Diekstra’s knip- en plakmoraal ‘dwangmatigheid is het scheppen van een gevangenis uit je vrijheid’

Vrijwel alle levenswijsheden waarmee René Diekstra het volk succesvol bestookte, blijken met knippen en plakken tot stand gekomen. De psycholoog raakte zo verdwaald in het postmoderne labyrint dat hij zelfs zichzelf plagieerde. Een leesverslag.
‘HET IS NIET moeilijk een publiek te vinden voor eclectische werken.’ Dat schrijft Jean François Lyotard in Het postmoderne uitgelegd aan onze kinderen. Hij heeft gelijk. Kijk maar naar Prince. Goede tijden slechte tijden. Panorama. Internet. De populaire wetenschappelijke boeken van René Diekstra.

Natuurlijk is het volstrekt uit de mode om nog woorden als ‘eclectisch’, 'postmodern’ en 'fragmentarisch’ te laten vallen. Er zijn weer een hoop nieuwe woorden. Maar met René Diekstra val je wel met de neus in de postmoderne boter. De grapjes over hem zijn dus ook allemaal in die sfeer. Zo begon de column van Max Pam in het Parool op 11 december aldus: 'Toen René Diekstra op een nacht in een onrustige droom terecht kwam, ontdekte hij dat hij in zijn bed was veranderd in een monsterachtig dier.’ Aha, denkt de lezer. Want zo ongeveer begint Kafka’s verhaal De gedaanteverwisseling: 'Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.’ Ironie, verwijzing - kortom het postmoderne spel. En als het een postmodern spel is, dan is het vrij van moraal. Maar in het vorige week gepresenteerde rapport van de Leidse Universiteit naar aanleiding van de plagiaat-affaire, werd gesproken van Diekstra’s 'misbruik van vertrouwen’. Wel degelijk een morele kwestie dus.
Diekstra zelf ziet het anders. Hij beschouwt zich als intertekstueel auteur, niet vanwege een speelse geest, maar uit pure onzekerheid. In een paginagroot interview vol zelfbeklag in De Telegraaf (die een herstel-Diekstra-actie startte) enkele dagen nadat de bijl was gevallen, gaf hij zowel inzicht in zijn schrijfmethode - die er een is van knippen en plakken - als van zijn eigen getormenteerde geest: 'Ik schreef altijd omringd door boeken. Nu schrijf ik uit voorzichtigheid met een leeg bureau. Het gaat me even goed af. Waarom ik dan tòch anderen citeerde, als het zonder zo goed gaat? Ik vond nooit iets goed genoeg. Dat heb ik mijn hele leven al. Ik was eigenlijk verbaasd als iemand me goed vond, kon dat haast niet geloven.’
'IK SCHRIJF ALTIJD omringd door boeken.’ Alleen al de titel van Diekstra’s laatste boek verwijst naar het overschrijfkarakter van zijn werk: Op gedachten gebracht. Ook heeft dit boek een veelzeggend motto: 'Niets is door hem geschreven van hetgeen er geschreven is, zo is er geschreven.’ Van wie dat motto is, staat er helaas niet bij. Een zekere Anonymus is de bron voor het tweede motto van het boek Persoonlijk onderhoud: 'Aan alles, mijn vriend, is al eens gedacht. De kunst is alleen er opnieuw aan te denken.’ De lezer kan achteraf moeilijk ontkennen dat hij gewaarschuwd is.
Aan motto’s en citaten bij Diekstra geen gebrek. Zo ongeveer om de alinea wordt er iemand die niet Diekstra is, aan het woord gelaten. Met name de groten der aarde, van Hemingway via Kierkegaard tot Charles Dickens: allemaal hebben ze over deze of gene wijsheden van weer anderen, vaak psychologen, die wel of niet met naam genoemd worden, iets extra verdiepends toe te voegen. Diekstra doet het voorkomen alsof hij zich al schrijvend omringd weet met zo'n beetje de totale wereldliteratuur, al ben ik bang dat het gezien de al vaak genoemde tijdsdruk van de geplaagde professor toch eerder uittreksels en citatenboeken zullen zijn geweest.
