Tiger Woods, held zonder zelfrespect

Diep door het stof

Het levensverhaal van de meest succesvolle golfer aller tijden vroeg altijd al om verfilming. Nu blijkt Tiger Woods’ biografie ineens in een heel ander genre thuis te horen dan we dachten: geen sprookje, maar een tragikomisch drama.

ZELDEN DEED TIGER WOODS ZO lang over achttien holes als op de eerste dag van de US Masters, in Augusta, Georgia, vorige week donderdag. Meer dan vijf uur. Hij trok regelmatig gras uit de grond en strooide het in de lucht, om de richting van de wind te bepalen. Hij drukte zijn gezicht tegen het gras aan, om de glooiing van de baan te bestuderen, de inplant van het gras. De lokale buienradar verwachtte onweer, maar Woods nam zijn tijd. Veelvuldig sprak hij zijn caddy aan. Of hij wel de beste club voor de slag had. Wat de beste curve voor zijn drives was.
Hij zag er ook iets anders uit dan ik me herinnerde. Hij was niet meer de tengere, soepele atleet; zijn armen leken gemeen te knellen in de korte mouwen van zijn polo, boksersbiceps. Zijn gezicht dat altijd iets goeiigs had gehad, iets zachts, leek nu somber, een beetje pafferig.
De eerste zeven holes bleef Woods op par, met één makkelijke birdie en één onhandige bogey, maar daarna begon hij los te komen. Op de achtste hole sloeg hij zijn approach op drie meter van de hole, en putte daarvandaan keurig een eagle. De negende hole sloeg Woods te agressief af en landde in de rough, zijn zicht op de vlag geblokkeerd door een rijtje dennenbomen. Het was de kans voor Woods, in wiens ijzerwerk - de herstellende slagen uit de rough, de bunkers en greppels, geslagen met zware clubs - altijd de sleutel van zijn succes had gelegen, om zijn vorm te tonen. Woods nam plaats in de rough, onder de bomen - binnen armbereik van de fans - en maakte de slag. De bal krulde om de dennen heen, onder hun takken door, en zeilde hoog van rechts naar links en nog voordat de bal landde hopte Woods enthousiast één, twee, drie keer opzij, een pompende beweging met zijn vuist, gillend publiek, en een bal die vanaf een onmogelijke plek op een hellend veld op nog geen tweeënhalve meter van de hole tot stilstand kwam. En daar was dan de grijns van oor tot oor en voor het eerst sinds zijn comeback draaide hij zich naar het publiek en nam hij dankbaar applaus en aanmoedigingen in ontvangst. Even later putte hij de bal voor een birdie. Hij zou zijn openingsronde afsluiten op vier onder par, met 68 slagen, zijn beste eerste dag op de US Masters ooit.
Woods’ achtste hole was voor alle sportjournalisten in Augusta hét voorpaginaverhaal van de dag. Tiger was terug.
WE TELL OURSELVES STORIES in order to live. We leven in de verhaallijnen die we in ons eigen bestaan denken te zien en als we langer over onszelf nadenken, en dat doen we, zien we in de plot van ons leven iets wat de opsomming van voltooide of onvoltooide opleidingen, banen, promoties, ontslagen, verloren en gewonnen liefdes en vriendschappen overstijgt. We kunnen onze beslissingen koppelen aan onze karaktertrekken of ambities, we kunnen ze allemaal uitleggen, totdat, natuurlijk, dat moment komt waarop we ze niet kunnen uitleggen.
Het verhaal van Tiger Woods was al een decennium hetzelfde, sinds hij eind jaren negentig als jongeman met Afrikaans, Chinees en indiaans bloed doorbrak in een conservatieve, blanke sport. Hij won een recordaantal masters (de belangrijkste toernooien) en met zijn onbesproken gedrag en all round nice guy-imago werd hij de eerste sporter ooit die meer dan een miljard dollar verdiende, uit prijzengeld en reclame-inkomsten. En toen, op de nacht van Thanksgiving vorig jaar november, reed Woods in zijn suv tegen een boom aan, op twintig meter van zijn huis, al dan niet achternagezeten door zijn vrouw Elin, die, o ironie, met een golfclub naar hem zou hebben uitgehaald. In de dagen die volgden meldden ze zich, de cocktailserveersters, de pornoactrices, de discomeisjes, de ‘exotische danseressen’. Alle voorspelbare details kwamen naar boven. Het meest opzienbarende was nog hoe zuinig Woods voor zijn minnaressen was geweest, één vertelde dat het enige wat Woods ooit voor haar gekocht had een broodje was, dat hij voor haar had meegenomen toen hij toevallig bij een Subway stopte, op weg naar een tryst met haar.
