Dierenactivist, maar verliefd op de jager

Megan Mayhew Bergman, Birds of a Lesser Paradise. Simon & Schuster, 240 blz., € 21,99

Een paar jaar geleden stond de boekenweek in het teken van ‘De Literaire Zoo’, maar toch associeer ik verhalen over dieren nog altijd vooral met kinderliteratuur: de giraffe van Dikkertje Dap, het paard van Pipi Langkous, de teckel die op zoek ging naar zijn baasje in het hartverscheurende Een lange reis op korte pootjes. Als kind hield ik konijnen, cavia’s en hamsters, had ik iedere week paardrijles, en was mijn lievelingsboek Ludo en het Sterrenpaard, over een Zwitserse klokken­makerszoon die met zijn paard Renti langs alle sterrenbeelden reisde om de zon in te halen.

Bij de meeste personages van Megan Mayhew Bergmans debuutbundel Birds of a Lesser Paradise heeft de dierenliefde, of in elk geval de fascinatie voor dieren, de puberteit overleefd. Meestal worden de konijnenposters uit de Taptoe ergens rond het dertiende levensjaar vervangen door die van pop- en filmsterren; alleen schattige poezen lijken het merendeel van de volwassen mensheid nog te fascineren, getuige het collectieve fotoalbum dat Facebook heet. Maar de vrouwen in Bergmans twaalf verhalen zijn dierenarts (of zijn er met een getrouwd), dierenrechtenactivist, hondeneigenaar, of vogelaar; ze werken in een dierenasiel, nemen een verwaarloosd schaap in huis, of rijden twaalfhonderd kilometer naar het zuiden om naar een papegaai te luisteren die de stem van hun overleden moeder heeft gememoriseerd.

De relaties die deze vrouwen met dieren hebben lijken vaak verdacht veel op die tussen ouder en kind, tussen geliefden en ex-geliefden: ze zijn alles-consumerend, destructief, troostend, paradoxaal, teleurstellend. Zo is Lila, de dierenarts in het verhaal Saving Face, zwaar gemutileerd door een hond die te vroeg uit de narcose ontwaakte: ‘She’d treated the dog with tenderness. What did I expect in return? she wondered. Gratitude? There were no promises, no obligations between living things, she ­thought. Not even humans. Just raw need hidden by a game of make-believe.’ De hoofdpersoon in het verhaal Every Vein a Tooth is een dierenrechten­activist die verliefd wordt op een jager. Hoe zuiver is haar dierenliefde, als ze kan houden van iemand die dieren voor de lol afschiet? En hoe onzelfzuchtig is die van haar heldin, de hardcore dierenactivist Emory? Immers: ‘To Emory, all living things were in danger. It made her feel like a hero.’

Bergman groeide op in het zuidelijke North Carolina; volgens haar website is ze blond, Reese Witherspoon-achtig knap, en stralend, en woont ze inmiddels samen met man, twee kinderen, vier honden, vier katten, twee geiten, een paard en ‘een handvol kippen’ in Vermont. North Carolina vormt de achtergrond voor de meeste verhalen in Birds of a Lesser Paradise: het is een wereld van bossen met coyotes en slangen, zeldzame vogels, pick-up trucks en kleine plaatsjes op de rand van nergens. De personages dragen platte schoenen of laarzen, zijn nuchter en kordaat: ‘Ik ben mijn eigen huisvrouw, mijn eigen kostwinner’, vertelt de hoofdpersoon in het openingverhaal Housewifely Arts. ‘Ik maak lunch en verwissel lampen. Ik geef een kus op blauwe plekken en vermoord moccassinslangen uit de beek in de achtertuin met een stalen riek. Ik kan een taartbodem bakken en krekels in de kruipruimte uitroeien met een zelfgemaakt lijmbord, maar niet tegelijkertijd.’

De verhalen gaan over dieren, maar ook – vaak – over moederschap. De vriend van de hoofdpersoon in Yesterday’s Whales voert campagne voor ‘vrijwillige uitroeiing’ van de mensheid: mensen moeten stoppen zich voort te planten, zo meent hij, en zo de wereld teruggeven aan de dieren en de natuur. Ze houdt van hem en helpt hem actievoeren, maar wanneer ze per ongeluk zwanger raakt lijkt abortus toch uitgesloten – en staat haar vriend plots in een heel ander licht. De handzoen die hij haar toeblaast wanneer ze naar het platteland vertrekt om een paar dagen na te denken, negeert ze: ‘When someone’s ideal is the absence of all human life, romance is kind of a joke.’ Het personage in The Urban Coop zou juist graag zwanger raken maar kan dat niet – ze vermoedt dat haar weggelopen hond hier iets mee te maken heeft. ‘Als ik niet voor mijn hond kan zorgen, dan verdien ik ook geen baby’, zegt ze tegen haar therapeut – een therapeut die haar leeghaalt als een loodgieter, ‘pulling out fistfuls of trouble, messy tangles of fear and longing’.

Zoals die laatste zin suggereert is Bergman goed in metaforen – ‘Mom’s grief was as long as a river, endless’, is een andere; ook haar omschrijvingen spreken tot de verbeelding. Dan heeft ze het bijvoorbeeld over ‘buildings that weren’t quite skyscrapers’, of een man met een ‘almost beautiful face’. De werelden die Bergman in elk verhaal optrekt zijn vol, rijk, zinderend. Het is altijd heet of juist heel koud in haar verhalen, plakkerig en een beetje vies: het maakt het lezen van de bundel wat spannend, alsof je op zoek naar een zeldzame vogel door een woud loopt, en intussen steeds op je hoede moet zijn voor enge grondwezens. Toch: Bergman is vooral heel goed in het doorgronden en sterk neerzetten van relaties in al hun dimensies, zowel tussen mens en dier als tussen mensen onderling – een volwassenenliteratuurthema if ever there was one.