Lichaamswerk

Diep in darmen graaien

Alexander de Vries (58), vaatchirurg Medisch Centrum Haaglanden

Medium lichaamswerkde vries

‘Collega’s hoor je wel eens hoog opgeven over hun handen, dat ze die héél duur verzekeren. Maar ik ben niet van dit type. Ik heb een normale arbeidsongeschiktheidsverzekering. Mijn handen zie ik gewoon als instrumenten waarmee ik een spijker in een muur sla. Ze worden smerig als ik aan mijn motor sleutel. Hoewel ik mezelf wel betrap op wasdrang, vanwege onze obsessie in de operatiekamer met hygiëne.

Mijn hersenen vind ik veel belangrijker – daarmee bepaal ik wat ik moet doen en vooral ook wat ik niet moet doen. In mijn vak is het eerst denken, dan handelen en heel goed weten waar je van afblijft. Je moet beschikken over een vaste hand en een goede oog-handcoördinatie. Het is trouwens opvallend dat het hele operatieteam, inclusief de niet-snijdende artsen en verpleegkundigen, deze vaardigheid bezit. Ze blijken allemaal goed te kunnen schieten. Bij de selectie voor de opleiding wordt eigenlijk nooit gekeken of je “handig” bent. Je kiest wat je kan en dat selecteert zich vanzelf uit. Ook is het afhankelijk van het specialisme. Een traumatoloog moet goed zijn in het draaien van schroeven en 3D-kijken, dat is meer grofstoffelijk. Een vaatchirurg werkt fijner en heeft veel geduld. Dat soort specifieke talenten zie je door de hele geneeskunde: iemand die niet zo sterk is met patiënten wordt bijvoorbeeld radioloog. Een chirurg voert altijd voor en na een operatie een gesprek met de patiënt over risico’s, en dat zijn soms beladen gesprekken. Het gaat over andermans lichaam waar ik in ga snijden met als doel iemand te genezen.

Het went nooit als er zich onverwachte complicaties voordoen. Of als er een neurologische complicatie optreedt – gelukkig heel zelden – en iemand eenzijdig verlamd raakt. Je houdt dan een gehandicapt mens over, schokkend. Juist wanneer je het niet verwacht, hakt dat er enorm in. Zeker als iemand doodgaat, ook als de kans daarop hoog was, komt dat altijd hard aan. Al ken je de cijfers over succes en mislukken, het blijft spannend.

Mijn vak is bovengemiddeld belastend. Niet elke dag, maar soms is het zwaar. Nachtdiensten, spoedgevallen die op de valreep binnenkomen waardoor je dag anders eindigt dan gepland, trekken een wissel op je eigen conditie. En ja, je moet ook sterke benen hebben. Dat bedoel ik letterlijk, want flauwvallen voor bloed, ook al is het nog zo veel, is in mijn vak ondenkbaar. Een operatie duurt bijvoorbeeld twee uur, maar het kan ook veel lastiger blijken en dan sta je heel lang achterelkaar in een gebogen houding. Dat betekent dus uitgerust de dag beginnen en niet de avond van tevoren tot diep in de nacht een kaartje leggen. Je kunt het je niet permitteren om moe een operatie in te gaan.

Bij het lichaam dat ik opereer, sta ik nooit stil. Als ik iemand voor me zie liggen denk ik eerder in statistieken – wat zijn de risico’s, et cetera – dan in fysieke termen. En als ik opereer zie ik het lichaam als een instrument om naar een bepaalde locatie te gaan. Je zoekt een aorta, een darm, een maag, je weet waar het zit en je reist er als het ware naartoe. Net zoals een straaljagerpiloot bij een militaire actie iedere handeling beroepsmatig benadert. Die houding leer je vanaf je co-schappen. De eerste keer dat je in iemand gaat, van de buiten­wereld naar de binnenwereld, dwars door de huid heen, is filosofisch gezien grensoverschrijdend. Maar daarna went het, helaas, heel snel. Een mens die helemaal open ligt doet je emotioneel niks. Assistenten komen trillend binnen, maar algauw graaien ze diep in de darmen.’