Natuurfilms die ons voor de gek houden

Dieren kijken

De wildernis is een verloren zaak. Met kunstmatige natuur in dierentuinen, webcamera’s in natuurparken en dierenrobots in speelfilms houden wij onszelf voor de gek. En dat doen we graag.

Het kijken naar dieren verandert. Met het verdwijnen van echte wildernis en in het wild levende dieren neemt de belangstelling voor het beeld van het wilde dier rechtevenredig toe. Natuurfilms floreren als nooit tevoren. Gespecialiseerde televisiekanalen brengen dagelijks van vroeg tot laat steeds uitbundiger natuurbeelden. Internet zit vol met wildlife. Op ieder gewenst moment is het mogelijk om via het eigen computerscherm mee te kijken door een van de permanent observerende camera’s in Afrikaanse natuurparken. Dierentuinen investeren vermogens in vernieuwde presentaties waarbij de natuur zoveel mogelijk wordt nagebootst. Tamme dieren moeten leren zich weer authentiek te gedragen en er worden wilde dieren teruggebracht naar plekken waar ze al sinds mensenheugenis waren verdwenen.

Met de dieren die wel onder ons blijven moet steeds omzichtiger worden omgesprongen. Lang na de Indiase koeien zijn alle dieren op weg om heilig te worden. Ordinaire dieren die onder industriële omstandigheden tot voedsel worden verwerkt profiteren er nog niet van mee, maar het dier dat wordt gehouden, of juist wordt losgelaten om naar te kijken, krijgt in toenemende mate een bijzondere status. Tijdens het optreden van dieren in speelfilms staan er zoveel dierenbeschermers op de set om de regels in het oog te houden dat het acterende dier alle kans tot sterrenschap wordt ontnomen. Robotten en computeranimaties nemen meer en meer de plaatsen van filmdieren in. Het echte dier wordt onaanraakbaar.

Het oude en eerbiedwaardige Artis in Amsterdam werkt momenteel hard om zich aan te passen aan het nieuwe dierenbeeld. Dierentuinen lopen nu eenmaal meer in het oog dan kippenhouders en varkensboeren. Lang heeft het de traditierijke dierentuin aan middelen of ruimte ontbroken om te veranderen of uit te breiden en daarom oogt de overgang nu abrupt en spectaculair. De oude indeling is museaal. Gericht op volledigheid. Voor ieder dierenpaar uit de ark van Noach een hokje met een bordje erbij. Het nieuwe gedeelte is meer een soort filmdecor. Een fantasie van landschapsarchitect Edwin Santhagens. Kunststof rotsen moeten op de drassige Amsterdamse bodem de droge hardheid van Afrika oproepen. En in het decor wordt een verhaal verteld. Het verhaal van het leven op de savannes van oostelijk Afrika. Er moet een beeld worden opgeroepen van dravende kudden zebra’s en gnoes die na een lange stoffige tocht eindelijk een drinkplaats bereiken. Het beeld dat is vastgelegd in ontelbare natuurfilms en dat nu door Artis-bezoekers zelf kan worden nagefilmd. Safari in Amsterdam. De makers van de Amsterdamse savanne zullen geen moment de illusie hebben gehad dat ze de dieren een Afrika-gevoel zouden kunnen geven. Het gaat om de presentatie. Wat in de negentiende eeuw werd gewaardeerd als een leerzame en humane tentoonstelling van exotische dieren is in de ogen van de met natuurfilms opgegroeide mens een dierengevangenis geworden.

Zonder zich op te heffen kunnen dierentuinen dit veranderende inzicht nauwelijks pareren, maar Artis doet een manmoedige poging door het creëren van een soort dierenvakantieverblijf. Vrijheid als optische illusie. Bij een nog te bouwen nieuw olifantenverblijf zal de afscheiding op het oog slechts bestaan uit een gracht, maar onder water zal een constructie van palen en kettingen ervoor zorgen dat de populaire lobbussen op hun domein blijven.

