Dierbare herinneringen

De deskundige in de talkshow zie het zo mooi: dat niemand je betere herinneringen kon geven, dat je je goede herinneringen zelf moest maken. Dus schroefde ik de kap van het aquarium en stak ik mijn hoofd erin.
Uit de debuutbundel Soms feest van Pam Emmerik die in januari verschijnt bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.
WE LIEPEN OP de smalle weg naar de rivier, soms half in de berm als een auto moest passeren. En ik was me bij elke stap bewust van het feit dat het niet mocht wat we deden. Mijn moeder had het me nog zó op het hart gedrukt: goed op je nichtje passen en vooral niet bij de rivier spelen.

Maar ik had al niet meer geluisterd. Het was zo'n prachtige dag. Vogeltjes floten en de rivier lag in de verte te glinsteren als een koele belofte.
Ezzy liep naast me, puffend als een speelgoedlocomotiefje, het was ook zo warm, met een driftig gebaar veegde ze een streng haar uit haar gezicht.
Ik droeg een fles bij me met een brief erin. Die wilde ik in de rivier gooien bij gebrek aan zee. Goedbeschouwd maakt dat toch niet veel uit want op school had ik geleerd dat alle rivieren uiteindelijk in zee uitmonden. Wel een beetje voorspelbaar misschien, maar dat zal zo'n rivier toch mooi z'n reet roesten. Wie weleens aan het einde van de winter als het smeltwater uit de bergen naar beneden komt en de rivier aanzwelt tot een gulzig monster aan de oever heeft gestaan, de lucht grijs en massief als leisteen boven het kolkende water, die zal het beamen: een rivier doet gewoon wat-ie zelf wil.
De boodschappen die ik verstuurde waren nogal kort. En ik kreeg nooit antwoord, wat me hevig teleurstelde.
Hoi, ik ben bijna elf en heb de pest aan school. ik hou van lezen en tekenen, en jij? Vorige week heeft mijn vader mijn hamster doormidden gesneden. Hij bewoog nog even en toen niet meer. Groeten, Charlie.
De hamster had op tafel rondgescharreld terwijl mijn vader en ik een boterham aan het eten waren.
‘Ik wist niet dat dit mes zo scherp was’, had mijn vader mokkend gezegd.
Papi, onze hond waar een paar stukjes vanaf waren, gromde altijd heel erg als mijn vader hem wilde aanlijnen. Mijn vader beweerde dan dat Papi met andere honden wilde vechten als hij hem los zou laten lopen en dat hij hem daarom wel moest aanlijnen.
Zelf mis ik twee vingerkootjes van mijn rechtermiddelvinger, zodat ik met mijn rechterhand nooit een fatsoenlijk fuck you-gebaar kan maken, maar mijn moeder blijft volhouden dat ik toen ik klein was met mijn vingers tussen de deur gezeten heb en dat het nog veel slechter met me had kunnen aflopen als mijn vader toen niet zo snel met me naar het ziekenhuis was gereden, met mijn afgeknelde wijsvinger op een bedje van ijs, maar dat het ze helaas niet gelukt is om hem er weer aan te zetten.
'Wat hebben ze met dat stuk vinger gedaan?’ vraag ik.
'Verbrand’, zegt mijn moeder, 'had je soms een begrafenis verwacht?’
IK WAS ZO in gedachten verdiept dat ik niet gemerkt had dat Ezzy ondertussen in de berm was gaan zitten.
'Ik was moe’, zei ze met een beteuterd gezicht, 'je hoorde helemaal niet meer wat ik zei.’
Ik ging naast haar zitten. De koeien die even verderop de schaduw van een paar bomen trachtten te verleiden kwamen nieuwsgierig aangesjokt. We keken naar de koeien en de koeien naar ons.
'Wat zijn jodenmeisjes eigenlijk?’ vroeg ze toen opeens aan me. Mijn moeder verzucht als het haar tegenzit altijd 'Geef de jodenmeisjes maar de schuld’ en dat had blijkbaar indruk op haar gemaakt. Ik probeerde het zo goed mogelijk uit te leggen. Ze was even stil.
'Maar wat ís jood dan precies?’
'Dat zijn al die lui uit de bijbel, koning David, Esther en Sara, Mozes enzo, die zijn allemaal van ons’, verklaarde ik.
'Allemaal?’ vroeg ze begerig, 'Jezus ook?’ Op school was het Jezus voor en Jezus na, dus dat zou haar natuurlijk een mooie voorsprong geven.
