Dierbaar drekkig Dublin

James Joyce vertalen luistert zeer nauw. Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes weten dat donders goed. Stuur die mannen betaald naar Ierland voor méér!

In juli 1904 kreeg een 22-jarige, nog onbekende en straatarme Ierse schrijver een vorstelijk aanbod van The Irish Homestead. Wilde hij geen kort verhaal schrijven voor de krant, iets eenvoudigs en plattelanderigs dat de Homestead-lezers niet tegen de haren in zou strijken? Hij zou er een pond voor krijgen en hij kon een pseudoniem naar eigen voorkeur kiezen. Een pond was een klein kapitaal voor die schrijver, die van lening naar lening leefde en ervan droomde Ierland voorgoed te verlaten. Hij worstelde met een uitdijende roman met als werktitel Stephen Hero en hij had net een plattelandsmeisje in Dublin ontmoet, op wie hij hopeloos verliefd was: Nora Barnacle. Zou zij mee willen met hem, weg uit het roomse, hypocriete vaderland?

Op 13 augustus 1904 publiceerde The Irish Homestead het eerste verhaal van een reeks van tien, althans, dat was de bedoeling van de ambitieuze auteur. Die vertelling, Two Sisters, beschrijft een jongen die de dood van een oude priester probeert te verwerken. Die priester, zijn leermeester, gaat over de tong. Er was de laatste tijd, toen hij verlamd raakte door een beroerte, ‘iets eigenaardigs’ met hem aan de hand. Zijn geest brokkelde af en hij zat zachtjes voor zich uit te lachen in zijn biechtstoel. In zijn buurt, ging het gerucht, zouden kinderen niet veilig zijn geweest. De suggestie – nog immer actueel – is duidelijk en daarom was het een wonder dat The Irish Homestead dit verhaal publiceerde. Het pseudoniem dat de schrijver koos: Stephen Daedalus, met ae.

Medium james 20joyce

Lezers van James Joyce – want over hem heb ik het natuurlijk – kennen die naam maar al te goed. Stephen Dedalus (met een e) is de held van A Portrait of the Artist as a Young Man (1916) en de tweede held van Ullyses (2 februari 1922). De omschrijving ‘paralyse’ (= verlamming) komt al in de eerste alinea van Two Sisters voor en dat is niet toevallig. Aan een studievriend schreef Joyce over zijn plan tien verhalen voor de krant te schrijven: ‘Ik noem de serie Dubliners om de ziel te onthullen van die (…) verlamming zoals velen een stad ervaren.’ Aan zijn broeder en hoeder Stanislaus (Stannie) legde hij zijn schrijfdrijfveren uit. Stel je voor, schreef hij, dat je een man ziet die net niet onder een tram is gelopen. Als dat wel was gebeurd, dan zouden zijn handelingen en gedachten van vlak daarvoor opeens van groot belang zijn geworden voor de mensen die hem hadden gekend. ‘Dat is mijn idee van het belang van trivialiteiten die ik wil aanbieden aan die paar arme stakkers die mij later gaan lezen.’ Voor zo’n cruciale kleinigheid bedacht Joyce later de religieus getinte term ‘epifanie’.

De belangrijkste Joyce-biograaf Richard Ellmann noemt Two Sisters terecht een compromisloze vertelling. De verlamming van pater Flynn is een symptoom van de algehele verlamming van een gestoorde samenleving waarin de Ieren vastgeroest zaten. Zij leden ook aan een gestage geestelijke en lichamelijke achteruitgang, en de godsdienst deed haar eigen ondermijnende werk. Wat te doen? Dublin droeg het masker van een hoofdstad maar was in werkelijkheid een verstikkende, provinciale stad vol roomse hypocrisie. ‘Als je wilde slagen, moest je weg. Je kon in Dublin niets uitrichten.’ Die zinnen staan in het verhaal Een kleine wolk. Joyce voegde de daad bij het woord. Op 7 oktober 1904 ging hij met zijn vriendin Nora in ballingschap, weg uit ‘dierbaar drekkig Dublin’. Nog geen maand daarvoor had zijn tweede verhaal in The Irish Homestead gestaan, Eveline, een meesterlijke vertelling over ‘to be or not to be’, over weggaan of niet weggaan. Eveline Hill is winkelmeisje en huissloof na de dood van haar moeder. Haar vader is gewelddadig. Wat betekent ‘thuis’? ‘Ze keek de kamer rond en bekeek opnieuw alle vertrouwde voorwerpen die ze zoveel jaren lang eens in de week had afgestoft, zich afvragend waar ter wereld al dat stof vandaan kwam.’ Ze heeft een zeeman als vriendje dat in Buenos Aires een huis zou hebben. Haar stervende moeder had ze beloofd voor het huishouden te zorgen, maar met haar vriend wil ze de nachtboot naar het avontuur nemen. Dat dilemma weet Joyce in een paar bladzijden voelbaar te maken. Aan het slot is ze passief als ‘een hulpeloos dier’. Dat verscheurde gevoel (blijven of vertrekken?) overviel ook hem: zou zijn geliefde Nora wel of niet met hem meegaan? Ze ging mee, en ze bleef bij hem.