Woods’ eerste mediaoptreden na de storm rond zijn buitenechtelijke affaires was een geregisseerde bijeenkomst waar de golfer in een zaaltje ten overstaan van vrienden en familie een verklaring voorlas. Hij toonde zijn diepe berouw en zei dat hij nog steeds niet kon geloven dat hij zo verwijderd was geraakt van zijn 'core values’, zijn overtuiging dat zijn gezin en familie zijn belangrijkste rijkdom waren.
Verschillende Amerikaanse tv-stations onderbroken hun programmering om Woods’ verklaring live uit te zenden. Woods zei: 'Ik had het idee dat ik mijn hele leven hard gewerkt had en dat ik het verdiende om te genieten van de verleidingen om me heen’, en: 'Ik wist dat wat ik deed verkeerd was, maar ik overtuigde mezelf ervan dat de normale regels niet op mij van toepassing waren.’ Met andere woorden, zelfs Tiger Woods vond dat hij uit de rol van Tiger Woods was gestapt. Vraag is: welke rol speelt hij dan wél?
Opeens valt Tiger zo ogenschijnlijk midden in het kleinburgerlijke drama dat de grote, naoorlogse Amerikaanse schrijvers bij uitstek documenteerden: John Updike, Norman Mailer, Philip Roth, wier getalenteerde, weldenkende hoofdpersonen steevast ten onder gaan aan hun eigen lusten (denk aan Updike’s arme schuinsmarcheerder Rabbit Angstrom, die in Rabbit, Run nooit het elitaire golfspel onder de knie krijgt, en onder het toeziend oog van de priester zijn bal steeds uit de bosjes moet vissen, 'he lifts the huffy branches like skirts, in a fury of shame’). Toch heeft Tigers verhaal iets intrinsiek hedendaags, al is het alleen maar door de mobiele logistiek die nodig moet zijn om een dozijn minnaressen verborgen te houden. Een goeie vergelijking maakte Vanity Fair, dat in Woods een variant zag van Ryan Bingham, de hoofdpersoon van Walter Kirns roman Up in the Air (2001), waarvan de verfilming dit jaar verscheidene Oscarnominaties kreeg. Net als Bingham vertegenwoordigt Woods een verzameling merken en producten die goedaardig klinken, maar geen enkele inhoudelijke betekenis hebben. Bingham weet alle emoties te controleren, te reguleren. Woods stond er bij journalisten om bekend dat hij nooit extreem blij was of boos en dat hij cordiale persconferenties gaf die de uitzonderlijke eigenschap hadden geen quote op te leveren die het waard was om af te drukken.
Maar de horror vacui van Bingham is niet die van Woods, om de heel simpele reden dat Woods niet zomaar een moderne man is. Hij is 'The Great One’, de Beste Ooit. Wat dat betreft is de vergelijking scherper met Roy Hobbs, de record brekende honkballer uit The Natural (1952: de verfilming kreeg ook verschillende Oscarnominaties), de debuutroman van Bernard Malamud. In het begin van de roman is Hobbs een jonge slagman wanneer hij een blonde femme fatale ontmoet. Hobbs, druk bezig haar in bed te krijgen, spreekt over zijn ambities; soms, zegt hij, droom ik ervan dat ik over straat loop en de mensen me zien en zeggen: 'Daar gaat Roy Hobbs, de beste speler die er ooit was.’ De vrouw vindt zijn antwoord teleurstellend, en vraagt hem of hij niet iets hogers heeft, iets wat hem drijft dat de menselijke behoeften overstijgt. Hobbs kan eigenlijk niets verzinnen. Even later schiet de vrouw hem teleurgesteld neer.
