Dierentuinman

Hij: vaste bezoeker van Artis, de morgenhulder, de aubadebrenger. Hij spreekt, hij schrijft over de dieren, wij, die zijn hoofd vullen. Wij, de dieren, vullen zijn hoofd met een raadselachtige taal, een luidruchtig feest achter de muur van zijn bewustzijn - alleen weet hij niet wat er gevierd wordt, waartoe dient ons gekwetter, getsjilp, getwitter, ons gebalk en gestotter, ons kraaien en grommen.

Maar ook andersom. De dichter, de Artis-dromer, de dierjongen, dient, op zijn beurt, ons. De dichter vult ons hoofd. Hij geeft ons vreugde (vreugde met een harteklop van weemoed) doordat hij ons de illusie van een vrije wereld geeft - illusie, omdat er geen werkelijke vrijheid bestaat.
Deze schrijver, de fabelman, is een droevige schrijver. De droevigste onder de schrijvers. Zijn stem klinkt roestig, als het kraken en knarsen van een oude waterpomp. (Wanneer wij hem horen, denken we terug aan de ezel in dat verre dorp, wiens gehuil de nachtstilte onderbrak - de rokende en drinkende jongelui onder olijfboom en maan schrokken uit hun zonde op - en die overdag leed onder de stokslagen van een kale jongen, zo vuil als het beest zelf, dat op zijn flanken een landkaart vertoonde van wonden en littekens, waarop vliegen krioelden.)
Zijn stem raspt en hakkelt heesheet, zijn gekrulde woorden zijn toverwoorden. De dichter vult ons hoofd met zijn tovertaal, zijn Artis-zang, met de dierenriem om zijn hals.
Dan des dichters zoon. Het gezongen kind, het mensgeworden woord, het vlees en bloed van onze gast. Het kind loopt stil en wandelig-traag onze hokken langs, afgezonderd kalm aan de krachthand van zijn vader. De andere kinderen hebben veel lawaai, en dat dragen zij aan hun buitenkant, niet vanbinnen. Kinderen huilen, rennen, vallen, schreeuwen, ongehoorzamen hun ouders voor onze kooi en gluren naar ons, waarbij ze door hun knieën zakken, hun handen op hun dijen leggen en dan naar hun moeder opkijkend naar ons wijzen: de speen in de mond geeft elk kind de allure van een stom wezen.
Als het druk is, zie je door de kinderen de dieren, ons, niet meer. ‘Hé, kijk eens. Die leeuw is aan het poepen!’ Laat ons, die arme dieren, toch.
De schrijver weet dat.
Hier, in deze onze wereld, leeft het. Het leven, ons leven, tortelt en krioelt. Wie ziet het? Wie bemerkt de schoonheid ervan? Onzichtbare slangen trekken arabesken in het zonoverdrenkte gras, maar niemand schijnt zich er bewust van te zijn. Er broeit iets, alles leeft, iets is in oproer - maar geen mens heeft er oog voor. Er staat iets gigantisch te gebeuren, het licht borrelt, de planten knikken de goede verstaander toe. Maar wie verstaat hier iets?
Hij, onze dierentuinman.