Dierendictees

Wie is Viskovitz? Wie dat het liefst van allen wil weten is Viskovitz zelf, maar om te beginnen is dat ‘zelf’ een probleem. Stel, je bent een microbe in het Precambrium; als je je splitst, zoals een microbe betaamt, valt ook je naam in letters uiteen. Dan word je een beest, zoals de evolutie je beveelt, en moet je leren doden, vind je de seks uit en volg je het dictaat van dat soort.

Viskovitz neemt in deze bundel wel twintig gedaanten aan, maar dat hij altijd dezelfde naam houdt, kan niet verhullen dat hij telkens uitsluitend optreedt namens zijn soort. Bij papegaaien, kameleons, elanden, bidsprinkhanen ligt dat voor de hand; het leidt soms ook tot teleurstellingen, zoals wanneer Viskovitz met zijn spermatozoën de geliefde - die eveneens in alle episoden dezelfde naam heeft: Ljuba - niet kan bereiken, omdat hij de stroom tegen heeft. Is de stroom wél gunstig, dan blijkt Viskovitz van een mannetje een vrouwtje te zijn geworden, want hij is een spons en sponzen veranderen nu eenmaal geregeld van geslacht. En als zijn dochter hem zwanger maakt, wordt hij de schoonmoeder van zichzelf. Een dergelijke salto genitale vertoont de slak. Wanneer deze in de verte zijn Ljuba meent te zien en haar na een half jaar bereikt, blijkt zij zijn spiegelbeeld te zijn, maar daarom niet minder begeerlijk, zodat hij dan maar met zichzelf paart. Zijn zoontje, een volmaakte kopie van zijn ouder, lijkt sprekend op zijn ferne Geliebte en stamelt: ‘Ik houd van je, Viskovitz’ (aardig om te zien dat eindelijk weer eens iemand de uitgang van de eerste persoon enkelvoud van houden van herstelt, maar dit terzijde). Eenmaal een beest, altijd een beest - Viskovitz heeft zich daarnaar te gedragen. Dat levert soms, ook voor hemzelf, verrassingen op. Als schorpioen meteen door zijn moeder in de woestijn achtergelaten, steekt hij iedereen overhoop, al wil hij dat helemaal niet. In de wrede zwarte Ljuba hoopt hij dan eindelijk zijn ondergang gevonden te hebben. Inderdaad, ze haten elkaar, maar hun gevecht op leven en dood ontaardt in een tweetal jongen en een harmonieus gezinsverband. Even slecht loopt het af wanneer een van de Viskovitzen zich tegen zijn lot probeert te verzetten. Zo loopt hij als Chinees varken een Ljuba tegen het lijf die zich een parel tussen de zwijnen waant en net zo wil dansen als de mensen. Vervolgens wordt hun liefde een clownsnummer in het circus. En als de mestkever Viskovitz zijn Ljuba vindt, blijkt zij niet van stront te houden omdat zij een rasechte meikever is; hem laat ze met een identiteitscrisis zitten. Een beetje racisme is al gauw in het spel wanneer de soort belangrijker is dan het individu. Dat Boffa, een bioloog geboren in Moskou, 'de mens in al zijn schaamteloze eigendunk een spiegel voorhoudt’ kan alleen maar een uitgever beweren die van mensen noch van dieren houdt. Sommige verhaaltjes zijn aardig, andere nogal flauw, de moraal is een ander verhaal. De omslag van het boek trouwens ook, die geheel in beslag wordt genomen door een tijgerkop; de ontwerper ervan heeft één oog dichtgedaan (knipoog) óf beide (het boek niet gelezen), want een tijger komt in het hele boek niet voor.