'Jezus is een beetje een moeilijk geval, maar hij hoort er nog net bij’, besloot ik.
Bij de rivier gekomen trokken we onze schoenen uit.
'Alleen maar pootjebaden hoor’, zei ik. 'Als je te diep gaat kun je in een draaikolk terecht komen en dan verdrink je. Weet je Teus nog die laatst eieren kwam bezorgen? Die heeft me zelf verteld dat hij hier een keer ging zwemmen en toen voelde dat er iets aan zijn tenen knabbelde, een haai! dacht hij eerst, maar dat kon natuurlijk helemaal niet en voordat hij een beetje verder kon nadenken werd hij al naar beneden gezogen, gelukkig wist hij van zijn broer wat je in zo'n geval moest doen: je moet je armen en je benen intrekken tot je rond bent als een kanonskogel en als je dan helemaal onderin de draaikolk terechtkomt word je d'r weer uitgeslingerd, maar je moet je helemaal koest houden en niet tegenspartelen, echt helemaal koest anders verzuip je, als je bang wordt en je gaat verzetten dan verzuip je juist, dat was wat Teus zei.’
Ezzy liep een beetje weifelend het water in. Toen een golf van een passerend schip haar omverwierp ging ze kopje onder. Ze schreeuwde het uit. Met twee stappen was ik bij haar.
'Trek mijn T-shirt maar aan’, zei ik nadat we een tijdje op het gras gezeten hadden en ze wat tot bedaren was gekomen. Haar gezicht klaarde op.
Het was dan ook een heel mooi T-shirt, felblauw met een grote gele smile erop, en mijn naam in fluwelen strijkletters. Toen we weer in het dorp kwamen kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om het terug te vragen, zo trots liep ze er mee rond. Hoewel mijn borst nog plat was als die van een jongen keken de mensen op straat afkeurend naar me. Ezzy was zich nergens van bewust en glimlachte stralend tegen iedereen die ondanks zichzelf voor die glimlach bezweek en teruglachte. Zoniet mijn moeder. Die was razend.
HET BEELD VAN die middag, wij tweeën langs de kant van de weg, de zomerse nevel die het zonlicht uiteenrafelt, het geluid van een tractor die wendt en keert op een akker ver weg, zou nog vaak terugkeren in mijn dromen. Gebeurtenissen die in een vreemd en helder licht plaatsvinden vormen het materiaal waaruit zulke dromen ontstaan, maar zonder de droom was de herinnering aan de gebeurtenis waarschijnlijk voor altijd verdwenen. Het is bijna alsof de droom er eerst was en daarachter pas de herinnering aan de gebeurtenis schuilgaat.
De droom is gewoon een stuk realistischer, als dat tenminste iets is wat je van een droom kunt zeggen. Hé, ik had nogal een realistische droom, vannacht! Niet iets wat echt opzien baart, ’s ochtends aan de ontbijttafel.
HET HEK KNARSTE toen ik het openduwde. We liepen over het grint naar de voordeur. Mijn moeder drukte op de bel, die een doordringend gezoem liet horen. Een in het wit geklede vrouw opende de deur. Ze wisselde een paar woorden met mijn moeder, daarna glimlachte ze tegen mij. Ze ging ons voor door een lange schemerige gang. Mijn spekzolen piepten op het linoleum alsof ik bij elke stap op een nest jonge muizen trapte. Bij een deur met het cijfer negen erop hield ze in. Mijn moeder en ik gingen naar binnen. De vrouw sloot de deur achter ons.
Het daglicht verblindde me. Ik kneep mijn ogen dicht. Toen ik ze weer opendeed zag ik mijn tante. Ze lag in bed en telde gehaast op haar vingers, alsof ze een moeilijke rekensom narekende. 'Charlie is ook meegekomen, Ruth’, zei mijn moeder, die op een stoel naast het bed was gaan zitten.
'Hoe gaat het, Ruth?’ vroeg ik verlegen. Ze keek me onbewogen aan. Ik ging op het puntje van het bed zitten en haalde een plaatje uit mijn broekzak dat ik zorgvuldig gladstreek voor ik het aan haar liet zien.
'Kijk Ruth, Johan!’ Cruyff was onze held. Mijn tante en ik moedigden hem altijd samen aan. Een schaal chips, cola, en laat Johan dan maar voetballen!