Dublin bleef een geliefde en een gehate provinciestad, die Joyce vergeleek met een mens die vier levensstadia doorliep, net zoals zijn personages in Dubliners: de kindertijd, de puberteit, het volwassen leven en het openbare leven. Hij sprak er zijn bevreemding over uit dat nog geen enkele schrijver de Ierse hoofdstad literair had geportretteerd. Hij wilde de Dublinezen schilderen als mensen ‘die verbannen zijn van het levensfeest’, zoals de geïsoleerde James Duffy in Een pijnlijk geval, die aan de rand van het bestaan blijft staan ondanks een korte affaire met een getrouwde vrouw en die later in zijn leven nog een indirecte trap na krijgt.

Kon Joyce niet positiever schrijven over het rooms-katholieke vaderland? Waarom verheerlijkte hij het verdorven Europa?

Het derde verhaal in The Irish Homestead, After the Race, verscheen een week voor Kerstmis 1904 toen Joyce al twee maanden in Pola, Oostenrijk zat, verder schreef aan Stephen Hero en ging lesgeven. Joyce was dan wel uit Ierland weg, Ierland bleef hem hinderlijk achtervolgen. Wat bleek? Veel Irish Homestead-lezers uit Dublin en omstreken hadden aanstoot genomen aan zijn verhalen. Wat moesten zij met een dementerende priester die ook nog losse handjes leek te hebben? Waarom schreef Joyce zo rechtstreeks en realistisch over onverantwoordelijke vaders en vluchters? Kon hij niet positiever schrijven over het rooms-katholieke vaderland? Waarom verheerlijkte hij ‘het continent’, het verdorven Europa? Waarom schreef hij in After the Race – een vertelling vol drank en kaartspelen – een zin op als ‘Die nacht droeg de stad het masker van een hoofdstad’? Voor de hoofdredactie van The Irish Homestead waren de ingezonden brieven duidelijk. Stephen Daedalus werd uit de kolommen geweerd en Joyce kreeg geen pond meer uitbetaald.

Dat weerhield Joyce er niet van om door te schrijven. In 1906 had hij Dubliners af, dacht hij, en hij stuurde zijn verhalen op naar een uitgever. Die accepteerde de bundel, maar de drukker maakte bezwaren, nog meer bezwaren en nog veel meer bezwaren. Het woordje ‘bloody’, dat vele Dublinezen dagelijks duizenden keren in de mond namen, moest eruit. En dat verhaal over die potloodventer, Een ontmoeting, was ronduit smerig en hoorde niet thuis in de bundel. Enzovoort en zo verder. Joyce gaf een beetje toe, maar nooit was het genoeg. Hij had het gevoel dat zijn Dubliners door alle concessies ‘een ei zonder zout’ werd. Daardoor duurde het nog tot 15 juni 1914 – vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog – voordat Dubliners, in een oplage van 1250 exemplaren, door uitgever Grant Richards werd uitgegeven. Nu is het een klassieker in de wereldliteratuur, toen reageerde Dublin bekrompen op het debuut van het literaire genie, dat zij eerder als provocateur en pornograaf zagen.

