Diep van binnen zijn we een barmhartig volkje

Nederland is niet het land van de hufters en de cynici, stelt hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde Gabriël van den Brink. Maar we zijn blind geworden voor onze goede kanten.

Je zou het in tijden van miljardenbezuinigingen bijna vergeten, maar niet zo lang geleden maakten we ons druk over heel wat minder aardse zaken. Rutte’s gedoogconstructie nam het stokje over van een kabinet dat volop kon bazuinen over normen en waarden. Wie even terug wil naar de tijd voor de crisis het debat beheerste, kan de zeshonderd pagina’s De Lage Landen en het hogere onder redactie van Gabriël van den Brink lezen: een verslag van vier jaar speurwerk naar waar het meest geseculariseerde land ter wereld nog in gelooft.

Dat De Lage Landen en het hogere in eerste instantie voelt als een nawee van een voorbij tijdperk is overigens niet heel vreemd. Het onderzoek werd voor een groot deel betaald door het ministerie van Algemene Zaken, waar tot voor kort het cda de koers bepaalde. Het boek laat zich dan ook eenvoudig typeren als een verlaat wetenschappelijk fundament van Balkenende’s beruchte normen-en-waarden-offensief. Ook behoudzuchtige opris­pingen over de zorgelijke toename van het gebruik van ‘roesmiddelen’ in de jaren zestig of over de pracht van koloniaal missiewerk (voc-mentaliteit!) passen in het plaatje.

Toch is dit boek meer dan een steunbeer voor de christen-democratie. In De Lage Landen en het hogere trekt Van den Brink ten strijde tegen de ontevredenheid. Zijn stelling: Nederland is niet het land van de hufters en de cynici. Diep van binnen zijn we wel degelijk – of nog steeds – een barmhartig en betrokken volkje, meent de hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg. Dat is in ieder geval tegendraads. Het refrein van verruwing en vergroving begint zo langzamerhand behoorlijk te vervelen, nog los van de vraag hoe gefundeerd al dat geklaag over de samenleving eigenlijk is.

Precies die kwestie wordt door Van den Brink bij de horens gevat. En dat gebeurt stevig. Iedere flard begeestering die zijn onderzoeksteam heeft kunnen vinden, is opgetekend als bewijs dat er meer in ons leven is dan de zucht naar seks, geld en macht. Dat levert verhalen op over managers die zich over daklozen ontfermen, bankiers die pleiten voor matigheid en verplegers die een stevig salaris nu eenmaal minder belangrijk vinden dan goed voor anderen zorgen. Ook de royale schenkingen aan Natuurmonumenten en ontwikkelingsorganisaties zijn wat hem betreft het bewijs dat ‘morele idealen en geestelijke beginselen in de Lage Landen een cruciale rol spelen’.

Om tot die conclusie te komen, wringen de auteurs zich af en toe wel in rare bochten. Het lezen van _fantasy-_literatuur, het kijken naar politieseries, luisteren naar housemuziek, de meest uiteenlopende zaken worden opgevoerd om te laten zien dat we minder oppervlakkig zijn dan gedacht. Natuurlijk, met een beetje goede wil kun je de collectieve vervoering van de bezoekers van Dance Valley of Sensation White zien als een postmoderne vervanging van het vieren van de hoogmis. Maar het is een zwakke basis voor de stelling dat Nederlanders tot in het diepst doordrongen zijn van geestelijk engagement. Het enthousiasme waarmee de vergezochte voorbeelden worden ingezet, heeft wat weg van een gelovige die werkelijk in álles de goddelijke openbaring herkent.

De auteurs schieten zichzelf ook in de voet met een onhandige definitie van ‘het hogere’. Ze spreken over ‘de verbeelding van een geheel waarmee ik mij verbonden weet en waardoor ik mij geroepen voel tot onbaatzuchtig handelen’. Deze christelijk geïnspireerde invulling van dat begrip heeft lang niet altijd te maken met wat de onderzoekers vervolgens doen: alles wat bekend is over de opvattingen en tijdsbesteding van Nederlanders afgrazen om te laten zien dat de moraal soms wel degelijk voor das Fressen komt.