'Ze spelen vanavond tegen Duitsland!’ zei ik. Ik dacht dat het haar misschien wel zou interesseren. Maar ze reageerde niet. Er bungelde een draadje spuug aan haar lip. Een zuster kwam langs met een wagentje met drankjes. Ik blies bellen in mijn chocolademelk. Nadat de zuster ons gewaarschuwd had dat het bezoekuur voorbij was, kusten we Ruth op beide wangen.
'Ik laat Johan hier’, fluisterde ik in haar oor. Bij de deur draaide ik me om. Ze was opnieuw verdiept in een rekensom. Opeens keek ze me recht aan en stak beide armen in de lucht, haar ene hand tot een vuist gebald, de andere met drie vingers omhoog.
'Ruth denkt dat het 3-0 wordt vanavond, mam’, zei ik toen we naar de auto liepen. 'Laten we het hopen’, antwoordde mijn moeder.
ER BESTAAT EEN FOTO waar ik op sta samen met mijn oom en tante, een jaar of zes voordat Ezzy geboren werd. Mijn oom zit links op de foto, hij heeft een smal snorretje en steunt met zijn elleboog op de keukentafel, een sigaret tussen zijn vingers geklemd.
Ik zit helemaal rechts op een witte keukenstoel, met de jas van mijn tante, een raar pluizig jaren-zestigmodel, als een stola om mijn schouders geslagen. Mijn tante zit tussen ons in, iets achter ons. Boven haar hoofd staan drie blinkend schoongeschuurde pannetjes op een plankje.
Deze situatie is grappig, moet iemand gedacht hebben, grappig genoeg om er een foto van te maken. Maar de fotograaf heeft te lang geaarzeld met afdrukken, de enscenering is verstoord geraakt door het wachten en zo legt de foto iets bloot van het leven dat zich onder de oppervlakte afspeelt, rauw en vol hunkering. Welke prijs ga ik betalen voor deze herinnering? lijken de gezichten uit te drukken, en: kan het ook op afbetaling?
MIJN OUDERS deden thuis ook hun best om het beeld intact te laten lijken en de barst die er doorheen liep gewoon te negeren.
'Ik lust best een borreltje’, zei mijn vader openhartig, terwijl hij zijn tennismakkers die met rooie knieën van het gravel rond de barbecue in onze achtertuin stonden op de schouders sloeg.
'Ik hou wel van een glaasje’, zei mijn moeder ondertussen in de keuken, haar tong zorgvuldig mennend, tegen haar vriendinnen die tegen de bar leunden. Dus had ik altijd voldoende flessen om mijn boodschappen in te versturen.
Soms liep het uit de hand. Een kudde van 74 olifanten heeft minstens vier mensen gedood tijdens een twee dagen durende vernielingstocht. De dieren waren dronken en op zoek naar brouwerijen waar een bepaald bocht van wilde planten wordt gemaakt door de lokale bevolking. Tijdens die zoektocht naar drank hebben de dieren ook nog eens vijftig mensen verwond en werden huizen en graanoogsten vernield.
Na zo'n periode haalde ik voor ons allemaal eten bij de Chinees. Mijn broertje en ik zaten in de keuken te eten toen mijn vader zijn beklag kwam doen.
'Lust ik niet’, verklaarde hij en hield beverig een half afgekloven satéstokje omhoog waar de pindasaus van afdroop.
'Varkensvoer’, beaamde mijn moeder, die ook net aan kwam lopen. De afkeer verbroederde ze niet.
'Jij kunt het best eten’, zei mijn vader tegen mijn moeder, 'al ben je dan een joods varken.’
David was al met zijn eten onder tafel gekropen. Ik liep het huis uit en verstopte me onder een grote conifeer in de voortuin. Het was een warme zomeravond die bijna onmerkbaar overging in een zomernacht. Ik moest aan Indonesië denken, aan de Stille Kracht. Uit het huis kwam het geluid van huisraad dat bezweek. Mijn gymschoenen staken vreemd wit onder de conifeer uit.
NA EEN JAAR werd mijn tante genezen verklaard. Met Ezzy en een man die ze langs de kant van de weg had opgepikt ging ze in Amsterdam Oost wonen. Ze kocht een papegaai die niet kon praten. Ze hield niet langer van voetbal. Ze werd heel snel kwaad. Ik dacht dat het door de medicijnen kwam dat ze zo veranderd was. Ze maakte gewoon met iedereen ruzie. Waar zij binnenkwam schiftte de mayonaise.
