Diemen in de bergen

Het jagertje op Rembrandts ets Het jagertje is pas op het laatst getekend. Eerst was Rembrandt bezig met de evenwichten in het landschap. Door

Linksonder in de hoek van Rembrandts wonderbaarlijke etsje Het jagertje zien we een koppel eenden drijven. Daar is het water van een sloot. Wat daar groeit, achter de eenden, is dus riet. Rembrandt heeft de stengels (compact maar onregelmatig tegen elkaar) met stevige, losse hand getekend. Vergeleken met andere passages in de ets lijken de korte, scherpe lijnen daar ook wat zwarter gedrukt – net als trouwens het hobbelige talud rechts, waarop een schrale boom staat met bovenin summier aangeduid gebladerte. Daar fladderen ook twee vogels. Het is een schamel, slordig boompje maar wel krachtig gekrast, onderin vooral waar we een afgeknotte tweede stam zien – of een stomp waaruit een hoekige, spitse tak laag naar links uitsteekt. In het midden begint het slingerende pad door de polder. Wat traditioneel Het jagertje heet, komt daar aanlopen. De twee onrustige honden blijven vlak bij hem. De stok die hij over zijn schouder draagt diende om konijnen uit hun hol te jagen die dan door de snelle honden werden nagejaagd en gevangen.

Dat jagertje met zijn stevige schaduw, in een omgeving van verder lichte, bevende en buigzame lijnen, is strak en zwart aangezet en zorgvuldig getekend. De hele voorgrond van het landschap is met die typisch losse hand van Rembrandt geëtst – tastend gekrabbeld met een wirwar van lijntjes die echter zodanig suggestief zijn dat ze de passages wit een krachtige vorm geven. Links van de wandelaar zien we hoe maar een paar ragfijne, slingerende lijnen een lichte glooiing in het land teweegbrengen. Wat hoger zien we twee figuurtjes. Daarvoor ontwaren we een rij van korte, staande lijntjes. Die zijn het vervolg, denk ik, van het wat onstuimiger riet verder op de voorgrond. Vandaar loopt, langs de berm van de weg, de sloot de diepte in.

Maar laten we dan, waartoe het landschap uitnodigt, onze blik dwalen van het hogere land links naar de vlakkere weilanden rechts die ook een stuk lager liggen – achter, als het ware, de zwarte passage met boom en takken die hier als een repoussoir de laagte van het land erachter articuleert. Links daarentegen begint, vanaf de rietgroepen en een grazig stuk berm, het land gelijk op te lopen, te zwellen bijna. Rechts zakt het land naar de bocht van een rivier tot waar het helemaal rechts weer omhoog loopt. Waar het gladde water van de rivier begint, wordt aangegeven door een laag hek, links van het jagertje ter hoogte van zijn schouder. Aan de overkant van het water ligt tussen bomen een boerderij met schuren. Aan deze kant, aan de bocht, zien we huizen en de kerk van een dorp. Dat is Diemen, hebben ze uitgevonden. Daar op die horizon bij het water, voorbij het lage land van wit papier, is die zwak golvende strook etswerk weer dichter, verfijnder en vooral ook grijzer. De mooi opgetaste bergen daarachter zijn weer lichter weergegeven. Ze zijn veel verder weg en zijn sowieso een fantasie – zoals de hele ets een uitgewogen arrangement is van allerlei motieven die Rembrandt in schetsboekjes bewaard had.

Ik heb nu nog maar oppervlakkig naar details gekeken en het landschap zo gelezen en begon te zien hoe het in scène is gezet. Die mise-en-scène ontvouwt zich rondom de figuur van het jagertje, hoewel dat er eerst niet was. Ik zie Rembrandt met de scherpe naald over het etsplaatje gebogen in opperste concentratie. Terwijl hij bezig was, omstreeks 1650, zag hij, toen hij het land vanaf de rietbossen links (en de eenden) eerst had laten oplopen, dat er rechts die stugge boom moest komen, omdat daarachter het land lager moest liggen. Het moest immers bij de rivier gaan uitkomen. Inmiddels had hij het hek getekend, links van de figuur, en voorin rechts die grillige tak – en toen zag hij dat het, tussen die twee discrete ruimtelijke markeringen, de perfecte formele plek was om op het pad het jagertje met zijn honden te laten lopen. Want het jagertje is pas op het laatst in de ets terechtgekomen. Eerst is Rembrandt, zoals we hebben gezien, bezig geweest met de evenwichten in het landschap, tussen hoog en laag, zwart en wit en grijs, en met effecten van licht en atmosfeer. Het blad werd een staalkaart van grafische effecten, los en vrij en niet door een dramatisch onderwerp gestoord. Eigenlijk liet hij de etsnaald lopen en dwalen zoals wij met onze blik door een landschap dwalen en onze ogen de kost geven. Hij kon vertrouwen op zijn ervaring. In dat geduldige proces van maken was er tussen al die wonderschone passages ineens plaats voor ook een figuurtje. De wandelaar loopt op ons toe met stevige tred, en door die subtiele suggestie van voorwaartse beweging wordt het landschap om hem heen opengetrokken en onthuld.