Dieren eten

Op de middelbare school vertelde een leraar biologie dat Arabieren sprinkhanen eten - aten, en in de stilte die viel richtten de leerlingen langzaam hun geschrokken ogen op mij, alsof ze wilden zien of niet nog een pootje aan mijn lippen was blijven hangen of mij op dat moment een boer zou ontsnappen. Ik betreur het te zeggen dat geen van beide gevallen zich voordeed.

Hij had ook kunnen zeggen dat ze hagedissen eten - aten, hij sprak over bedoeïenen in tijden van honger. Ik denk dat ze in dat geval in een kring om mij heen waren gaan staan wanneer ik tijdens de pauze mijn broodtrommel opende.
Hij had ook kunnen vertellen dat bedoeïenen, vooral de vrouwen onder hen, hun haren wasten met de urine van kamelen en dat de urine ook werd gebruikt in een bepaalde drank, vervaardigd uit onder andere kamelemelk die tegen koorts zou helpen. Ik vraag me dan af wat hun reactie zou zijn geweest als ik weer eens absent was wegens ziekte.
Wel heb ik lieveheerbeestjes gegeten, maar dat was per ongeluk toen ik in korenvelden speelde.
En vliegen, wanneer ik, in jongere jaren, met open mond sliep. ‘Vliegeneter’, zo wordt in het Arabisch iemand ook genoemd die met open mond slaapt. In de drukke wagons (vierde klas) van de treinen in Marokko van voorheen hebben wij ons vaak geamuseerd met zulke sluimeraars. Bij kinderen stopten we af en toe mieren in de mond.
Struisvogelvlees ook. Dat was in de tijd dat ik in de spoelkeuken van Krasnapolsky werkte.
Over struisvogels gesproken - de pre-islamitische bedoeïenenliteratuur geeft een beeld van groene en regenrijke tijden in de woestijn vroeger. Er zijn prachtige beschrijvingen van onagers - een mannetje dat met een harem wijfjes op zoek gaat naar water, alwaar een jager met boog en pijlen hen opwacht.
Van struisvogels die hun eieren behoeden tegen vijanden. Arabieren dachten dat struisvogels kiezels en stenen aten. In een gedicht van Dhu Rumma wordt een struisvogel die de grond afgraast, vergeleken met een Abessijn die gebukt een spoor aftast.
En er is altijd oog voor detail. In majestueuze en wrange beschrijvingen van weidse woestijnen waar de zon ongenadig is en mirages een schijn van verkoeling bieden (aal of saraab worden deze mirages genoemd en vergeleken met mensen in de verte die hun natte was ophangen), dwaalt het dichtersoog naar een sprinkhaan die op een kiezelrijke grond een steen probeert te beklimmen en geeft aanleiding tot deze ronkende, onomatopoëtische regel:
Mu'rauriyan ramadha 'r-radradhi yarkudhuhu
Bestijgt zadelloos, sporend, de hitte van het kiezelveld
De herhaling van de 'r’ geeft niet altijd het geluid van de sprinkhaan weer, maar ook het onmetelijk aantal stenen. 'Zadelloos’ is kostelijk, een drang tot precisie, die de Arabische taal al te graag dient.