Eef, de man met wie ze samenwoonde, nam alles wat hij op straat kon vinden mee naar huis. Van alle spullen die aan de kant van de weg gezet waren omdat ze kapot gegaan waren, een tikkeltje beschadigd geraakt waren of gewoon de verlangens van hun eigenaar niet langer konden bevredigen, bouwde hij een inpandig fort waarin nauwelijks nog ruimte overbleef om rond te kunnen lopen. 'Jezus wat een hol’, zei mijn moeder de eerste keer dat we op bezoek kwamen geïmponeerd. Je kon nog net bij de wc komen, en de keuken, als je daar tenminste moeite voor zou willen doen.
'Ik sta erop dat dít mogelijk blijft’, verklaarde mijn tante vastberaden, en schonk ons een zeldzame glimlach. Zelf had ze besloten haar creatieve gaven eindelijk de vrije loop te laten. Ze beschilderde alle plafonds met grote grijnzende januskoppen die beschenen werden door gekleurde gloeilampen die voortdurend aan en uit floepten.
Op een keer kwam ze met Ezzy en een nieuwe vriend langs in een verbouwd volkswagenbusje waarmee ze een reis naar Marokko zouden gaan maken. Mijn tante had Ezzy’s haar met henna knalrood geverfd. Toen ik haar ermee plaagde sprongen de tranen in haar ogen.
'Het was maar een geintje’, zei ik ontdaan. We gingen naar mijn kamer. Liggend op bed aten we een hele zak drop leeg.
'Vreemd hè’, zei Ezzy kauwend, 'het maakt eigenlijk geen moer uit waar je bent.’
'Nee’, heb ik geantwoord, 'als je d'r maar bent.’ We zijn in lachen uitgebarsten.
Toen het busje langzaam onze straat uitreed hield Ezzy haar handen plat tegen de achterruit geperst. Het was de stevigste groet die ik ooit kreeg.
MIJN VADER HAD in die tijd juist een lucratief handeltje in spinnewielen opgezet dat hem veelvuldig in contact bracht met hobbybeluste huisvrouwen die hij het bed in praatte onder het mom van serviceverlening.
'Moet kunnen’ zei hij smakkend aan het ontbijt, 'dit zijn de jaren zeventig, niet toch?’ En hij beschreef zijn escapades met Betty of Gemma of Ineke of Moniek onder het mom van seksuele voorlichting. Wij aten zwijgend onze beschuitjes.
Het jaar daarop ging hij een cursus fotografie doen. Hij maakte een hele serie foto’s van mijn moeder die op de bank in slaap gevallen was. Elke avond minstens één. David en mij fotografeerde hij het liefst als we huilden. Hij was ook niet te beroerd om ons voor een foto aan het huilen te maken. Je zou kunnen zeggen dat hij het thematisch aanpakte.
Zijn vriendinnen fotografeerde hij voornamelijk in bed. Het was pas veel later dat ik erachter kwam dat zulke foto’s beavershots genoemd worden.
ZODRA HET KON ben ik uit huis gegaan. De eerste maanden opende ik mijn post niet, nam de telefoon niet op, ging bij niemand op bezoek. Het was gewoon de op een na beste mogelijkheid om te verdwijnen die ik op dat moment kon bedenken.
Elke ochtend ging ik naar mijn baantje op de distributieafdeling van een zuurdesembakkerij waar ik 25 broden aftelde, in een krat stopte en de kratten vervolgens opstapelde. ’s Avonds zat ik bij het licht van mijn aquarium, dronk bier en concentreerde me op de oneindigheid in het aquarium. De oneindigheid is immers overal.
Maar eenmaal dronken verloor ik mijn concentratie en speelde ik de scènes uit mijn jeugd na als een exotisch schimmenspel.
'Hoewie’, brulde mijn bravoure, die muis, tegen mijn olifant, de redeloze angst dat iemand die mij zou doorzien nooit van mij zou kunnen houden, 'wat stampen we, hè?’
Af en toe druppelde er nieuws over Ezzy door. David kwam een keer langs in de bakkerij en vertelde me dat haar vriendje had gedreigd om haar open te snijden als ze het uit durfde te maken, het had geklonken alsof die jongen wist waar hij over praatte, zodat ze sindsdien nergens meer heen kon gaan zonder de angst dat hij haar stond op te wachten.
Vanaf dat moment, als ik aan haar dacht, zag ik haar voor me met een groot litteken van haar schaambeen tot aan het kuiltje in haar hals, met van die kleine symmetrische hechtingen.
