven achtervolgen. De wereldreis die je wilde ondernemen en die steevast in de brochures van het reisbureau verzandde. Het kind dat je nooit hebt durven maken. De ware liefde… En met die manco’s en zwarte gaten moet je zien voort te sukkelen. Als een tandeloos gebit dat van een Argentijnse entrecote droomt.

Mijn hele leven ben ik bestolen geweest. En nooit, maar dan ook nooit heb ik de dief in de kraag kunnen vatten. Hij bleef de grote onzichtbare. Het mysterie zonder gezicht maar wel met handen. Klauwen vol van mijn eigendom. Grotere frustraties kun je je niet verbeelden. Hoe zou hij eruit hebben gezien? En wat zou hij ter verdediging hebben uitgekraamd op het moment dat ik hem op heterdaad had betrapt? Was hij op zijn knieën gevallen en had hij huilerig om genade gesmeekt? En ik, wat had ik dan met hem uitgehaald? Fijn gestampt, in mootjes gehakt of met een moralistische preek opgezadeld. Vriendelijk zou ik zeker niet geweest zijn. Een dief is ook geen vriend. Hoewel er ook vrienden bestaan die je bestelen.

Het begon op de lagere school. Op een grijze november ochtend betrad je het klaslokaal en zag je onmiddellijk dat je spulletjes ondersteboven lagen. En weg was je verzameling gekleurde plaatjes. Hete tranen in de herfst. Daarna kreeg ik mijn eerste brommer. En na hem vele andere. Ze werden bijna allemaal ontvreemd. Wat is erger dan naar een lege stenen muur te staren? Minutenlang. In de hoop dat je uit die stenen ineens je verdwenen Peugeot te voorschijn ziet komen. Soms stond je brommer er nog. Zonder zadel. Of motor. De benzinetank leeg gezogen. Ik vervloekte Frankrijk en zijn dievenvolk. Later vervloekte ik Nederland. Hoeveel fietsen? Een stuk of tien. En mijn portefeuille op de schoorsteen? Ongrijpbare schaduwen. Klauwen van wind. Auto raam pjes? Een stuk of acht of negen, vermenigvuldigd met duizenden scherven. Ook verdwenen autoradiootjes, jassen, flessen wijn, boeken, paspoorten, creditcards, kauwgumpakjes, fototoestellen. En nooit, nooit een nek voorhanden die je kunt omdraaien.

Gisteren op klaarlichte dag keek ik door het raam en kreeg het mooiste visioen van mijn leven. Het was alleen geen visioen, die bewegende witte vlek in mijn geparkeerde auto, maar een echte kale schedel. En in die schedel huisde het brein van mijn zolang gezochte dief. Bezig het vakje van het dashboard leeg te plunderen. Halleluja! Praise the Lord! Als een steen viel ik een verdieping lager, wikkelde de ijzeren riem van de hond om mijn rechter vuist en rende op mijn sokken de straat op. Hebbes! Ik rukte het portier open. Had de blik van Dirty Harry in mijn ogen, hief mijn vuist op à la De Niro in The Deer Hunter en zei met de stem van Stallone: «Eén beweging en je bent er geweest.»

Het mannetje met een lege cd-hoes van de laatste Ramazotti in de hand keek mij verschrikt aan. Een jaar of veertig, vuile nagels, vermoeide kleren, schoenen van plastic. De buren keken door hun ramen. De politie werd gebeld. Het kale mannetje keek zo treurig dat ik hem bijna wilde troosten. Hij greep naar iets op de passagierstoel. Een mes? Een P38? Een knuppel?

«Hier», zei hij. En gaf me een boeket. Een bos bloemen? De dief uit mijn dromen gaf me een boeket met de ogen van een geslagen hond. Vers gestolen uit een andere auto. Ik heb daar tien minuten met hem gepraat. Ik staand, hij zittend in mijn auto. Ik had de stem gekregen van Hans Dorrestein en hij de blik. Het duurde me te lang. Ik was misselijk. Wilde hem laten lopen.

Maar toen kwam de politie die hem in de boeien sloeg. Ik heb slecht geslapen. En niet gedroomd.