Dieper! harder!

Herman Brusselmans, Tom Lanoye, Jeroen Olyslaegers en Ramses Meert over de kelderlucht van het Belgische trauma.

VERGELEKEN MET hun Vlaamse collega’s zijn Nederlandse schrijvers eigenlijk maar een stelletje mietjes. De ene gespierde schrijver na de andere staat in ons zieke buurland op om het beest te lijf te gaan. Het beest dat België heet én het beest in zichzelf. Het land van het zachte taaltje en de lachende mensen is definitief verdwenen, voor zover dat al ooit bestaan heeft elders dan in de verbeelding van (‘Ik heb getwijfeld over België’) Henk Westbroek.
'Dit is onze Tweede Wereldoorlog’, zei Jeroen Olyslaegers twee weken geleden in een interview in De Groene, 'ons Vietnam.’ En dus schreef hij over zijn land, waar naar zijn zeggen de walgelijkste en absurdste dingen gebeuren, een roman als een fluim, Open gelijk een mond.
Ook Tom Lanoye vindt dat je als Vlaamse schrijver niet kunt ontsnappen aan de tijd waarin je leeft. 'Joe Pesci, bekend van maffiafilms en een acteur naar mijn hart, zegt: “Als kleine mensen kwaad zijn, is het ook tomeloos en redeloos kwaad.” Daar herken ik me heel erg in. Alleen probeer ik het in literaire vorm.’ Twee jaar geleden publiceerde hij het eerste deel van een omvangrijke trilogie, Goddelijke monsters, en nu het tweede, Zwarte tranen. Een redeloze roman van een bezeten schrijver.
De Belgische literatuur kent een verstandhouding tussen lyriek en engagement die de Nederlandse literatuur vreemd is. Zwaarte en lichtheid, pathos en banaliteit, ze verbinden zich moeiteloos in proza dat soms op poëzie lijkt en soms op schotschriften. De romans en verhalen van uiteenlopende schrijvers als Hugo Claus, Kristien Hemmerechts en Monika van Paemel hebben, althans voor een Nederlandse lezer, de meerduidigheid gemeen. Het is alsof er lucht tussen de regels zit, terwijl in Nederland wordt gemetseld. De Belgen zijn frivoler, sexier en harder. In grimmige tijden wordt hun werk ook grimmiger, of het laat zich in ieder geval zo lezen.
Zo debuteerde de jonge (26) Vlaamse schrijver Ramses Meert onlangs met de verhalenbundel Otaku, die de onmiskenbare kelderlucht ademt van het Belgische trauma. Bijzonder is dat Olyslaegers en Lanoye óver gore praktijken schrijven, maar Meerts verhalen gewoon goor zíjn.
ZELFS HERMAN Brusselmans ontkomt niet aan het feit dat hij een Belg is. In Uitgeverij Guggenheimer laat hij zijn personage, de immer 'neuzende’ Guggenheimer, de ultieme uitgevershit ensceneren. Hij zorgt ervoor dat hij de gedichten van een gestoorde maniak, oftewel de Gentse kindermoordenaar, in zijn fonds krijgt. Brusselmans’ roman is cynisch en kolderiek tegelijkertijd. Zijn definitie van een goede schrijver is dan ook 'een klootzak van wie je niet weet of hij meent wat hij zegt’. Al te opzichtig engagement bedrijven staat voor hem gelijk aan het intrappen van open deuren.
Met die open deuren valt het wel mee in het werk van Jeroen Olyslaegers en Tom Lanoye. Wel confronteren hun romans je met de eeuwige vraag naar hoe het Kwaad in literatuur gestalte moet krijgen en waarom. Allebei kozen zij de macho-aanpak: zij proberen nóg Kwader uit de hoek te komen. Lanoye is de meest geoefende, en misschien ook meest getalenteerde schrijver van de twee; bij vlagen schrijft hij meeslepend en bijna cerebraal. Vergeleken echter bij het veel meer gecondenseerde en daardoor ingewikkelder Open gelijk een mond schuurt Zwarte tranen aan tegen machteloze woordkakkerij. Meert en Brusselmans onttrekken zich aan het probleem van de stilering, omdat zij allebei, op hun eigen wijze, extreem zijn.