Zo wordt in verschillende hoofdstukken opinieonderzoek over de houding van Nederlanders ten opzichte van immigranten en andersdenkenden doorgespit. De conclusie: we zijn tolerant, zolang we nergens last van hebben – het bekende not in my backyard-_syndroom. Dat is interessant, maar wat dat precies met ‘het hogere’ van doen heeft, blijft onduidelijk. Iets dulden is niet hetzelfde als iets waarderen. Hetzelfde geldt voor de passages die dagelijks tijdverdrijf moeten redden van het stigma ‘oppervlakkig’. Volgens de onderzoekers is het fitnesscentrum een hedendaagse tempel waar ‘vitaliteit’ als hogere waarde tot uitdrukking komt. In de populariteit van een krakkemikkig geacteerde televisieserie als _De co-assistent zien ze bewijs dat mensen maar al te begaan zijn met lijden van anderen. Ongetwijfeld zijn in het krachthonk en op de buis niet-materiële motieven – zoals de onderzoekers het verwoorden – ‘aan de orde’. Maar dat ze daarom tot ‘onbaatzuchtig handelen’ aanzetten, spreekt niet vanzelf.

Het boek trekt vlot in de slothoofdstukken waarin Van den Brink een verbinding legt tussen de baaierd aan voorbeelden. Hij legt uit dat het hogere door velen vooral ‘vitaal’ beleefd wordt. Simpel gezegd: de kerk heeft plaatsgemaakt voor sport, natuurbehoud, de zoektocht naar lichamelijk genot, kortom alles wat een biologische dimensie heeft. Maar dat betekent niet dat het individualisme vrij baan heeft gekregen, meent hij. Op dit punt worden de natuurwetenschappen slim ingezet om het betoog te steunen. Neurowetenschappers en biologen hebben de laatste jaren uitgebreid aangetoond dat we van nature tot altruïsme en inleving zijn geneigd. In navolging van primatoloog Frans de Waal, voorziet (of wenst?) Van den Brink dan ook een age of empathy waarin politiek gevolg wordt gegeven aan de nobele inborst van het menselijk dier. Maar als de mens geprogrammeerd is om sociaal te zijn, waarom voert cynisme dan toch de boventoon in het publieke debat? Zijn we blind voor onze goede kanten?

In zekere zin wel, betogen de auteurs. Dat komt omdat we nog steeds in de schaduw van de verzuiling staan. Met het verdwijnen van de zuilen verdween ook het vertrouwde vocabulaire waarmee we over het hogere spraken. De mantra’s over naastenliefde en hulpvaardigheid, zoals die klonken bij kerk en vakbond, slaan niet meer aan bij een publiek dat al lang afstand heeft genomen van die instituties. En we zijn zo geobsedeerd door het verval van oude structuren dat we niet zien dat op de ruïnes meer dan genoeg moois bloeit. Van den Brink cum suis leggen de schuld deels bij de ‘massamedia’ die ‘het cynisme in de publieke sfeer versterken’ in plaats van de betrokkenheid van Nederlanders te tonen.

Zo komt De Lage Landen en het hogere uit bij een lofzang op de civil society, het Angelsaksische modewoord voor wat ooit gewoon ‘het maatschappelijk middenveld’ heette. In buurtcomités, actiegroepen en, vooruit, ‘levens­beschouwelijke instellingen’ moeten mensen weer leren praten over het goede leven en algemeen belang. Die gedachte is niet nieuw, maar wel sympathiek. Al blijft de vraag hoeveel mensen echt zin hebben in zo’n cursus civic talk.

Gabriël van den Brink toont zich met dit werk de Nederlandse evenknie van Phillip Blond, Charles Taylor en andere denkers die ­teruggrijpen op gemeenschap en geloof als medicijn tegen wat ze als doorgeschoten individualisering zien. Op die manier biedt De Lage Landen en het hogere de kwakkelende middenpartijen, het cda voorop, een helpende hand. Die kunnen ze maar beter grijpen. Veel hebben ze niet te verliezen.

Gabriël van den Brink. _De Lage Landen en het hogere: De betekenis van geestelijke beginselen in het moderne bestaan. _Amsterdam ­University Press, 604 blz., € 69,95