Diep contact met een boek

Sytze van der Zee heeft een ontroerend boek geschreven, ‘Potgieterlaan 7’, waarin hij vertelt over zijn foute ouders.

Er zijn twee dingen die me aan het boek bevallen. Eén: het is prachtig geschreven. Twee: het bevat een mooie paradox, het handelt over de dubbelzinnigheid van de begrippen goed en fout, en die is uiteindelijk troostend.
Het boek gaat eigenlijk over een jongen die gediscrimineerd wordt, of denkt te gaan worden, die ‘goed’ is en vol verwijt zit naar zijn 'foute’ ouders. Hetgeen niet wegneemt dat er nog een andere kant is: namelijk het medelijden dat je met je ouders hebt, en de liefde die je voor ze voelt. Ik weet zeker dat kinderen, zoals ik, die ouders met een kampervaring hebben, veel in dit boek herkennen. Met name de onmogelijkheid tot contact, zowel met je ouders als met de buitenwereld. Je altijd vreemd en vreemde voelen. Altijd denken dat je er niet bij hoort en ook niet weten hoe je erbij moet horen. Welke eigenschappen moet je bezitten om je sociaal te gedragen? Ligt een deel van het antwoord niet bij de anderen? Moeten die zich niet ook sociaal aanpassen aan jou? Ze moeten je mogen.
Al die, laat ik zeggen, gestoorde gedachten, verwrongen overwegingen, zijn allemaal terug te voeren op het gedrag dat je zelf hebt tegenover je ouders en dat je ouders hadden tegenover jou.
Alle ouders die onder de oorlog op welke manier dan ook hebben geleden, hebben hun kinderen opgezadeld met sociale angst. Met angst kun je twee dingen doen: eraan toegeven ('Ik ben bang’), of je er juist tegen verzetten ('Ik zal laten zien dat ik niet bang ben’). Het vermoeiende is dat je steeds weer die keuze moet maken waar anderen gewoon maar doen. Het vervelende is dat je, of je nu het een of het ander doet, constant het gevoel hebt dat je niet jezelf bent. Je bent lul of aansteller.
Sytze van der Zee is vele malen op de televisie geweest en voortdurend werd hem dan voorgehouden dat - heus - iedereen wel weet dat niet hij maar zijn ouders fout waren en dat niemand het hèm kwalijk zou nemen. Sytze reageerde dan altijd kribbig, en ik denk dat ik weet waarom: hij weet ook wel dat men hem niks en z'n ouders een beetje kan verwijten. Daar gaat het niet om - het gaat niet om de rationaliteit. Het gaat erom dat anderen in hem, Sytze, de kwalijke eigenschappen menen te herkennen van zijn ouders. De 'hij is eigenlijk net zo’-fluistercampagne: 'Chip of the old block.’ En als zoon ben je je ervan bewust dat je inderdaad bepaalde eigenschappen van je ouders hebt - van wie moet je ze anders hebben? Daarom zal je altijd enigszins angstig zijn, ben je altijd op je hoede.
Ik herken bij kinderen van oorlogsslachtoffers, generatiegenoten van mij, precies hetzelfde. Onze ouders waren zogenaamd 'goed’, maar de oorlog hield thuis niet op: zwijgen, terreur, agressie, angst. Ook daarover moest je tegenover de buitenwereld je mond houden.
Sytze zegt dat kinderen wier ouders in het verzet hadden gezeten, altijd een verhaal hadden en hij niet. Het boek bewijst het tegendeel. Alleen het verhaal dat hij te vertellen had, kon hij niet op dat moment uitspreken.
Ik weet zeker dat die kinderen die opsneden over de verzetsdaden van hun ouders, dat deden met dezelfde angst, als waarmee Sytze naar die verhalen luisterde.
Ischa Meijer - 'het jongetje dat alles goed wou maken’ - was een goede vriend van Sytze. Ik zie ze nog samen op de redactie. Beiden met dezelfde achterdocht, dezelfde angsten, vanuit twee verschillende achtergronden. Ze herkenden iets in elkaar.
Ik heb dat als collega van Sytze nooit met hem gehad. Ik vond hem soms aardig, heel vaak een zak. Echt contact hadden we niet.
Een diep contact heb ik wel met dat boek van hem.