J.M. Coetzee, Dierenleven

Dieren begrijpen de dood niet

Mogen wij beesten genadeloos afslachten? Over deze vraag debatteren de personages in Coetzees ‹Dierenleven›. Een korte roman die pijn doet.

De Australische romanschrijfster Elisabeth Costello is uitgenodigd door de universiteit van Appleton om een lezing en een gastcollege te komen geven. Aan dezelfde universiteit is haar zoon John als hoofddocent natuur- en sterrenkunde verbonden. Johns vrouw Norma is een werkloze filosofe. Elisabeth heeft te kennen gegeven niet over haarzelf of haar werk te willen praten, maar over dierenrechten. Elisabeths bezoek verloopt stroef en onbevredigend, zowel professioneel als persoonlijk. Wanneer zij drie dagen later weer vertrekt, heeft ze niemand kunnen overtuigen van haar ideeën over dierenmishandeling, dierproeven en vegetarisme.
Elisabeth is geen begenadigd spreekster. Haar argumenten zijn zwak en lijken zelfs goedkoop, vooral waar zij parallellen trekt tussen de dood van miljoenen joden in Duitse concentratiekampen en het leed dat dieren wordt aangedaan in bio-industrie, abattoirs, laboratoria en tijdens veetransporten. Zij wordt aangevallen door de dichter Abraham Stern, die haar verwijt de geijkte vergelijking tussen de vermoorde joden in Europa en willoos slachtvee te hebben overgenomen, waarmee zij de nagedachtenis aan de doden beledigt.
Hij heeft Elisabeth echter niet goed begrepen: de vergelijking betreft niet de slachtoffers, maar de getuigen. Waar het haar om gaat, is het feit dat mensen die in de omgeving van de kampen leefden weliswaar wisten wat zich daar afspeelde, maar bewust verkozen om dit niet te zien. Zij meent dat wij ook zo leven, omgeven door een onophoudelijke en grootschalige onderneming in vernedering, wreedheid en moord, waarvoor wij even gemakkelijk de ogen sluiten.
Grote schuldige hieraan is volgens Elisabeth de taal, die mensen filosofische argumenten schonk om hun superioriteit ten aanzien van dieren te bevestigen. Door aanwending van de rede konden mensen de wetten doorgronden waarmee de schepping werkt en dachten zij te kunnen bewijzen dat rede en schepping tot dezelfde essentie behoren. Dieren, die niet over rede beschikken, kunnen de schepping niet begrijpen maar slechts blindelings volgen. Waar de mens deel uitmaakt van de essentie van de schepping, wat hem in eigen ogen een goddelijke status verleent, zijn dieren gedoemd als slaaf te worden gebruikt en met onverschilligheid en minachting te worden bejegend.
Voor Elisabeth vertegenwoordigt de rede slechts één bepaalde tendens van het menselijk denken en staat deze voor een nogal enge, zichzelf in stand houdende intellectuele traditie die loopt van Plato via Thomas van Aquino naar Descartes en Kant. Met Kafka’s verhaal Een verslag voor een academie als rode draad, waarin de aap Rode Peter zijn droevige levensverhaal presenteert aan een gezelschap van geleerden, tracht Elisabeth de filosofische visie op menselijkheid te ondergraven. Niet-denkende wezens zijn daarin tweederangs, en hoewel mensen in staat zijn om romanpersonages te scheppen die niets met hen gemeen hebben, proberen zij zich niet in de ervaringswereld van het dier in te leven. Dieren zien hun omgeving op een manier die bij hun lichamelijke zijn hoort, zij hebben hun eigen verklaringen over de wereld die in overeenstemming zijn met de structuur van hun eigen geest. Tegenover het denken en het bespiegelen stelt zij het vervuld en belichaamd zijn; tegenover het bewustzijn dat als een redeneermachine gedachten produceert, stelt zij de gevoelsmatige, lichamelijke sensatie van het zijn. Tegenover de kunstmatigheid en leegheid van de mens stelt zij de volheid en volledigheid van het dier. Mensen missen het vermogen om door te dringen tot de ongeabstraheerde, niet-intellectuele aard van het dierlijke zijn: alleen dichters kunnen dit omzetten in woorden en terugbrengen tot de taal.

