Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

Dierenzaken zijn een blinde vlek van bedrijven

Ethische keuzes over dieren spelen een rol in onze levens, of we dat nu willen of niet. Ze zijn aan de orde als we eten, drinken, winkelen, op vakantie gaan, voor huisdieren zorgen en in huis een muis tegenkomen.

© Wikipedia

Sommige mensen zijn van mening dat dieren er zijn voor de mens: om als bezit te dienen en om gebruikt te worden. Anderen vinden dat dit niet het geval is. Nog weer anderen staan nooit stil bij de morele positie van dieren. Er zijn ook mensen die de belangen van dieren heel serieus nemen en tot een veganistische leefstijl komen, en anderen die de belangen van dieren erkennen, maar niet altijd de energie, het geld, de informatie of de motivatie hebben om daar heel veel rekening mee te houden.

Bij veel van onze keuzes draait het om strijdige belangen: mijn smakelijke maaltijd of het leven van het varken, mijn zachtlederen schoenen of het leven van het kalf, de voedzame pap van mijn kind of het samenzijn van koe en kalf, het plezier van mijn kinderen bij een dolfijnenshow of de vrijheid van de dolfijn, mijn voorkeur voor een hondenras met een korte snuit of het welzijn van de hond. Dergelijke keuzes, die in feite ethische keuzes zijn, worden niet door iedereen herkend op het moment dat ze zich voordoen. Bovendien zijn ze sterk verweven met de cultuur waarin we opgroeien. In veel samenlevingen is de behandeling van dieren uitbesteed aan bedrijven: vooral aan de veehouderij, maar ook aan de vermaaksindustrie en de huisdierfokkerij. Dit brengt ons bij de verantwoordelijkheid van bedrijven voor dieren: zijn bedrijven verantwoordelijk voor hun impact op dieren?

Sinds de negentiende eeuw is er een groeiende filosofische en maatschappelijke steun voor de idee dat dieren meer bescherming zouden moeten krijgen, met een extra groeispurt gedurende de laatste vijftig jaar. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in het doel van de Europese Unie om dierenwelzijn te verbeteren, een besluit dat al viel tijdens de European Convention for the Protection of Animals kept for Farming in 1976. Dierenbeschermingsorganisaties spelen een belangrijke rol in deze ontwikkeling. Zij vragen aandacht voor misstanden, bedenken labels voor diervriendelijkere producten en zetten bedrijven onder druk om zich te verbeteren. Het gevolg is dat sommige consumenten ervoor kiezen met hun portemonnee te stemmen en te stoppen met het kopen van producten die een negatieve impact op dieren hebben. Ze stoppen bijvoorbeeld met het eten van dieren of gaan over op vlees met een label. Anderen gaan verder en stoppen met het kopen van zuivel, honing, wol en leer, en gaan niet meer naar dierentuinen en dolfinaria.

Duidelijk is dat bedrijven veel impact kunnen hebben op dieren. Maar bij wie ligt de verantwoordelijkheid daarvoor eigenlijk? De overheid wijst naar de bedrijfssectoren: die kunnen dat zelf regelen. De bedrijfssectoren wijzen naar de consument: die wil nu eenmaal dat goedkope stukje vlees. Als de consument bepaalde producten niet meer koopt, stopt de productie vanzelf. Maar als het bedrijf de dieren niet meer op deze manier gebruikt, liggen de producten ervan ook niet meer in de winkel. En moet de overheid niet strenger reguleren? Het is goed mogelijk dat elke partij die een rol speelt een deel van de verantwoordelijkheid draagt, inclusief de bedrijven.

De vraag of bedrijven morele verplichtingen hebben ten opzichte van dieren bleef in de bedrijfsethiek tot nu toe vrijwel onbeantwoord, en dat is onterecht. Bedrijven hebben veel invloed op dieren en zijn verantwoordelijk voor de gevolgen van hun handelen. Ze geven daar echter nog weinig gevolg aan, een aantal voorlopers daar gelaten. Maar zo ver als de dierethiek is met het uitvogelen dat dieren belangen hebben en het recht om niet om triviale redenen gedood of geschaad te worden, zo ver blijft de bedrijfsethiek achter in het toepassen van die kennis.

De dierethiek houdt zich bezig met de vraag hoe dieren behandeld zouden moeten worden door mensen. Het gaat dan om de vraag of dieren moreel relevant zijn, en zo ja, waarom, en wat dat betekent voor de mens. Het individuele dier met zijn behoeften en voorkeuren staat daarbij centraal. De dierethiek kent net als de algemene ethiek en de bedrijfsethiek verschillende stromingen, die elk op hun eigen manier tegen dit vraagstuk aankijken. Wat ze echter gemeen hebben is dat ze dieren met gevoel (sentient animals) rekenen tot de kring van diegenen die er ethisch gezien toe doen. Dit betekent dat we rekening zouden moeten houden met dieren om zichzelf, en niet omdat wij mensen er profijt van hebben. Nu zijn ethici het lang niet altijd eens. Maar het is wel opmerkelijk dat de drie hoofdstromingen in de ethiek uitkomen op een zachtaardige omgang met dieren.

