Was Diego Maradona de beste aller tijden? Dit is een onbeantwoordbare vraag. Een sporter kan alleen de beste van zijn tijdperk zijn, en dat was de Argentijn, soms. Een betere vraag is: wat is de unieke plek van Maradona in het voetbalpantheon, tussen collega-grootheden als Pele, Cruijff, Franz Beckenbauer en Messi?

De emotioneel belangrijkste maatstaf is het WK. Het toernooi duurt maar een maand, en de winnaar speelt slechts zo’n zes of zeven wedstrijden, dus veel draait om geluk: vorm van de dag, bal tegen de paal, scheidsrechter die een doelpunt onterecht afkeurt. Maar het WK maakt meer los bij meer mensen dan het clubvoetbal, dus daarmee boekt een voetballer het best zijn plaats in het pantheon.

Maradona was de enige die bijna in z’n eentje een WK won, in Mexico in 1986. De nationale-ploeggenoten van Pele en Cruijff waren zo goed dat ze ook zonder hun grote man een WK-finale haalden: Brazilië in 1962 (dat zelfs won), Oranje in 1978. Dat had het Argentinië van Maradona niet gekund. Minstens zeven wereldkampioenen uit 1986 hadden matige clubcarrières.

Waar Cruijff faalde in de WK-finale van 1974 wist Maradona zijn momenten te kiezen. In 1986, vier jaar na de Argentijnse nederlaag in de Falklandoorlog, begreep hij precies wat de kwartfinale tegen Engeland voor zijn landgenoten betekende. Hij versloeg de Engelsen niet alleen, maar vernederde ze: eerst met zijn ‘hand van God’, een zakkenrollersdoelpunt, en meteen daarna met zijn magische solo langs de halve Engelse ploeg.

In de douches in de Argentijnse kleedkamer dolde zijn teamgenoot Hector Enrique: ‘Iedereen heeft het maar over dat doelpunt. Maar na de pass die ik hem gaf, hadden ze hem moeten afschieten als hij niet had gescoord!’ Iedereen lachte: Enrique had Maradona op eigen helft de bal in de voeten geschoven.

Maradona verwachtte niet meer van zijn teamgenoten. Voor hem waren ze meer makkers dan collega’s. Hij was namelijk geen systeemdenker. Hij paste het beste in middelmatige ploegen die geen grotere ambitie hadden dan hem de bal te geven. Zijn voetbal was de dribbel, de traditionele Argentijnse stijl. Al decennia voordat hij verscheen, hadden zijn landgenoten hem verwacht. Roberto Fontanarrosa, de legendarische Argentijnse cartoonist, romancier en voetbalfan, zei me in 2002: ‘Maradona had niet uit België kunnen komen.’

Telkens stond hij op, en waagde weer een dribbel

Ook bij Napoli had Maradona veel matige ploeggenoten. Frank Rijkaard, die vaak met AC Milan tegen hem speelde, merkte een keer op: regelmatig kreeg Maradona de bal achter zich gespeeld, en zelfs dan applaudisseerde hij voor de goede bedoelingen van zijn ploegmaat. Maradona, zei Rijkaard, kon wedstrijden in z’n eentje winnen. Maar hij kon niet wat Cruijff kon: een wedstrijd winnen door twee teamgenoten van positie te laten ruilen. Dat is het verhaal van het wereldvoetbal: het zuidelijke deel van Latijns-Amerika produceert de beste individuen, en West-Europa de beste tactici.

En mensen houden nu eenmaal van het individu dat het systeem verslaat. Net als Charlie Chaplin was Maradona de incarnatie van de kleine man die de machtigen voor schut zet. Van alle grote voetballers leek hij het minst op een grote voetballer. Als je hem op straat zou tegenkomen, zonder te weten wie hij was, zou je raden: man uit een krottenwijk aan de rand van Buenos Aires, die in een hut zonder stromend water in een kamer met zeven broers en zussen was opgegroeid.

De meeste grote voetballers zonderen zich af van hun eigen land. Cruijff, Messi, zelfs Beckenbauer (in het Oostenrijkse Kitzbühel) hebben decennialang in het buitenland gewoond. Maradona emigreerde ook, en bleef lang weg, maar hij keerde steeds terug en stierf uiteindelijk in zijn verpauperde en disfunctionele vaderland. Na zijn fatale hartaanval deed de ambulance er (althans volgens zijn advocaat) meer dan een half uur over om zijn huis te bereiken.

Maradona was de enige stervoetballer die man van het volk was. Op het WK 2006 in Duitsland sprong hij als fan op de tribunes met zijn landgenoten op en neer, een Argentinië-shirt strak over zijn buik gespannen. Cruijff, Pele, Messi en Beckenbauer hadden het niet gekund.

Vaak speelde Maradona slecht. In 1993 bezocht ik Brazilië-Argentinië in Rio de Janeiro. In de tweede helft deed hij helemaal niks, wandelde maar wat rond en maakte gebaren naar de scheidsrechter als de man even niet keek. Eén keer trapte hij zelfs een modderklodder richting de scheids, al had hij niet de bedoeling hem te treffen: de klodder vloog namelijk rakelings naast. De Spaanse journalist Santiago Segurola zei het goed: ‘Soms was Maradona Maradona. Messi is elke dag Maradona.’ Maar Messi speelt in een ander tijdperk. Maradona werd (nog meer dan Cruijff en Pele) kapot geschopt. Ja, hij speelde vals toen hij met zijn hand tegen Engeland scoorde, maar de Engelsen speelden vals elke keer dat ze hem een schop of een elleboog gaven. Telkens stond hij op, en waagde weer een dribbel.

Pas in zijn nadagen, begin jaren negentig, werd het voetbal door de televisie gerevolutioneerd. Silvio Berlusconi en Rupert Murdoch gingen wedstrijden live uitzenden, en ze hadden sterren nodig om kijkers te trekken. De voetbalbonden werkten mee: de tackle van achteren werd verboden, schoppen uitgeband, en daardoor hebben wij al meer dan vijftien jaar van Messi en Cristiano Ronaldo mogen genieten. Stel je voor wat Maradona met die vrijheid had gedaan.

Hij wilde niet eens constant zijn; hij was een voetballende rockster, een artiest die alleen presteerde als hij de inspiratie voelde – die voelde hij op de belangrijkste momenten. Daardoor werd hij de meest geliefde voetballer in het pantheon.