Elisabeth is geen voorstander van wat zij «het dierenrechtengedoe» noemt, omdat dit wordt opgehangen aan mijmerende gorilla’s, sexy jaguars en knuffelpanda’s. Het lot van koeien, varkens en kippen, om niet te spreken van zalmen en garnalen, laat mensen onverschillig omdat het op zich geen nieuwswaarde heeft. De dieren die wij eten, worden door ons slecht behandeld omdat wij ze verachten, en we verachten ze omdat zij niet kunnen terugvechten. De kuddes die wij achter prikkeldraad houden zijn in feite onze krijgsgevangenen die in slavenkolonies op de dood wachten.
Tijdens het slotdebat moet Elisabeth haar ideeën verdedigen tegenover de hoogleraar filosofie O’Hearne, die opmerkt dat het leven voor dieren niet zo belangrijk is als voor de mens, omdat zij de dood niet begrijpen. Ook bij mensen schiet op dit punt de verbeelding te kort en dit fiasco van de verbeelding is de basis van een doodsangst die bij dieren niet bestaat. Dieren leven en sterven en dat is alles. Elisabeth werpt tegen dat dieren in doodsnood met hun hele wezen voor hun leven vechten. Die strijd mist inderdaad een dimensie van intellectueel of verbeeldingsvol afgrijzen, want dat ligt niet in de zijnsvorm van dieren: hun hele zijn ligt in het levende vlees. Impliceert dit dat wij dieren genadeloos mogen afslachten?

In zijn roman Disgrace (In ongenade, 1999) schreef J.M. Coetzee al schokkende pagina’s over het trieste lot van zwerfhonden die met een spuitje uit hun lijden worden verlost. In Dierenleven concentreert de auteur zich volledig op de vraag naar de rechten van het dier en de positie die de mens tegenover dieren inneemt. Achter die vraag roept Coetzee de westerse filosofie met haar blinde verheerlijking van de rationele mens ter verantwoording. Coetzee kiest vaak voor de dialoog en hij schrijft in een sobere, bijna on-literaire stijl, alsof de complexiteit van het probleem alleen met een zekere afstandelijkheid kan worden weergegeven. De diverse personages verwoorden alle argumenten in een discussie waarvan de implicaties slechts weinigen bezighouden.
Drie dagen lang heeft Elisabeth haar argumenten uiteengezet bij drie verschillende gelegenheden: een lezing, een gastcollege en een debat. Niemand heeft haar begrepen of bijgestaan, ook haar zoon niet, die verklaart haar niet te kunnen volgen en haar met een zekere opluchting weer ziet vertrekken. Haar schoondochter Norma beschuldigt haar ervan met pseudo-filosofische argumenten een persoonlijke fobie tot een algemeen taboe te maken. De wetenschap noch de filosofie lijkt zich te willen verdiepen in wat Elisabeth als een mens onterende moordpartij en een misdaad van verbijsterende omvang ervaart. Maar de hier en daar krakkemikkige, soms zuiver gevoelsmatige argumenten die zij stelt tegen over de rationele scherpzinnigheid van haar opponenten werken uiteindelijk in haar voordeel, want Elisabeths onbeholpen zwakte is de kracht van Coetzees boek. De auteur probeert nergens te overtuigen, hij laat de lezer vrij om zelf een oordeel te vellen. Hopelijk zal de lezer het gevoel van twijfel en onbehagen bijblijven dat hem tijdens het lezen van Coetzees korte roman meermalen overvalt. Dierenleven is, meer nog dan Coetzees eerdere romans, een boek dat pijn doet.

J.M. Coetzee
Dierenleven
Vertaald door Joop van Helmond en Frans van der Wiel. Uitg. Ambo, 96 blz., ƒ32,50