Eén van de grondleggers van het utilisme, Jeremy Bentham, schreef al in de achttiende eeuw kort maar krachtig deze inmiddels beroemd geworden woorden: ‘The question is not, Can they reason? nor, Can they talk? but, Can they suffer?’ Met deze woorden schetst hij de mogelijkheid dat dieren met gevoel ertoe doen als moreel relevante wezens. Bentham was een utilist. Dat wil zeggen: hij was een consequentialist (iemand die de morele voorkeur geeft aan die actie die de beste gevolgen heeft) die bovendien welzijn of geluk ziet als de centrale waarde die we moeten maximaliseren. Dat doe je door een optel- en aftreksom te maken van al het goede dat je met een actie als waarde toevoegt (welzijn, geluk en andere positieve ervaringen) en al het slechte (pijn en andere negatieve ervaringen). Dat doe je voor iedereen die de gevolgen van jouw actie zou kunnen ondervinden. Vandaar dat dat gevoel zo belangrijk is: het gaat om degenen die die gevolgen ook kunnen ervaren. Dieren met gevoel doen er dus ook toe, net als mensen. En natuurlijk moet zo’n theorie goed onderbouwd zijn. Dus stellen we meteen de vraag: waarom is dat zo, waarom zou deze theorie opgaan? Dat is zo, volgens de utilist, omdat het feit dat wij mensen het positieve en het negatieve kunnen ervaren precies is wat ons moreel relevant maakt. Anders gezegd: wij ervaren allemaal een behoefte aan positieve ervaringen en vermijden negatieve ervaringen. Dieren met gevoel ervaren die behoefte ook. Dat betekent dat die ervaringen er voor hen toe doen, en dus dat zij als wezens moreel relevant zijn.

Deze benadering van de dierethiek is grondig uitgewerkt door Peter Singer, zowel theoretisch als praktisch. Hij onderzocht hoe we de toename en afname van waarde voor mens en dier in allerlei situaties tegen elkaar kunnen afwegen. Ook heeft hij onderzocht welke dieren onder deze sentient-dieren vallen, en dat zijn in elk geval alle gewervelde dieren: zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en amfibieën. Hun welzijn en hun belangen doen ertoe, en tellen voor henzelf net zo zwaar als ons welzijn voor ons, mensen.

Volgens Immanuel Kant hebben mensen als rationele wezens directe morele verplichtingen jegens andere rationele wezens. Die anderen zijn namelijk ook morele wezens, die rationeel kunnen nadenken over wat het goede is om te doen. Ofwel: morele actoren kiezen ervoor om te respecteren dat de ander ook een morele actor is, die als het goed is dezelfde keuzes zal maken. Degene die handelt heeft de plicht goed te handelen, de ander heeft recht op een goede behandeling. Dieren, die in de optiek van Kant niet rationeel zijn en dus geen morele actoren kunnen zijn, hebben geen morele status. Dat betekent dat mensen geen directe morele verplichtingen hebben ten opzichte van dieren, ofwel: geen verplichtingen vanwege het dier zelf. Wel zijn er indirecte verplichtingen: wie een dier kwaad doet, kan daarmee mensen kwetsen die dit zien, of kan op den duur overgaan tot het kwetsen van mensen.

Er zijn moderne filosofen die dit anders zien, en die vanuit de rechts- of plichtsethiek wel degelijk tot directe morele verplichtingen van mensen jegens dieren komen. Christine Korsgaard ziet dieren als ‘passieve bewoners’ die recht hebben op een goede behandeling door ‘actieve bewoners’, namelijk rationele wezens. Die rationele wezens (wij, mensen) zouden dat recht moeten erkennen, omdat dieren net als mensen een ‘doel op zichzelf’ zijn dat je niet naar believen mag gebruiken.

Ook Tom Regan ontwikkelde een rechtsethiek die stelt dat mensen wel degelijk directe morele verplichtingen hebben ten opzichte van dieren. Zijn benadering is gebaseerd op de intrinsieke waarde van wat hij noemt subjects-of-a-life, individuen die behalve gevoel nog meer eigenschappen hebben waarmee je hen kunt benadelen, zoals herinnering en anticipatie. Ze zijn zich bewust van de wereld om hen heen en van wat er met hen gebeurt. Bovendien hebben dieren bedoelingen. Net als mensen willen ze soms iets bereiken en handelen ze daarnaar. Ze kunnen dan misschien niet nadenken over goed en kwaad, zoals morele actoren, ze kunnen het zeker wel ondergaan en ervaren, en zijn daarom morele patiënten. Dat maakt dat ze intrinsieke waarde hebben en het recht om met respect behandeld te worden zonder dat hun kwaad wordt gedaan. Wel zijn er volgens Regan omstandigheden waarin dit recht vervalt: als het zou leiden tot een actie die kwaad zou berokkenen aan meerdere mensen of dieren.