Het lijkt op een nieuwe afspraak met het publiek. Dat de dieren zijn opgesloten is tot daaraan toe, maar het mag er niet zielig uitzien. Geen te kleine hokjes. Niet te veel tralies. De Amsterdamse savanne is een vernuftig bouwsel dat meerdere natuurvriendelijke elementen bevat. Onder de kunstrotsen bevinden zich voorzieningen voor afvalverwerking, milieuvriendelijke energie en waterzuivering. Alle mogelijkheden lijken te zijn benut om dit themaparkje een groen imago te geven. Door zoveel natuur- en diervriendelijke argumenten samen te ballen in één project lijkt men zich schrap te zetten tegen toekomstige kritiek op het fenomeen dierentuin. Het kijken naar dieren kon wel eens zo gaan veranderen dat opgesloten dieren daar helemaal geen plaats meer in hebben.



Nog even los van opwindende vakanties in de wildernis biedt internet momenteel nieuwe mogelijkheden om wilde dieren in een authentieke omgeving te bekijken. Zo wees het jeugdjournaal onlangs zijn kijkers op het bestaan van de website van Africam (www.africam.com). Als een uitvloeisel van het produceren van natuurfilms heeft Africam op tientallen plaatsen in wildparken in Zuid-Afrika camera’s opgesteld. Soms worden ze bediend door de crew van een natuurfilm, maar ook zijn er onbemande camera’s die 24 uur per dag hun beelden naar het net zenden.

Videobewaking van de natuur. De eerste camera werd twee jaar geleden opgesteld en er wordt niet de indruk gewekt dat het om een tijdelijke zaak gaat. Je kunt doorklikken naar zo’n permanente camera en een tijdje naar het rustgevende beeld van een rivier kijken. Of er dieren komen drinken moet je dan afwachten. Het zou een paar dagen kunnen duren. Voor directe actie kun je terecht in een archief met hoogtepunten. Het live-effect is dan weg, maar er beweegt dan tenminste iets. Voor beweging zorgen ook de filmploegen. Ze gaan met twee camera’s op stap waarbij er één permanent op de filmers is gericht.

Het maken van natuurfilms wordt hier kennelijk minstens zo belangrijk gevonden als de natuur zelf. De site dient ook de promotie van natuurfilms. Je kunt bijvoorbeeld kennismaken met de nieuwe film in wording van de natuurfilmer Richard Slater-Jones. Hij werkt nu aan een film over luipaarden. Zijn ster is Tjololo. Tjololo is een actief mannetje en hij laat zich makkelijk herkennen door de tijdens gevechten opgelopen happen uit zijn oren. Door de promotie op het net wordt Tjololo voor de toekomstige filmkijker alvast een goede bekende. Doordat het ruwe materiaal van Slater-Jones direct op het net wordt gezet kan de kijker van dag tot dag volgen hoe het met zijn luipaard gaat. Het dagboek van de filmmaker voegt daar de nodige achtergrondinformatie aan toe. Hier dient zich een alternatief voor zelfs de dierentuin met de meest natuurlijke omgeving aan. Het is niet goed meer voor te stellen dat Tjololo ooit nog ergens opgesloten zal worden. Hij is allang niet meer een voorbeeldexemplaar van een katachtig roofdier, maar een persoonlijkheid. Een individu met een fanclub die wil dat hun filmster in zijn eigen omgeving verder leeft onder het zicht van de camera’s. En na Tjololo zullen er nog vele sterren volgen. De aangespoelde dolfijn Stormy haalde de kranten met zijn levensverhaal en kreeg dag en nacht gezelschap van een webcamera.

Er gloort een toekomst waarbij elke aangespoelde walvis of zeehond voorzien van een webcamera weer wordt teruggegebracht naar veilige wateren. Vanachter je scherm klik je dan van koude diepzeeën naar zinderende savannes om te kijken hoe het met je dieren gaat. Wie eenmaal een vrije dolfijn heeft geadopteerd zal zich in het Dolfinarium weinig meer op z’n gemak voelen.



