Dieren & wij

Het was begin deze maand een berichtje dat veel reacties uitlokte. In een Zuid-Afrikaans reservaat werden de resten gevonden van twee of drie mensen die waren gedood door een groep leeuwen. Vermoedelijk ging het om stropers, op jacht naar neushoorns. De politie vond onder meer een jachtgeweer met geluiddemper, een bijl en draadknippers tussen de stoffelijke resten, die lagen verspreid over een groot gebied. ‘Als het leeuwen-eten-neushoornstropers-verhaal je niet opvrolijkte, weet ik niet wat dat wel doet’, twitterde de Amerikaanse schrijfster Barbara Ehrenreich – een tweet die duizenden keren werd geliked.

In het berichtje is veel van onze hedendaagse verhouding tot dieren terug te vinden. Er figureert een bedreigde diersoort in, de neushoorn, en een beest dat van oudsher tot de verbeelding spreekt als koning van het dierenrijk, de leeuw. Beide behoren tot de zogenaamde ‘big five’, de grote dieren in Afrika waarvoor horden mensen van over de hele wereld op safari gaan. Uit de reacties op het korte, kale bericht blijkt hoezeer we inmiddels het alleen om hun hoorns doden van tot de verbeelding sprekende dieren verafschuwen. En hoezeer we in de leeuwen wrekers met haast menselijke motieven zien: de Lion King en zijn kornuiten hebben het kwaad overwonnen en dat mag best vrolijk stemmen.

Onze verhouding tot dieren is hoe dan ook dubbelzinnig. Als huisdier zijn ze ons nabijer dan ooit. Als onze geliefde Fikkie of poes Minoes ziek is gunnen we hem of haar een medische behandeling door de hondenneuroloog of kattenoncoloog; na hun dood rouwen we om ze als lid van het gezin. We voelen ons, gevoed door Walt Disney en een hele bibliotheek van antropomorfe dierenverhalen, verbonden met Dombo het vliegende olifantje en beertje Paddington, en dat breidt zich uit tot Knut het ijsbeertje en Cecil, de beroemdste leeuw van Zimbabwe die werd gedood door een Amerikaanse tandarts. Maar tegenover onze compassie met individuele dieren staat onze onverschilligheid voor het verdwijnen van veel soorten en ons wegkijken van de instrumentele omgang met dieren in de bio-industrie.

Er is de laatste jaren wel sprake van een kentering in onze relatie tot dieren. De kritiek op de industriële veehouderij groeit, uit steeds meer wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het verschil tussen mens en dier helemaal niet zo groot is als wij lang veronderstelden, politieke partijen die pal staan voor dierenwelzijn krijgen steeds meer voet aan de grond, en filosofen die zich inzetten voor dierenrechten hebben een toenemende invloed. We mogen dan in het Antropoceen leven, het tijdperk waarin de mens de planeet domineert, we lijken ons er steeds sterker van bewust te zijn dat we het leven op aarde met dieren delen en dat we daar consequenties aan moeten verbinden.

We lijken ons er steeds sterker van bewust te zijn dat we het leven op aarde met dieren delen

Reden voor ons om ons zomernummer aan ‘dieren en wij’ te wijden. We lopen mee met de specialisten van de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren in Utrecht, duiken in de dilemma’s van de moderne dierentuin, de Arken van Noach van onze tijd, en volgen het spoor van Milou, de hond ‘die alleen maar hond wilde zijn’ en als ding in beslag werd genomen door het OM. We portretteren de dierenliefhebbers in de politiek, zien hoe schrijfster Pauline de Bok uit jagen gaat, duiden de Indiase liefde voor de Heilige Koe en vragen ons af of vissen ook pijn voelen.

En we stellen ons de nodige ongemakkelijke vragen. Is het moreel nog wel verantwoord om vlees te eten? Hoe erg is het als diersoorten uitsterven? Volgens de Australische filosoof Peter Singer is dat geen simpele vraag: ‘Als je voorop stelt dat de mens lijden van andere mensen en dieren moet voorkomen, en geen schade moet berokkenen, is het onhelder of uitsterven daaronder valt. Je kunt geen schade of lijden berokkenen aan iets dat er niet is.’ Moeten we ‘mensen’ schrappen uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zodat die rechten zich vanzelf uitstrekken naar dieren? Maar is er dan echt geen verschil tussen mens en dier? Als je aan Bubbles, de aap van Michael Jackson, denkt misschien niet. Bubbles had uitstekende tafelmanieren, was op feestjes altijd ‘the life of the party’ en hield van schilderen en fluitmuziek. Maar ja, Bubbles maskeerde vooral de gekheid van Michael Jackson. Zoals Joost de Vries over de chimpansee schrijft: ‘Bubbles was de perfecte bliksemafleider, het ene perfecte gezelschap dat gekker was dan hij ooit zou zijn.’


P.S. Dit is leesstof voor twee weken. De volgende Groene verschijnt op 2 augustus