De titel van zijn roman ontleende Olyslaegers aan Louis Paul Boon, de Vlaamse reus die met zijn werk bewijst dat engagement van alle tijden is. Open gelijk een mond is een labyrintische roman, waarin zes verhaallijnen naast elkaar lopen. Meer dan dat zich een geschiedenis ontwikkelt, vormen zij een literair statement over wat literatuur kan zeggen over 'dit land’. Het verlangen is de waarheid bloot te leggen, maar de wetenschap dicteert dat die er niet is. Wat rest zijn fragmenten, perspectieven, flodders.
De flodders centreren zich rond het kwaad, 'de Snorrenman’. De onderzoeksjournalist, de diskjockey, de filmrecensent, de Swami en 'Jeroen Olyslaegers’ zijn allemaal bezig hún versie van 'de Snorrenman’ rond te krijgen. Overheersende toon is dat iedereen iedereen misbruikt, in den vleze en in het woord. De alom aanwezige media spelen misschien nog wel de meest suspecte rol. 'De media gaan met hun gespleten tong over de G-spot, bevingeren de clitoris van de woede, organiseren een publieke zelfreiniging.’
Olyslaegers gebruikt aan de lopende band dergelijke metaforen, de ene nog manniger dan de andere. 'Een diagnose moet gesteld worden, de vinger moet op de wonde worden gelegd. Waar dit materiaal behoefte aan heeft is een subtiele aanpak, doorspekt met metaforen. Maar geen verdoezelende metaforen. Nee!’
Verdoezelend is Olyslaegers’ roman zeker niet. Hij wijdt passages aan de praktijken van de Snorrenman op waarschijnlijk een van de weinige manieren dat een schrijver dat kan doen, zonder onsmakelijk, sensatiebelust, banaal of sentimenteel te zijn. Hij kiest voor de lyrische, barokke aanpak, waaraan altijd het licht onbegrijpelijke kleeft. 'Een gorgelend meisje, naakt en alleen op een verlaten snelweg. Denkt aan mama en papa en haar gruwelijk lot. (…) Snorrenman deed zijn uitzinnig ding met haar en sneed haar keel door als bij een ziek kieken dat op de mestvaalt moet.’
Scherp verwoordt hij het verlangen van de stotterende filmrecensent zelf een film te maken 'die tegelijk over het een gaat en tegelijk over het ánder, zodat je deudeudeu-acteurs in vlees en bloed kan zien, samen met hun geraamte én hun spierstelsel én de stront van hun voorouders die ze nog steeds in hun darmen dragen. Een film waarbij het behang je naar de strot vliegt en het uitgekiend lichtspel onheilspellende rillingen langs je ruggengraat naar je aars doet denderen. Een film met meu… mythische allure. En tegelijk streetwise.’
Van de weeromstuit ga je als lezer verlangen naar een dergelijk boek, dat mythische allure heeft en tegelijkertijd streetwise is. Olyslaegers heeft zich zo wars getoond van verhalen met een begin en een einde dat hij niet verder komt dan zijn leuzen, en goede bedoelingen, keer op keer in telkens andere stevige bewoordingen, te herhalen. 'Het is oorlog, oorlog met informatie als inzet en wapen.’ Hoe gewaagd en buitenzinnig ook, een bevredigende exercitie wordt Open gelijk een mond daarmee niet.