Al die quasi-diepzinnige bloempjes die de merendeels kromme dan wel saaie zinnen van Diekstra moeten opsieren, maken het eindresultaat trouwens eerder oubollig dan postmodern. Nergens speelt de auteur met andermans materiaal, geeft hij er een ironische draai aan of weet hij anderszins iets met humor te brengen. Het werk bestaat bijna geheel uit andermans open deuren en die worden met een geweldige tobberigheid gepresenteerd.
Vaak geven cursief gezette blokjes aan dat het een citaat betreft. Dit gebeurt bijvoorbeeld veelvuldig in Overleven, hoe doe je dat? Meestal staat er niet bij van wie de nogal lukraak weggeplukte citaten zijn. Elders wordt in diezelfde cursief gedrukte blokjes een anekdote verteld die zo op het eerste gezicht van Diekstra zelf lijkt. Niet echt laakbaar, maar wel verschrikkelijk slordig allemaal. Nog vager wordt het als voorin het boek Persoonlijk onderhoud met heel kleine lettertjes staat: 'De auteur ontleende voor de hoofdstukken 17 en 41 een fragment uit P.G. Zimbardo, Psychology and Life (Harper Collins) en voor hoofdstuk 26 een fragment uit L. Miller, Inner Natures (Ballantine Books).’ Welk fragment en waar vinden we dat terug? De lezer zoekt het maar uit.
MAAR HET KAN nog erger. Als de inleiding van Het onderste boven al twee bladzijden gevorderd is, wordt er zonder enige aanleiding opeens een weer zeer klein gezette noot ingevoegd: 'Deze publikatie is onder meer gebaseerd op/geïnspireerd door Caring for the Mind van Dianne en Robert Hales (Bantam Books, 1994).’ In de Vrij-Nederlandartikelen waarmee het plagiaat aan het licht werd gebracht, ging het juist om dat boek Caring for the Mind, waaruit Diekstra voor zijn Het onderste boven (een titel die er ook almaar dubbelzinniger op wordt) tientallen pagina’s overschreef, zichzelf daarbij als betrokken, maar helaas fictieve psycholoog bij patiënten introducerend. (Mijn exemplaar is een eerste druk. Ik neem aan dat dit het exemplaar is geweest dat Vrij Nederland onder ogen kreeg.) Diekstra heeft met dergelijke ergerlijk vage aanwijzingen het ongeluk natuurlijk wel over zich afgeroepen.
ALS OVERSCHRIJVEN en geïnspireerd raken op hetzelfde neerkomt als al schrijvend toch al omringd zijn door boeken, dan moet de auteur Diekstra zich regelmatig in een heel bijzondere geestestoestand bevonden hebben. Er moet een continuüm ontstaan zijn tussen eigen en andermans gedachtengoed. Een toestand waarin alles transparant leek te worden. Als het ware.
Misschien bevindt Diekstra zich wel in een heel speciale geestestoestand omdat hij, zoals hij zelf stelt, al zeventien jaar dagelijks zo'n tien tot vijftien gram zuivere lecithine gebruikt. De gids Geneesmiddelen in Nederland van Lucas Reijnders e.a. weet over lecithine te melden dat dit een tonicum is, oftewel een versterkend middel. Over tonicums meldt de gids: 'Er is geen deugdelijk bewijs dat de aanwezigheid van deze stoffen in tonicums van voordeel is voor de gebruiker.’ De trouwe gebruiker Diekstra denkt daar anders over. En wel op twee manieren.
Diekstra heeft namelijk in twee verschillende boeken twee bijna exact dezelfde hoofdstukken laten opnemen waarin hij schrijft over lecithine, dat een middel zou zijn dat het brein extra voedt, wat het geheugen zou verbeteren. In het boek Brainjoggen staat het hoofdstuk 'Breinvoeding’, bijna letterlijk hetzelfde hoofdstuk als het hoofdstuk 'Voedsel voor de hersenen’ in het boek Het geestige lichaam. Alleen in het eerste boek staat een verwijzing naar het tweede, maar andersom niet, terwijl ik van beide boeken een herdruk van januari 1996 las. De koper van Brainjoggen wordt bovendien extra bedot omdat hij er ook het hoofdstuk 'Ademhalings- en ontspanningstechnieken’ bij krijgt uit het al genoemde boek Het geestige lichaam. Al met al 21 bladzijden die de echte Diekstra-fan dubbel moest betalen.