De natuurfilms doen het beter dan ooit. Het is een serieuze industrie geworden, maar ook hier heeft het veranderende kijken naar dieren zijn invloed. Het heeft geleid tot een strijd tussen rekkelijken en preciezen. De filmers met de strenge opvattingen ontmoeten elkaar jaarlijks op het Premier Wildlife Filmfestival in Missoula. Hier is het werk te zien van de oude school. Van de liefhebbers. De geduldigen. De filmers die dagenlang ingegraven liggen te wachten tot hun dier vrijwillig en spontaan wil optreden. Die authenticiteit boven alles stellen. Alleen opnamen in de natuurlijke omgeving van het dier tellen en manipulatie is uit den boze. Het ligt voor de hand dat de resultaten bij deze benadering soms lang op zich laten wachten. Dat de beelden niet altijd even spectaculair zijn. Het gaat hierbij tenslotte niet in de eerste plaats om de entertainmentwaarde van de opnamen, maar om de zuiverheid van hun bewijskracht. Zo leven deze dieren en niet anders.

De toenemende vraag naar natuurfilms zorgt ervoor dat het geduld op de proef wordt gesteld. De opkomst en bloei van gespecialiseerde televisiekanalen als die van Discovery en National Geographic veroorzaken een geeuwende honger naar content. Dit heeft producenten en filmmakers aangetrokken die niet louter gedreven worden door natuurliefde of wetenschappelijke belangstelling. Voor hen gehoorzaamt het genre van de natuurfilm aan dezelfde wetten als andere filmgenres. De wetten van het vermaak die op gespannen voet staan met die van het geduld. In Missoula willen ze van de nieuwe school niets weten, maar het Jackson Hole Wildlife Film Festival is minder streng in de leer. Maar goed, het gaat niet om festivals. Dat zijn schermutselingen in de marge. Het gaat om de wereldomspannende netwerken. Om de natuurtelevisie. Om internet. Daar zijn de films te zien die in elkaar worden gestoken met gebruikmaking van alle trucs en handigheidjes van speelfilms of propagandafilms. Bij het maken van die films is het niet verboden om tamme dieren de rollen van wilde te laten spelen. Daarin treden dieren op ver buiten hun natuurlijke domein. Daarvoor worden acties in scène gezet. Bloederige gevechten worden uitgelokt die anders nooit hadden plaatsgevonden. Veel materiaal wordt geschoten op ‘game farms’ (waar bijvoorbeeld ook de webcamera’s van Africam staan opgesteld) wat een stuk sneller werkt dan wanneer je de echte wildernis intrekt. Voor de puristen is dit verwerpelijk. Ze verwijten de nieuwkomers dat ze uitsluitend uit zijn op 'action’ en 'gore’ (bloederige beelden) om publiek te trekken. Ooit was de natuurfilm misschien wel het meest nobele genre van de filmkunst. Niet altijd even serieus genomen vanwege zijn geur van wereldvreemd hobbyisme, maar gerespecteerd om zijn goede bedoelingen. Die onschuld is nu afgelegd.

Ver van de natuurfilm komen in de speelfilm ook nog dieren in beeld, al lijkt dat steeds zeldzamer te worden. De grote opzichtigheid van het medium heeft een speciaal slag dierenbeschermers naar de filmsets gelokt. In Hollywood wordt de strijd om het filmdier op het scherp van de snede gevoerd. Geheel in de geest van Hollywood is het actiemiddel eerder het inzetten van advocaten dan het zwaaien met spandoeken. Zo heeft de American Human Association een speciale film- en televisie-eenheid die zich heeft gespecialiseerd in het beschermen van dieren die worden gebruikt bij opnamen. Ze stuurden onlangs een van hun meest gereputeerde medewerkers naar Engeland omdat daar de opvolger van 101 Dalmatians wordt gedraaid. Behalve Glenn Close lopen op die set uiteraard de nodige honden rond en kennelijk wilde men het toezicht daarop niet overlaten aan de lokale autoriteiten en dierenbeschermers. De inspecteurs van de humane associatie onderzoeken van iedere speelfilm hoe de dierenopnamen tot stand zijn gekomen en dat levert heel grappige en specifieke, technische informatie op over het huidige filmmaken. Hun monomane en onbedoeld geestige recensies zijn te lezen via de website van de associatie (www.ahafilm.org).

