Dieren doden

Tot mijn tiende jaar hield ik zielsveel van dieren. Dode dieren. Ik was gefascineerd door hun levenloze lichaampjes en gesloten oogjes. Als de mannen weer eens van de jacht terugkwamen, was het altijd feest. Uit hun tassen van ruwe en geurige stof kwam een bont assortiment van donzige en slappe lichaampjes te voorschijn.

Mijn handen graaiden gulzig in al die vergane leventjes, warmden zich aan een restje lauwheid onder de zachte veren en zochten naar de kleine wonden. Ik aaide rug en buikjes en keek verbaasd naar de gerimpelde tongetjes die soms uit de snavels hingen. Af en toe lukte het me om ongemerkt een dode vogel aan de drinkende jagers te ontfutselen. Dagenlang hield ik het beestje dan in mijn jaszak en speelde ermee in mijn bed. Maar mijn liefde voor dode dieren was vanzelfsprekend vele malen intenser wanneer ik ze persoonlijk van hun leven had beroofd.
Het minst erg en dus het minst opwindend was de reguliere dood, de executie van konijnen en duiven die voor de stoofpot of het civet bestemd waren. De buren - een bejaard echtpaar dat naar urine en eau de cologne rook - hadden hiervoor minstens twee keer per maand mijn assisterende jonge handen nodig. Een konijn in één klap doden was niet moeilijk. Ik bezat al genoeg kracht om in één poging, met de snijkant van mijn rechterhand, het aan zijn achterpoten vastgebonden en hangende beest uit zijn lijden te verlossen. Een duif bewerken was veel ingewikkelder. Je moest het nekje omdraaien door het hoofdje onder de vleugel van de vogel te plaatsen. Vaak was na een volle minuut het dier nog niet bewusteloos, of vloog het op halve kracht plotseling uit mijn handen weg, waarna een weinig glorieuze achtervolging werd ingezet. Het zal wel duidelijk zijn dat ik niet echt van duiven hield.
Wel van hagedissen en padden. Met die twee kleine exemplaren uit de schepping heb ik ongeveer alles uitgehaald wat het perverse hoofd van een inventief kind kan verzinnen. Als reïncarnatie en karmische wetten daadwerkelijk bestaan, vrees ik het ergste voor mijn volgende honderd levens. Ik heb die beestjes verbrand, verpletterd, vastgenageld, ingemetseld, tot ontploffing gebracht, opgehangen. De schaamte verhindert me om meer in details te treden. Maar één geval dat mijn geperverteerde geest had bedacht wil ik bij wijze van boetedoening wereldkundig maken.
Ik had net een mooie en vette hagedis gevangen en besloot de natuurwetten te tarten. Ik moest en zou bewijzen dat konijnen niet alleen groente lustten maar ook vlees - dat van sappige hagedissen welteverstaan. Ik haalde een groot slablad uit de moestuin van mijn vader, rolde de levende hagedis erin en bond het geheel zo strak dicht dat er zelfs voor een konijn geen bewegingen meer waarneembaar waren. Ik gaf het gevulde slablaadje aan het grootste dier dat mijn vader in zijn konijnenhokken hield. Tot mijn verbazing en toch ook afschuw verdwenen binnen enkele seconden sla en levend vlees tussen de kauwende kaken van het konijn. Gedurende een kort ogenblik zag ik nog hoe de staart van de hagedis aan de lip van het konijn lilde.
Ik meen me te herinneren dat ik de volgende nacht niet echt goed heb geslapen. Maar voor een kind dat midden in de Algerijnse oorlog is geboren en voor wie tot zijn zesde de gruwelijkst denkbare wreedheden dagelijkse kost zijn geweest, weegt de dood van een eenvoudige hagedis niet erg zwaar. Daarom vatte ik op een dag - ik moet tien jaar geweest zijn - het plan op om een kat te doden. Dat was pas echt groot werk, dacht ik. Ik had het op een jonge kat gemunt die zich in onze buurt ophield. Nietsvermoedend liet het beest zich vangen. Met de kat stevig onder mijn arm geklemd beklom ik de cementen trap van een flatgebouw dat al enkele maanden naast ons huis in aanbouw was. Mijn bedoeling was om de kat van de vierde verdieping van het gebouw te laten tuimelen. Zou hij op zijn pootjes terechtkomen? In mijn borstkas voelde ik bij elke volgende trede een snijdend gevoel van schuld in volume toenemen. Een zwarte ballon gevuld met lijkenlucht. De kat die tegen mijn borst was gedrukt moet dit ook hebben gevoeld. Op de derde verdieping aangekomen keek hij me aan, krabde, beet diep in mijn handen en vloog als een duif weg.
Ik heb daarna nooit meer een dier gedood. Want in de ogen van de kat zag ik iets afschuwelijks. Iets dat mij vandaag nog van angst doet sidderen. In die pupillen ontwaarde ik honderden andere beschuldigende blikken. Van opengereten padden, verschroeide spinnen, verpletterde krekels. genekte konijnen, gestenigde mussen en, vooral, die van een half opgekauwde hagedis in een slablaadje.