Dienstmeisjes

Diestmeisjes Nova belde. Er verscheen een proefschrift over Duitse dienstmeisjes in Nederland. Maar de schrijfster van het boek had de VPRO toegezegd dat zij haar bronnen niet aan een andere omroep bekend zou maken. Dit gaf mij een vieze smaak.

Maar ik wist ook welke vraag me te wachten stond: ‘U bent toch de zoon van een Duits dienstmeisje?’ Ik bekende. Of mijn moeder niet bereid…? (Niet eens de vraag of ze nog leefde.) 'Nee’, zei ik. En ik maakte het me makkelijk door (naar waarheid) te zeggen dat ze daartoe niet meer in staat was. Dat bespaarde me uitleg over mijn wetenschap dat zij daar nooit of te nimmer aan mee had willen doen. Net zo min als ze gehoor gegeven zou hebben aan de oproep van auteur Barbara Henkes om in contact te komen met gewezen dienstmeisjes, als ze die onder ogen had gekregen. Uit onzekerheid en behoefte aan onzichtbaarheid, maar meer nog uit weerzin geconfronteerd te worden met of zelfs aangesproken te worden op dat deel van haar identiteit dat ze het liefste zou vergeten. Niet dat ze dat zo zou (kunnen) formuleren. Maar Nova wist niet dat ik, toevallig, twee dagen eerder tegen haar had gezegd dat er een boek over Duitse dienstmeisjes zou verschijnen en dat zij daarop een wegwerpgebaar had gemaakt: 'Wat moet een mens daar in godsnaam mee?’ Dus vroeg Nova of ik niet een andere vrouw wist die aan het signalement voldeed. Nee.
Toen ik hen succes wenste, begreep ik dat dit naar waarheid uitgesproken 'nee’ veelzeggender was dan ik besefte. Mijn moeder was zestien toen ze in 1924 hier kwam, aan het eind van de 'eerste golf’. Ze mocht omdat het vriendinnetje van haar broer was voorgegaan. Die ging een jaar later voorgoed naar huis. Mijn oma wilde toen haar dochter ook terug (in het boek lees ik dat volgens de Duitse pers al in 1922 berichten verschenen over meisjes die in Holland geen baan vonden, niet naar huis durfden, op de straat of in bordelen belandden, terwijl in Den Haag negentig procent van hen geslachtsziekten zou hebben opgelopen). Maar dank zij een wijze voogd mocht ze blijven. Daarna is er, bij mijn weten, van Duitse vriendinnen of kennissen geen sprake meer, terwijl er toch honderd- tot driehonderdduizend meisjes zijn gekomen. Dat heb ik altijd zo vanzelfsprekend gevonden als de vis die zich niet bewust is van het water waarin hij zwemt. Wij waren immers een Nederlands gezin? Pas de Nova-vraag, eigenlijk het boek van Barbara Henkes, Heimat in Holland trok me op het droge. Enerzijds is het inderdaad opvallend, omdat veel geëmigreerde meisjes wel aansluiting bij elkaar zochten, al dan niet in georganiseerd verband. Anderzijds tekent het de behoefte aan en het vermogen tot integreren van een deel van hen - een tendens die de oorlog alleen maar versterkte. Nova heeft twee vrouwen gevonden. De manier waarop een van hen over 'de komst van de Duitsers’ sprak frappeerde. De Duitsers, dat waren 'de anderen’, de vijand - zij hoorde daar niet bij. Ik herkende mijn moeder. Maar besef meer dan vroeger hoeveel pijn dat heeft gekost.