De bespreking van The Green Mile van Frank Darabout is een mooi voorbeeld van de dier-geobsedeerde blik bij het kijken. De film speelt zich af in een gevangenis op de afdeling waar ter dood veroordeelden op hun executie wachten. De film kent één dierenrol. Die van een muis. Tot in elk detail wordt beschreven hoe voor dit rolletje dertig echte muizen, de nodige namaakmuizen en elektronisch bestuurbare exemplaren werden ingezet door professionele trainers. Er is nagegaan op welk moment in een scène een echte dan wel een kunstmatige muis is gebruikt. Overduidelijk heeft de filmproductie onder druk van de beschermers volledige openheid van zaken gegeven en kosten noch moeite gespaard om de instemming van de associatie te verdienen. Juridisch van belang want alleen zo mogen ze officieel op de aftiteling melden dat tijdens de opnamen geen dieren werden misbruikt.

Wie wil weten hoe de nu al klassieke kikkerregen voor Magnolia van Paul Thomas Anderson werd gemaakt, kan ook bij de associatie terecht. Dan blijkt dat er bij het maken maar weinig echte dieren zijn ingezet. Dat is ook het streven van de beroepsbeschermers. Als het maar even kan moet elektronica de rol van het dier overnemen. De film nadert een dierloos tijdperk. Ze verbieden het verdoven van dieren op een filmset, wat toch een veelgebruikte methode was om dieren een filmdood te laten sterven. De onafhankelijke filmmaker Michael Stevens dacht voor het maken van zijn eerste film Bad City Blues aan de lange arm van de associatie te kunnen ontkomen. Hij gebruikte een echt rendier (die overigens medisch verantwoord werd verdoofd) voor een sterfscène in plaats van een dure rendierrobot en werd openbaar aan de schandpaal genageld.



De kunstmatige natuur in dierentuinen, de webcamera’s in natuurparken en de dierenrobots in speelfilms zijn een voorlopig antwoord op de nieuwe heiligverklaring van het dier. Het lijkt een ontwikkeling waarvan het einde nog niet in zicht is. Artis maakte een wolvenvallei die de dieren meer en fraaiere ruimte gaf, maar buiten de dierentuin gingen ze al een stap verder. In het Franse natuurpark Mercantour (in de Alpen op de grens met Italië) werden de wolven weer in het wild losgelaten. Onder luid protest overigens.

Het uitzetten van beren in de Pyreneeën bleek ook niet onomstreden, maar het gaat om de symboliek van een dergelijke machteloze daad. Volgens deze lijn zou je een toekomstscenario kunnen ontwerpen. Een misschien niet eens wenselijke fantasie. De dieren uit de dierentuinen worden dan teruggebracht naar hun oorspronkelijke omgevingen. Voor zover nog aanwezig. Ze worden heropgevoed in de kunst te overleven in de wilde natuur. Ze zullen wereldberoemd worden door hun optreden voor permanent draaiende verborgen camera’s. Uiteraard live te volgen via internet en wat er dan nog rest van televisie. De nieuwe natuur als kijkspel kan niet authentiek en zuiver genoeg zijn. We weten ergens wel beter. De wildernis is een verloren zaak. Maar we houden onszelf graag voor de gek. We blijven ons schepper wanen. Daarom nemen we zo graag genoegen met kunstmatige wildernis. Met filmische natuur.