Dublinezen heet de nieuwe vertaling van Dubliners. Even slikken is de nieuwe titel van deze vertaling – meteen een statement – van het gepokte en gemazelde vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Om te zeggen dat deze toegewijde en stronteigenwijze joyceanen hun sporen wel hebben verdiend met hun eigenzinnige vertalingen van Finnegans Wake, Ulysses en A Portrait of the Artist As a Young Man is een eufemisme. Ze zouden een speciale Joyce-vertalersprijs moeten krijgen en minstens een paar jaar in betaalde ballingschap in Ierland moeten verblijven om nog meer van en over (vooral Ellmanns Joyce-biografie) de grootmeester te kunnen vertalen.

Dubliners is eerder vertaald door Rein Bloem. Die al te gebrekkige vertaling is in 2004 nogal halfslachtig herzien door Bindervoet/Henkes. Het zal goedkope uitgeverspolitiek zijn geweest. De openingszin (‘There was no hope for him this time: it was the third stroke’) ging toen in het Nederlands zo: ‘Dit keer geen hoop voor hem: beroerte drie maal…. de klok staat stil.’ Die krakkemikkige zin wijkt behoorlijk af van wat Bindervoet/Henkes nu vertalen: ‘Er was geen hoop meer voor hem dit keer: het was de derde klap.’ De stilstaande klok is verdwenen. De oorzaak dat deze vertaling zo sterk afwijkt van de vorige is onder meer dat de vertalers zich hebben gericht op de Norton Critical Edition van 2006. Wat opvalt is de veranderde woordvolgorde, maar nog meer de vertaling van ‘stroke’ als ‘klap’ (‘stroke’ verwijst ook naar ‘the clock strikes…’). Natuurlijk is ‘beroerte’ geen foute vertaling. Maar ‘klap’ is een gewaagdere vertaling. De klok staat in één klap stil. ‘Klap’ klinkt volkser en zo hebben de vertalers het volgens mij ook bedoeld. Hun hele vertaling, vooral de dialogen, is in een ‘gewoner’ en soms bewust ‘platter’ Nederlands, met hier en daar een vleugje dialect, waaronder het Westfries (‘kwatten’ voor spugen).

Wie nu denkt dat ik aan muggenzifterij en mierenneukerij doe, vergist zich. James Joyce kon over een woord vállen bij wijze van spreken. Het luistert zeer nauw bij hem, en zijn Nederlandse vertalers weten dat donders goed. De titel Dublinezen is een statement omdat dat woord – dat meteen de associatie ‘Jordanezen’ of ‘Hagenezen’ oproept – het volkse karakter van de hele bundel weerspiegelt. Ik bedoel: de verhalen gaan over doorsnee-Dublinezen en niet over ver boven het volk verheven ‘adellijke’ mensen. Het lange slotverhaal De doden van Dublinezen is grandioos, ook na vele herlezingen. Niet alleen wilde Joyce in dit kerstverhaal iets zeggen over de legendarische Ierse gastvrijheid, hij voerde ook een stilzwijgende discussie met kortzichtige en onbeschofte Ierse nationalisten.

Bovendien kent de vertelling een paar saillante autobiografische trekjes. De subtiele feestredenaar Gabriel Conroy schrijft boekbesprekingen in de pro-Engelse Daily Express, net als James Joyce, die zich heel goed kon vinden in Gabriels woedende uitval ‘ik ben ziek van mijn eigen land, doodziek’. Gabriels vrouw Gretta komt uit Galway in West-Ierland, net als Joyce’s vrouw Nora Barnacle. Als Gretta na afloop van het jaarlijkse feest het liedje Het meisje uit Aughrim hoort (Aughrim is een dorpje vlak bij Galway), is zij aangeslagen. Haar gestorven jeugdliefde zong dat liedje voor haar. Gabriel wordt alsnog jaloers op die dode jongeman, zoals Joyce jaloers bleef op de gestorven jeugdliefde van Nora. Het is een motief in Dublinezen: de doden die het leven van de levenden beheersen en beïnvloeden. Het kan dan wel overal in Ierland sneeuwen, het troebele verleden raakt nooit ondergesneeuwd.

Het lezen van Joyce blijft een taalavontuur, de lectuur van Dublinezen is een feest. Wat een verfrissende en taallenige bundel! De verhalen kunnen weer jarenlang mee in het Nederlands.