Dieren spreken niet

TOON TELLEGEN
MISSCHIEN WISTEN ZIJ ALLES: VERHALEN OVER DE EEKHOORN EN DE ANDERE DIEREN
Querido, 638 blz., € 22,50

Het is niet makkelijk om niet een geweldige hekel te krijgen aan de dierenverhalen van Toon Tellegen. Een eekhoorn, een mier, een karper, een mossel en alle mogelijke andere beesten brengen uren door met gezwets en gemijmer in een of ander bos. Men houdt zich vooral bezig met de deconstructie van de ervaring. Kan een bijeenkomst van twee zwijgende wezens een feest zijn? Hoe valt een olifant van een wolk? Hoe schrijft men een brief aan een brief? Kan de reuk breken? De gesprekken daarover lijken nog het meest op Herenleed, Zen-Koans of haiku’s.

Over die laatste versvorm schreef Drs. P: ‘Laat het.’ Dat geldt ook voor het dierenverhaal. Het genre is in zichzelf problematisch. Dieren zijn dieren, en zij eten elkaar op. Dat wordt in dierenverhalen steevast ontkend. Dieren kunnen niet praten. Wie dieren toch sprekend opvoert is dus een fantast, een fabulist, een moralist of een buikspreker. Dat zijn meestal irritante lui. Alles mag, in een dierenverhaal, en alles is altijd leuk, dus de schrijvers nemen het ervan, en dat pakt bijna altijd slecht uit. Het gehoor is ontvankelijk, zeggen ze, maar dat is een vergissing: kinderen zijn alleen te klein en te beleefd om tegen de schrijvers en voorlezers van dierenverhalen te zeggen: ‘Donder een eind op met je eekhoorn.’ Zij worden het slachtoffer van de lolbroekerij van dilettanten als Paul de Leeuw, Kees van Kooten, Yvon Jaspers of Daphne Deckers.

Kinderen weten heel goed dat dieren niet kunnen spreken, en als zij toch spreken, dan doen zij dat uitsluitend tegen kinderen zelf. Hobbes richt zich alleen tot Calvin, Bagheera alleen tot Mowgli, Pooh alleen tot Christopher Robin. Kinderen vinden dat gepraat aardig, maar niet wezenlijk belangrijk. Zij begrijpen de dieren zo ook wel. Zij onderhouden intens contact met Rin-tin-tin, Lassie, Black Beauty, Bento, Rikki-tikki-tavi, Elsa, Clarence, Toto, Bobbie, Capi, Zerbino, Dolce, Joli-Coeur, Meneer Nilsson en Witje zonder dat er een woord gewisseld hoeft te worden.

Sprekende dieren zijn helemaal geen dieren, het zijn mensen, dat weet een kind. De Fabeltjeskrant wordt bevolkt door twee Rotterdamse lts’ers, een Limburgse mijnwerker met stoflong, een Jordanese hoer, een Wassenaarse kakmadam, een manisch-depressieve kastelein, enzovoort. Net als de dieren in Tellegens verhalen voeren zij drammerige (grote-)mensengesprekken.

Dieren zijn heel anders. Wie twee van Tellegens verhalen uit heeft verlangt hevig naar Kuifje en De Zwarte Rotsen. Die Bobbie, dat is pas een kerel.