OP HET EERSTE gezicht is Zwarte tranen van Tom Lanoye een frivoler boek. Ook hier flitst de schrijver van het ene personage naar het andere, maar dit is naar beproefd soaprecept. Katrien Deschryver, dochter van een bankier en voormalig minister, schiet bij een jachtpartij per ongeluk haar man dood, Dirk Vereecken. Zij wordt gearresteerd en groeit uit tot nationaal symbool van het kwaad. Met behulp van een verknipt meisje, dat als grootste idool Ulrike Meinhof heeft en als goede tweede Katrien Deschryver, weet Katrien te ontsnappen. Onderzoeksrechter Willy de Decker vindt haar dagboekschriftjes onder haar gevangenisbed en volgt haar spoor. Een carnavaleske rondgang begint, langs kotten en lofts, snelweg en bospad, benzinepomp en supermarkt.
Heel België zit in Zwarte tranen. Aan alle schandalen, personen en intriges wordt gerefereerd, via de malversaties en perverse praktijken van de leden van de uitgebreide familie Deschryver. Oplichterij, moord, drugs en kinky seks, niets verdorvens is de Deschryvers vreemd. Nonkel Leo, de tapijtgigant, ziet zelfs in de Witte Mars nog een handeltje. Witte matjes, waarom heeft hij daar niet eerder aan gedacht? 'Juist groot genoeg om onderweg, als ge wat moe werdt, op uw kont te gaan zitten zonder u vuil te maken.’
Soms weet Lanoye een bijna feestelijke toon te treffen en lijkt zijn roman een kruisbestuiving van twee typisch Amerikaanse schrijvers, John Irving (Hotel New Hampshire) en Tom Wolfe (Bonfire of the Vanities). Hij schudt het ene na het andere absurde mini-drama uit zijn mouw, zoals dat van het verstandshuwelijk tussen het homobroertje van Katrien en een Cubaanse hoer, en dat van de twee broers die elkaar onverwacht en onvermoed, in de stoomwolken van de sauna, 'bekennen’.
Op andere momenten overheerst het onmiskenbare boertige element. De combinatie levert een Belgische soap opera op. 'Precies een Amerikaanse film, met dit verschil dat in een film de gangsters bij hun klodden worden gepakt. Een tweede kinderkiller is al wel geklist. Er was weer eens een lijkske ontdekt. Naar een dozijn andere wordt nog gegraven. Met tractoren, als ’t God blieft, en op de terreinen van failliete steenkoolmijnen. Tussen de bergen ijzerslakken en de slecht afgesloten schachten.’
Het cynisme van Lanoye spitst zich toe op de werkelijkheid die alle verbeelding tart en de media die daarmee aan de haal gaan. 'Iedere dag wordt er betoogd, voor het Parlement, voor het Paleis van de Rechtvaardigheid, op elke Grote Markt. Door comités die uit de grond spuiten gelijk champignons. Bejaarden, mongolen, onderwijzeressen. Ze snotteren en zwaaien met witte vlaggen en witte ballons.’ Geen film, feuilleton of roman kan op tegen het feit dat een meisjesmoordenaar te laat werd opgepakt en dat een onderzoek aan het licht bracht dat Justitie, 'dat bolwerk van machtsgeile rechtse ballen’, structureel had gefaald. 'In vergelijking met de fantasie beschikte de werkelijkheid over onklopbare troeven. Ze was onuitputtelijk, niemand kon haar auteursrechten opeisen en haar acteurs hoefden niet betaald te worden (…). De actualiteit vergde niets. Zij was een scharrelkip met gouden eieren en zonder vaste eigenaar. Wie haar het eerst bij de vlerken kon grijpen, was binnen.’
Zo dik als een baksteen lijkt Zwarte tranen in zichzelf al een daad van verzet. De keerzijde daarvan is dat het verstouwen van die baksteen ook iets van een opdracht heeft. 'Einde deel twee’ staat er dan nog eens onheilspellend onder aan bladzijde 513. 'Er komt meer, nog meer! Nog dieper! Nog harder!’ lijkt Lanoye te willen roepen.