Brainjoggen heet Diekstra samen met Robin West geschreven te hebben. Althans: volgens het omslag. In zeer kleine lettertjes staat binnenin: 'Voor een deel zijn de teksten uit dit boek gebaseerd op Memory Fitness for Succes van dr. Robin West. Overige teksten en bewerking: prof. dr. René Diekstra.’ Wat de koper uiteindelijk krijgt, is dus hoogstwaarschijnlijk het (door mij niet gelezen) boek van West, vertaald door ene Esmée Quodbach, aangevuld met een enkel hoofdstuk uit een ander boek van Diekstra. Wat je noemt kat in de zak.
Nu terug naar het bewuste hoofdstuk over lecithine. In het boek Brainjoggen is de tekst uiteraard in de wij-vorm gesteld, in Het geestige lichaam in de ik-vorm. In de wij-vorm schrijft Diekstra echter een stuk overtuigder over het tonicum lecithine. In Het geestige lichaam heet het: 'Maar zelfs als ik mijn brein voornamelijk met hoop voed, dan nog houd ik me vast aan dit dieet.’ Als in Brainjoggen ook West (met diens medeweten?) tot lecithine-junk is verklaard, klinkt het ineens veel zekerder: 'Wij, dat wil zeggen, onze breinen hebben inmiddels voldoende reden om hem te geloven.’ En met 'hem’ wordt dan verwezen naar de Amerikaanse lecithinegoeroe dr. Wurtman, die Diekstra geschreven zou hebben dat zijn dagelijkse quotum van tien tot vijftien gram geen kwaad kan.
MISSCHIEN OOK heeft het chronisch zouttekort Diekstra de das om gedaan. Diekstra is een uitgesproken vijand van zout. In het hoofdstuk 'Het zout uit de pap’ uit Het geestige lichaam, verhaalt hij de lezer van het moeizame bestaan als bewust zoutarm levend mens. Overal wordt stiekem toch weer zout in gekeild. 'Maar het lastigste was nog wel de sociale druk: allerlei mensen uit mijn omgeving die probeerden me toch aan het eten van zoutrijk voedsel te zetten met halve leugens als “dit kun je rustig eten, er zit praktisch geen zout in” tot zouteloze grappen als “doe niet zo flauw”.’ Arme Diek. Altijd werd hij al gepest en nu dit weer.
Het einde van het hoofdstuk kwam mij ineens heel bekend voor. Bladerend in de andere Diekstra-boeken vond ik wat ik me herinnerde: met kleine variaties bleken er ineens zomaar twee zoutalinea’s overgeschreven te zijn uit Diekstra’s Overleven, hoe doe je dat? Zo komt ongeveer de helft van de pagina’s 130 en 131 van Overleven, hoe doe je dat? letterlijk overeen met ongeveer de helft van pagina 206 uit Het geestige lichaam.
Kennelijk is het overschrijven zo in het zouteloze bloed van de professor gaan zitten dat hij zich ook al heeft overgegeven aan de misschien wel meest armetierige vorm van plagiaat: zelfplagiaat. Zoals hij voor Het geestige lichaam (eerste druk 1994) Overleven, hoe doe je dat? (eerste druk 1993) plunderde, zo plunderde hij Het geestige lichaam weer voor het dit jaar verschenen Op gedachten gebracht. De kennelijk niet door tegenspraak gehinderde lecithinemaniak schrijft in Op gedachten gebracht op bladzijde 119: 'Wat dat laatste betreft, onze huidige cultuur is inmiddels een gigantische drugstore geworden, die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Het is waarschijnlijk niet overdreven om te stellen dat we met zijn allen jaarlijks aanzienlijk meer geld aan alcohol, tabak en andere drugs besteden dan aan voedsel. En dan reken ik alle door artsen voorgeschreven stemmingsverbeterende of spanningsverminderende middelen nog niet eens mee!’ Ietsje anders formuleerde de zelfplagiator het in de inleiding van zijn eerder verschenen boek Het geestige lichaam op bladzijde 18. Zoek de verschillen: 'Wat dat laatste betreft: onze huidige cultuur is inmiddels een gigantische drugstore geworden, die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Volgens schattingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève wordt sinds 1980 jaarlijks in de wereld bijna driemaal zoveel geld uitgegeven (we hebben het over triljoenen dollars) aan alcohol en andere drugs als aan voedsel. Antidepressiva, zoals het tegenwoordig zo hoog geprezen Prozac, en alle andere door artsen voorgeschreven stemmingsverbeterende of spanningsverminderende middelen zijn dan nog niet eens meegerekend!’