Martha Nussbaum ontwikkelde een vermogensbenadering voor de dierethiek die is gebaseerd op de eeuwenoude deugdethiek. De deugdethiek gaat ervan uit dat een goed karakter de essentie vormt van goed handelen. Nussbaum pleit daarbij voor een houding van verwondering en respect voor ander leven. Wij mensen zouden andere levende wezens moeten steunen in hun streven om te floreren als wat of wie zij behoren te zijn. Dat betekent dat we de vermogens van die wezens moeten respecteren. Een bestaande lijst van tien vermogens van de mens die we zouden moeten respecteren vertaalt Nussbaum naar een vergelijkbare lijst voor dieren: het vermogen tot leven, gezondheid, lichamelijke integriteit, het hebben van plezier, het ervaren van emoties door betrokkenheid bij anderen, praktisch denken (voor zover als vermogen aanwezig), niet vernederd worden, relaties met andere diersoorten, spel, en het hebben van controle over de omgeving. Op verschillen tussen groepen dieren of diersoorten gaat ze niet al te diep in. Wel geeft ze aan dat de prioriteit zou moeten liggen bij het verbeteren van de situatie van dieren die lijden onder hun huidige leefsituatie.

Diverse wetenschappers hebben betoogd dat bedrijven verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van de maatschappij. Daaruit zijn de principes van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) geboren. Dieren worden door bedrijven vaak gebruikt als een middel om doelen van de mens te bereiken. Ze worden bijvoorbeeld gefokt of gevangen om de mens tot voedsel te dienen. Er worden speciale foklijnen met bepaalde genetische kenmerken gefokt om de nakomelingen in te zetten als proefdieren of huisdieren. Dieren in circussen en dolfinaria leren trucjes om mensen te vermaken. Andere dieren worden getraind om te werken, bijvoorbeeld als trekdier, reddingshond of blindengeleidehond. In al deze gevallen hebben bedrijven (of andere instituten, maar die laat ik verder buiten beschouwing, al geldt voor hen over het algemeen hetzelfde) een directe impact op dieren. Daarnaast kunnen dieren indirecte gevolgen van bedrijven ondervinden, bijvoorbeeld doordat hun leefgebied wordt vervuild of vernield, doordat ze aangereden worden door bedrijfswagens of door bedrijven geproduceerde auto’s, of door het inkoopbeleid van de bedrijfsrestaurants (vlees, vis, eieren, zuivel). Vanuit het perspectief van de dierethiek zou je verwachten dat al deze invloeden leiden tot morele zorgen over de invloed van bedrijven op dieren.

Het integreren van dierenbelangen in ethische reflectie van bedrijven en in hun MVO-principes kan behoorlijk ingewikkeld zijn, niet alleen vanwege de enorme verschillen in behoeften en voorkeuren tussen diersoorten (om nog maar niet te spreken over de behoeften en voorkeuren van individuele dieren), maar ook omdat mensen en organisaties heel anders aankijken tegen dieren in verschillende contexten. Zo kun je zes verschillende groepen onderscheiden wat betreft de rol die we dieren in ons leven geven: productiedieren, proefdieren, dieren in het wild, vermaakdieren, werkdieren en gezelschapsdieren. Dit is overigens geen statische indeling. Dieren kunnen van categorie wisselen. Zo kan een dier dat in het wild leeft worden gevangen en in een dierentuin worden ondergebracht om verder te leven als vermaakdier. Een productiedier kan opgekocht worden door een particulier om vervolgens als gezelschapsdier gehouden te worden. Enzovoort.

Nu is het mogelijk dat de morele verplichting van een bedrijf ten opzichte van dieren niet alleen afhangt van de directe of indirecte impact van dat bedrijf op dieren, maar ook van de relatie tussen het bedrijf en de dieren. Bedrijven die dieren in bezit hebben, lijken op het eerste gezicht een zwaardere verantwoordelijkheid te dragen dan bedrijven die geen dieren in bezit hebben, al was het alleen maar omdat ze wettelijk verplicht zijn voor de dieren te zorgen. Toch blijft ook die verantwoordelijkheid niet beperkt tot het bedrijf dat de dieren bezit. Een dergelijke verantwoordelijkheid wordt als het ware doorgegeven door de productieketen heen, en belandt dan net zo goed op het bord van de bedrijven die de producten van die dieren inkopen, doorverkopen en uiteindelijk aan de consument verkopen. Alle partijen in de keten zouden dan een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen. Je kunt zelfs stellen dat een bedrijf ook buiten het primaire productieproces om verantwoordelijk zou kunnen zijn voor bijvoorbeeld inkoop via de gecontracteerde bedrijfsrestaurants. Het is dan ook van belang dat een bedrijf zich er goed van vergewist waar verantwoordelijkheden zouden kunnen liggen ten opzichte van dieren, op basis daarvan principes vaststelt en die laat meespelen bij het maken van afwegingen over beleidskeuzes.


Monique Janssens verdedigt op 8 oktober in Rotterdam haar proefschrift Animal Business: The ethical responsibility of companies towards animals. Dit is een voorpublicatie uit Dierenzaken: Blinde vlek van bedrijven (oktober 2020), de Nederlandstalige publieksversie