ECHT HARD zijn de verhalen in Otaku van Ramses Meert. Sinds Hannibal van Thomas Harrison deze zomer heb ik niet meer zoiets engs gelezen. 'Grimmige sprookjes voor verdorven kinderen van nu’, schrijft de uitgever in het begeleidende persbericht. In plaats van de Hollandse spruitjeslucht stijgt uit Meerts debuut die van spinaziestoemp met braadworst op. Dit gerecht wordt geserveerd in rusthuis Never Mind The Bollocks, waar Bompa zijn kleinzoon enge verhalen vertelt. Geen gezellige kom-maar-lekker-dicht-bij-me-zitten griezelverhalen, maar sadistische horrorstory’s over lijkjes die ’s nachts Klein klein kleutertje ten gehore brengen, en over kinderen die zodra ze een broertje of zusje krijgen hun leven moeten afstaan.
Meert belijdt niet ostentatief het verdriet om België, maar als je wilt kun je het er wel in lezen. Bijvoorbeeld in het verhaal over de kindertjes die uit de postordercatalogus kunnen worden besteld. Een Kongolees jongetje in een Anderlecht-sportbroekje wordt gevoerd aan iets wat in een bassin in leven wordt gehouden. Vlak daarvoor lag hij nog te slapen op de bank, met een rolletje Smarties in zijn handen.
Ramses Meert schrijft over typen die hun opperste seksuele genot beleven terwijl ze elkaar villen, of in gevilde staat beminnen. In dezelfde adem kenschetst hij iemand als: 'Haar moeder was een Vlaamse kleuterleidster en haar vader een kwak sperma uit een postordercatalogus.’ Zijn personages zijn bezig 'van nul tot nul te komen en onderweg het noodlot flink te tarten’.
Het denkbeeldige en het bestaande brengt Meert griezelig dicht bij elkaar. Het is een zieke wereld, is de enige conclusie die rest na Otaku; vergeleken bij Meert zijn Olyslaegers en Lanoye opbouwwerkers.
En Brusselmans? Brusselmans schrijft voort aan zijn epos, het Guggenheimer-epos. Dit keer heeft zijn protagonist zich in het literaire bedrijf gestort, en hij zal niet rusten voordat hij de eerste drie plaatsen van de Vlaamse boekentoptien bezet. Brusselmans is leuk, maar niet leuk genoeg voor de ruim driehonderd bladzijden die zijn verhaal duurt. Ook hier de omineuze aanduiding aan het eind dat het hiermee nog lang niet afgelopen zal zijn. De volgende stap van Guggenheim zal richting politiek gaan. Immers: 'Het wordt tijd dat de politiek in de volgende eeuw terug in de handen komt van de echte venten en niet beheerst wordt door vrouwen, flikkers, padvinders, ideale schoonzoons en andere zeikerds zonder kloten aan hun lijf.’
HET IS EEN EN AL kut met kloten wat de klok slaat in jong schrijvend Belgenland. Seks moet blijkbaar met seks verslagen worden. Het vertoon van mannelijkheid kent bijna geen grenzen. Zo laat Brusselmans een van zijn personages in Uitgeverij Guggenheimer enorm tekeergaan met Monika van Paemel. Op de terugtocht naar huis moet deze geweldenaar een stukje tepel van Monika tussen zijn tanden vandaan peuteren.
Als bronstige beesten hijgen de Vlaamse schrijver en België elkaar aan. Wie heeft nou de grootste, that’s the question. De tragiek van het antwoord ligt in de vraag besloten. Het is namelijk nooit groot genoeg. Het kan altijd dieper. En harder. Wat dat betreft vraag ik me af of al die potentie zich niet beter ergens anders op kan richten. Op iets waar ik écht warm of koud van zou worden. Iets dat onheilspellende rillingen langs mijn ruggengraat naar mijn aars doet denderen, iets met mythische allure, en toch streetwise.