Televisie

Diepliggend fatsoen

TELEVISIE Keijzer & De Boer / Van Speijk

Twee kilometer ligt er tussen advocatenkantoor Keijzer & De Boer bij het Vondelpark en politiebureau Van Speijk bij het Mercatorplein. Beide hebben met wet en criminaliteit te maken, maar werelden scheiden hen. Dat geldt voor de buurten waarin ze zijn gelegen; voor hun personeel – zowel qua cultuur als inkomen; voor cliëntèle en zaken waarmee ze te maken krijgen, maar bovenal voor de stijl waarin deze dramaseries van respectievelijk kro/ncrv en Talpa/Tien zijn gemaakt. De beschaafde d66-omgangsvormen tussen de meesters in de rechten onderling en hun dito houding tegenover de klanten worden weerspiegeld in een rustige, esthetische filmstijl; in een geacheveerde manier van acteren – met besef van en gevoel voor de camera maar met een lichte echo van het theater; in een heldere, bijna educatieve afwikkeling van meestal twee ‘zaken’ per aflevering, plus een lijntje over privé-besognes van een der maten; in welgeformuleerde dialogen waarin argumenten tegenover elkaar worden gesteld; in onderlinge tegenstellingen die tot ergernis en botsing van opvattingen kunnen leiden, maar die uiteindelijk altijd op een nette manier worden opgelost, zonder te veel gezichtsverlies voor de verliezer en vaak door de wijsheid en beschaafde, nooit kwetsende humor van de oudere kantoorgenoten. Alle eeuwige en actuele sores, rottig- en smerigheid van de menselijke conditie passeren de revue, maar de vaste personages worden er niet wezenlijk door aangetast. Soms komen ze iets sadder uit casus of aflevering, maar gegarandeerd ook wiser. De weerbarstigheid van het bestaan wordt behandeld en getoond, maar Keijzer zelf, de tv-serie, blijft evenzeer een oase in de woestenij als het park en de buurt waarin het kantoor ligt.

Van Speijk speelt niet alleen in een armere, etnisch en cultureel gemengde buurt, met een gemiddeld veel lager geschoolde staf van vaste personages met bijbehorende directere omgangsvormen – de serie zelf spiegelt in filmstijl, camerabeweging, tempo, aantal verhaallijnen, heftigheid van emoties en wijze van acteren de hectiek van eigentijds stadsleven die ze behandelt. Die is niet nieuw – lees Het jaar 1901 van Louis Paul Boon, verhalen uit het politiearchief van Aalst – maar heeft andere, deels nieuwe vormen en inhoud doordat East and West nooit bij elkaar zullen komen maar wel in één portiek wonen. Van Speijk is net zo zeer of weinig uit het leven gegrepen als Keijzer. De auteurs van beide series lezen aandachtig en intelligent de krant en politie- en rechtbankverslagen, en ze verwerken actuele gevallen in hun scenario. Maar zo esthetisch als Keijzer blijft in inhoud en stijl, zo weerbarstig en rafelig is Van Speijk. Dat geeft een gevoel van grotere authenticiteit, die deels schijn is.

Van Speijks ‘felle realisme’-gevoel wordt teweeggebracht binnen vaak hoogst bedachte en onwaarschijnlijke verhalen. Wat niets afdoet aan de onmiskenbare amusementswaarde en het vakmanschap van de makers. Zo moet ik erg lachen om een stadsreiniger die aan een soort Tourette-syndroom lijdt waardoor geen zin zonder ‘kut’ kan, maar die wonderbaarlijk genezen wordt als bij een foeilelijk Mariabeeld de tranen gaan vloeien. Geestig is Van Speijk vaak, zelfs of juist in personages die het stempel ‘politiek correct’ van z’n leven niet zullen krijgen, ook al werken ze bij de politie. Maar wat de series, de ene bezadigd, de andere hyperactief, delen is uiteindelijk een diepliggend fatsoen, een soms expliciet, vaker impliciet moralisme – noem het humanisme. Van Speijk vind ik inhoudelijk en stilistisch iets spannender, al zitten er vaker zwakke plekken in. Hun kijkers zullen elkaar maar voor een deel overlappen, maar daar is weinig mis mee. Integendeel.