Het idee van de drugstore (dat hij hier zonder enige noodzaak weer eens een Engels woord gebruikt doet weer vermoeden dat er van overschrijven uit een Amerikaanse bron sprake is geweest) lijkt Diekstra koortsachtig bezig te houden. Ook als hij niet van zichzelf, maar van anderen plagieert, keert de drugstore-gedachte terug. De consequenties beginnen hier werkelijk duizelingwekkend te worden! Op een van de 35 pagina’s uit Het onderste boven, die Diekstra volgens Vrij Nederland overschreef uit het genoemde Caring of the Mind, namelijk pagina 95, opent het hoofdstuk 'Verslaving’ met: 'Af en toe krijg je de indruk dat onze planeet één grote drugstore is, waar iedereen voortdurend probeert chemische stoffen te bemachtigen om zich beter, vrolijker en zelfverzekerder te voelen.’
Ook als Diekstra van anderen citeert, schroomt hij niet om het hele citaat, plus inleidende regels in een geheel ander verband letterlijk terug te laten keren. Eén citaat stond me bijvoorbeeld nog goed bij omdat ik het zo misplaatst vond. Het betrof de schrijver August Strindberg. Aan welke vorm van gekte Strindberg geleden moet hebben, daarover zijn de geleerden het niet eens. Schizofrenie? Borderline? Een chronische absintvergiftiging? Was hij fobisch-hysterisch-paranoïde? Hij vertoonde in elk geval psychopathologische trekken en leed aan hallucinaties. Deze informatie was waarschijnlijk niet te vinden in het citatenhandboek dat Diekstra hanteerde, want onbedoeld cynisch eindigt Diekstra zijn inleiding van Het geestige lichaam: 'Johan August Strindberg (1849-1912), een bekende Zweedse schrijver van romans en toneelstukken, heeft deze ontdekking in zijn eigen leven ooit op deze manier beschreven: “Geleidelijk aan hield ik op het café te bezoeken; oefende me erin eenzaam te zijn; bezweek zo nu en dan voor de verleiding, maar trad iedere keer versterkt tevoorschijn, tot ik ten slotte het grote genoegen smaakte te kunnen luisteren naar de stilte en naar nieuwe stemmen die men daarin kan vernemen.” Ik hoop dat dit boek vaak een prikkel tot dit soort eenzaamheid zal blijken.’
Moet ik nog vermelden dat bovenstaande tekst letterlijk terugkeert in de nieuwste Diekstra-seller Op gedachten gebracht? Het is te vinden in een artikel over stadscultuur, op bladzijde 119. Zij het zonder die zo tragikomische laatste zin.
Niet bekend
Een moralistisch citatentuiltje van de ooit nog voor priester opgeleide Diekstra tot slot: 'Bladen als Privé of Story leven bij de gratie van het neerwaartse-vergelijkingsfenomeen.’ 'De hartstochtelijk bezeten man wil de vrouw “nemen” eerder dan dat hij zich aan haar wil geven.’ 'De meeste mensen blijken slecht te zijn voorbereid op het helpen van anderen in noodsituaties.’ 'Ik leg hun dan mijn verwondering uit. Verwondering over het feit dat mensen, of het nu ouders en kinderen zijn, of vrienden en vriendinnen, het vaak met elkaar over werkelijk van alles vertrouwelijk kunnen hebben, behalve hun seksualiteit.’ 'We houden aan onze kinderen en aan elkaar steeds vaker voorbeelden voor van gedrags- en omgangswijzen waarvan we tegelijkertijd zeggen niet te willen dat die worden nagevolgd.’
Arme Diekstra. Hij wist het allemaal zo goed. En nu heeft hij het zo moeilijk. 'De ladder van het leven zit vol splinters, maar dat merkt alleen hij die naar beneden glijdt.’ (Zonder bronvermelding geciteerd in: Het geestige lichaam, door René Diekstra.)