Het afgelopen decennium gaf Tiger herhaaldelijk hetzelfde antwoord op de vraag wat hem dreef, een eerlijk antwoord, maar tegelijk een vreemd antwoord voor een zelfverklaard boeddhist en student van andere oosterse spirituele stromingen. De tragiek van Hobbs/Woods is dat hij niet het verschil ziet tussen de beste willen zijn, en de reputatie hebben de beste te zijn, oftewel: de vruchten plukken van de beste zijn. De vruchten van actie, zegt Bhagavad Gita, moeten nooit het doel zijn van actie.

EN TOCH RAAKT OOK die benadering niet de kern, bedacht ik toen ik Woods vier dagen lang over de golfcourse op Augusta zag lopen. Op de finaledag maakte hij twee ongelooflijke eagles, maar het merendeel van de tijd leek hij getergd en speelde hij vaak slordig. Dat ik toch blij was, oprecht blij, dat hij weer terug was, heeft ermee te maken dat golf zonder Tiger niet helemaal telt, zoals een tennistoernooi zonder Federer, of een Boekenbal zonder Harry Mulisch.
Wat me dwars bleef zitten waren niet Tigers leugens (ík ben niet met hem getrouwd), maar zijn excuses. In die excuses schuilt het drama. Hij ging zo diep door het stof, zei van zichzelf te walgen, niet meer in de spiegel te kunnen kijken. In het essay On Self-Respect, uit haar befaamde essaybundel Slouching towards Bethlehem (1968), vergelijkt de Amerikaanse schrijfster Joan Didion twee amorele, literaire personages. Allereerst neemt ze Julian English uit John O'Hara’s Appointment in Samara (1934) de maat, die zich aan zijn impulsen overgeeft en daarmee zijn sociale status verliest. Daar tegenover staat Jordan Baker, de vrouwelijke golfer (!) uit F. Scott Fitzgeralds The Great Gatsby (1925), die met haar losse seksuele gedrag volkomen buiten de conservatieve moraal valt. Beide personages weten dat ze egoïstisch zijn, schrijft Didion, maar één heeft zelfrespect en de ander niet: 'Like Jordan Baker, people with self-respect have the courage of their mistakes. They know the price of things. If they choose to commit adultery, they do not then go running, in access of bad conscience, to receive absolution from the wronged parties; nor do they complain unduly of the unfairness, the undeserved embarrassment, of being named co-respondent.’
De enige mogelijkheid om gelukkig te worden, schrijft Didion, is het kweken van zelfrespect. Jordan Baker kende haar tekortkomingen en had er vrede mee, ze wist wat haar intrinsieke waarde was en is daarom iemand om uiteindelijk jaloers op te zijn. Woods’ eerste reactie na betrapt te zijn was ontkenning (dat hield hij een paar dagen vol, totdat alle vrouwen te voorschijn kwamen) en daarna het maxima mea culpa, de schuldbekentenis en het smeken om vergiffenis. In plaats van de problemen tussen hem en zijn vrouw te durven laten, paste Woods schadebeperking toe. Hij wilde zijn reputatie beschermen, en reputatie is iets, zoals Rhett Butler tegen Scarlett O'Hara zegt, waar moedige mensen zonder kunnen.
Bij helden als Woods wordt het drama van de moderne mens duizend keer uitvergroot. Zijn ongeluk is niet dat hij zwicht voor de verleidingen om hem heen, of dat hij onheus zijn ambitie laat domineren over zijn moraal, maar dat hij niet het zelfrespect heeft om gelukkig te worden van zijn zonden.
Op de vierde en laatste dag van de US Masters eindigde Woods met een birdie, op een gedeelde vierde plaats. Op de vraag van de tv-presentator of hij weer vlug terug in het circuit zou zijn, antwoordde Woods dat hij het voorlopig rustig aan deed. Hij had nog veel om over na te denken. Je vreest voor Tiger het lot waar Didion haar essay mee afsluit, het lot van de mens zonder zelfrespect: one runs away to find oneself, and finds no one at home.