Economie

Dierenvriend en moordenaar

Vaten vol tegenstrijdigheden zijn we. Vorig jaar hebben we een godsvermogen neergeteld voor onze snoezige Simba’s, Minou’s en Felixen. De knabbels, het kattengrit, de manden, de tennisballen en niet te vergeten het voer dat we zonder morren voor onze viervoeters aanslepen, biedt werk aan rond de vijftienduizend mensen en vertegenwoordigt een substantieel economisch belang. Allemaal voor de ruim twee miljoen honden en bijna vier miljoen katten die Nederland rijk is.

We betalen er grif voor. Vorig jaar maar liefst € 2,1 miljard. We krijgen er de onbaatzuchtige afhankelijkheid van een ruig, zijdezacht, stoer of juist schattig roofdier voor terug, dat ons - in episodes van tien tot vijftien jaar - blijmoedig vergezelt op het levenspad. En dat bovendien dubbelt als bron van vermakelijke en soms schrijnende verhalen die zo'n prominente rol spelen in de mythologieën die we elkaar in klein gezinsverband doorvertellen.
Maar we hebben afgelopen jaar met z'n allen ook bijna vijfhonderd miljoen koeien, varkens en kippen geslacht, waarvan we er elk zo'n 83 kilo hebben verorberd en de rest hebben verkocht. Tegenover de twee miljard die we in 2010 uit pure dierenliefde hebben uitgegeven, staat € 6,7 miljard aan inkomsten uit anoniem slachtvee. Nederland is door zijn goede infrastructuur al sinds mensenheugenis een van de grootste slachthuizen van Europa, een misstand die alleen maar kan bestaan bij de gratie van de liefdeloze onverschilligheid van de meesten van ons jegens dit mensonterende lijden.
Het is waar: het aantal vegetariërs stijgt gestaag en bedraagt nu tussen de 750.000 en een miljoen. Maar dat is nog altijd maar vijf à zes procent van de bevolking. Ja, het is waar: steeds meer consumenten zijn uit afschuw over de horreur van de bio-industrie overgestapt op biologisch vlees. In 2009 maar liefst twaalf procent meer omzet in dit segment dan het jaar ervoor. Ondanks deze successen heeft biologisch vlees nog altijd een marktaandeel van slechts 2,4 procent - de ministeriële doelstelling van tien procent in 2010 ten spijt.
En ja, het is waar: Nederland is de enige democratie ter wereld met een partij die haar mandaat ontleent aan leniging van dierlijk lijden. Maar die heeft zich met haar motie tegen het ritueel slachten meer als populistische anti-islampartij ontpopt dan als voorvechter van dierenrechten. Waarom zoveel kostbaar politiek kapitaal verspild aan een kwestie die maar 0,5 procent van de geslachte dieren betreft? En bovendien: wat doet de manier van slachten ertoe als het veel grotere kwaad van nietsontziende dierenexploitatie in de bio-industrie ongemoeid blijft?
Ik ben geen haar beter. Vorig jaar heb ik twee katten ten grave gedragen. Apie, onze witte dove kater, had een tumor ter grootte van een kippenei in zijn keel. Pappie, zijn rode broer, leed aan levensbedreigend nierfalen. Ik zie ons nog met zijn warme lijkje over straat gaan. Woensdagavond 11 november was het; de volgende dag zou ik mijn oratie uitspreken. Mijn ogen brandden van het zilt, mijn middenrif was verkrampt van verdriet, buiten wachtte ons een ongewoon felle onweersbui waar we onze dode katervriend doorheen moesten dragen. Sinds een half jaar hebben we een hond. Een border terriër - zo'n ruig, stoïcijns hondje dat je alleen in Zuid ziet. Na vriendin en dochter is dit het mooiste wat me is overkomen: het domme enthousiasme, de dwaze capriolen, de lange wandelingen, de zoete hondenlucht, zelfs de warme drollen in het rode zakje in je hand. Voor het eerst sinds jaren draagt mijn tronie weer die stupide grijns van verliefden.
Sentimentele dierenvriend dus. Maar ook gewetenloze moordenaar. Ik deins er niet voor terug om kreeften levend in kokend water te laten glijden. Ook zie ik er geen been in om zee-egels open te knippen om er genotzalig de eierstokken uit te lepelen. En laatst in Seoul ben ik wel drie keer naar het buffet gelopen voor levende inktvis die zich zo heerlijk aan je wang vastzoog.
Waarom ik nooit vegetariër ben geworden? Tegenover het welbevinden van morele consistentie staan drie bedenkingen. Ten eerste is de symbiotische relatie tussen prooi en jager de ruggengraat van die wonderlijke evolutionaire reis die de mensheid heeft afgelegd. Vegetarisme voelt als een hooghartige afwijzing van die geschiedenis. Ten tweede is het singeriaanse argument dat vegetarisme de volgende stap naar morele bewustwording is zowel ongelooflijk arrogant als geworteld in een onhoudbaar vooruitgangsgeloof: de vegetariër als de voorhoede van een betere wereld. Kom nou toch! Maar het belangrijkste argument is esthetisch: voor geen goud mis ik het zoete vlees van oosterscheldekreeft, het romige vlees van blauwvintonijn of het zilte vlees van zuiglam.