OP EEN KEER kwam ik haar tegen in de stad. Ze liet niet veel los. Iets met een vriend die doorgedraaid was en een overdosis had genomen. Het scheen allemaal in de krant gestaan te hebben. Ze vroeg zonder me aan te kijken of ze wat geld van me kon lenen en ik heb haar alles gegeven wat ik op dat moment bij me had.
'Weet je nog’ zei ze toen, 'die keer dat ik kopje onder ging in de rivier en jij me gered hebt?’
'Nee, niet echt’, loog ik.
Ze glimlachte zwakjes naar me. 'Nog bedankt voor het geld, dan’.
'Pas goed op jezelf’, mompelde ik, terwijl mijn hand als een onaffe herinnering op haar schouder lag.
Die nacht werd er opgebeld. Al voor ik opnam wist ik dat zij het zou zijn. Ze fluisterde dat ze in de nesten zat, dat ze echt ten einde raad was.
'Ik denk niet dat dat ik je kan helpen’, heb ik geantwoord voor ik ophing.
Ik viel weer in slaap en had een nogal onrealistische droom over een etentje waarbij de kok voor iedereen van die papieren kanten dingen die gewoonlijk onder taarten gelegd worden had gefrituurd en met poedersuiker bestrooid. Hij prees zijn lekkernijen vol vuur aan en begon steeds ongelukkiger te kijken toen niemand er een nam en daarom probeerden we ze uiteindelijk toch maar en verdomd, het viel niet eens tegen zeiden we tegen elkaar en de kok stond erbij te glimmen van genoegen dat we het zo lekker vonden, had ik het niet gezegd? vroeg hij keer op keer en wij knikten allemaal om hem dat pleziertje te gunnen. Op dat moment werd ik wakker en zag op de wekkerradio dat ik maar een paar uur had geslapen. Ik dacht aan het telefoongesprek en kon niet meer in slaap komen.
HET WAS NOG STIL op straat. De zon likte aan de daken zonder warmte af te willen geven. Ik kon Ezzy natuurlijk nergens vinden. Ik besloot het later op de dag, als de cafés en coffeeshops open zouden zijn, nogmaals te proberen. Misschien dat ik dan meer geluk zou hebben.
Thuis zette ik koffie. De warmte in de keuken maakte me slaperig. Ik begon te voelen dat ik te weinig geslapen had. Mijn gedachten draaiden rond als in een carrousel. 'Stom stuk vreten’, krijsend kwamen ze voorbij. Ik had verwarde gedachten over Ezzy, over mijn ouders, mijn tante, mijn broertje en ook over mezelf. Over iedereen zo'n beetje, eigenlijk.
Ik dacht ook aan iets dat ik een paar dagen eerder een deskundige in een talkshow op tv had horen zeggen. Ik had niet geweten waar het programma precies over ging, maar op een gegeven moment had zij op een vraag uit het publiek iets geantwoord wat me bijgebleven was. Ze had gezegd dat niemand je betere herinneringen kon geven, dat je het zou moeten doen met de herinneringen die je had. Het enige wat je wel kon doen, had ze er nog aan toegevoegd, was almaar doorgaan met het maken van nieuwe herinneringen, die dan hopelijk van betere kwaliteit zouden zijn dan de oude. Iedereen had geapplaudiseerd en de presentatrice van het programma had zo voldaan gekeken alsof ze het zelf verzonnen kon hebben. Eigenlijk klonk het vooral als iets dat ouders hun kinderen konden voorhouden, zonder zelf precies te hoeven weten wat het inhield. Een zoethoudertje, dus. Maar zelfs dan was het toch nog beter dan niets, overwoog ik en besloot haar advies op te volgen.
Dus heb ik de kap van het aquarium eraf geschroefd en mijn hoofd erin gestoken. Eerst schrokken de goudvissen nogal, maar al gauw kwamen ze nieuwsgierig dichterbij. Als ik mijn hoofd bewoog zwaaide mijn haar zachtjes heen en weer als een bijzonder soort zeewier. Af en toe moest ik natuurlijk even ademhalen, maar daarna stak ik meteen weer mijn hoofd in het aquarium. Zo hield ik het een hele tijd vol. Mijn moeheid was op slag verdwenen. De vissen leken er ook snel aan te wennen. Eentje knabbelde er zachtjes aan mijn neus, mijn lippen. Het was heerlijk rustig onder water. Ik blies aan één stuk door prachtige luchtbellen. En ergens vertrouwde ik er gewoon op dat dit een mooie herinnering zou gaan worden.