Dierlijke schoonheid

ROEL BENTZ VAN DEN BERG
ENGELEN IN REGENJAS
Augustus, 189 blz., € 18,90

Wie Roger Federer op zijn beste dagen ziet tennissen, ziet iets wat sport ver overstijgt. Het doet nog het meeste denken aan de balletvoorstelling waarmee Mikhail Baryshnikov vorige week het Holland Festival opende – bewegingen die gracieus en tegelijkertijd volkomen vanzelfsprekend zijn. Nergens hapert het lichaam, nergens faalt de coördinatie. Zoals Michael Jordan niet alleen onmenselijk hoog kon springen, maar echt een of twee seconden langer in de lucht kon blijven zweven, zo kan Federer over de baan schieten, als een voetzoeker. Hij lijkt zo kalm als een zenmeester. Fysische wetten lijken te worden omgebogen. Zoals David Foster Wallace schreef, in 2006, toen Federer in een jaar tijd maar zes wedstrijden verloor: hij is een man ‘wiens lichaam zowel uit vlees als, op de een of andere manier, uit licht bestaat’. Het is een dierlijke schoonheid om te zien, een schoonheid die mensen niet bezitten omdat er stress in hun nek zit en kramp in hun kuiten en omdat hun schoenen knellen, omdat mensen zich altijd bewust zijn van de onvolkomenheden van hun lichaam; het is een schoonheid die alleen dieren bezitten omdat zij niet beter weten dan dat hun lichaam luistert naar wat ze willen, omdat hun lichaam hun enige hulpmiddel is. Zoals de witte haai met zijn volledige lichaam uit het water kan springen, zoals een kat meters door de lucht kan vallen en toch keurig landt. Vorige week was bij Oprah Winfrey een hond te zien die maar twee poten had – en alsnog huppelde hij onverstoord kwispelend rond de presentatrice.
Zelf zei Federer eens dat het zijn ogen zijn. Op zijn goeie dagen lijkt de tennisbal – doorsnede 6,5 cm, gewicht 58 gram – voor hem zo groot als een basketbal of een meloen. Kan-ie niet missen met zijn racket.
Het laatste anderhalf jaar had Federer minder goede dagen. Hij kreeg pfeiffer, hij trouwde, zijn vrouw werd zwanger – maar afgelopen zondag won hij de finale van Roland Garros, de Franse open kampioenschappen, de enige prijs die nog op zijn palmares ontbrak. Het maakte hem officieel de beste tennisser aller tijden.
In Engelen in regenjas, zijn nieuwe essaybundel, komt sport eigenlijk maar nauwelijks voor. Roel Bentz van den Berg denkt in drummen, jazz, foto’s, filosofie. Hij zoekt de kunst in het alledaagse, of het menselijke in kunst. Het is jammer dat hij niet over sport schrijft, want dat is zo’n terrein waarin theater, spel en menselijk drama zich op de meest directe manier presenteren. Winnen of verliezen.
Maar het gaat Bentz van den Berg nooit om het resultaat, maar om de ervaring. Net als in de vorige essaybundel, het bekroonde Zapdansen (2006), toont hij dat literatuur, net als humor, op straat ligt. Hij schrijft vlot, soms anekdotisch, soms filosofisch, licht van toon, hij durft dingen te zeggen, en nog belangrijker: hij durft dingen niet te zeggen. Hij is op z’n best als hij de associaties niet te veel aan elkaar redeneert. Het mooist is dat in Een dubbel surplace van afscheid. Bentz van den Berg zit in zijn nieuwe huis en ziet zijn nieuwe overburen ruziën. Dan gaat de telefoon. Het is een vriendin die iets heeft beseft, een openbaring over haar leven. Bentz van den Berg wil het niet weten. ‘Wat heb je aan inzichten?’ schreef Raymond Carver ooit. Carver liet liever zijn personages bevriezen in hun gemoedstoestand dan dat ze zichzelf eruit redeneerden. Het brengt hem langs een kort verhaal van Dino Buzzati, langs Austerlitz van W.G. Sebald, naar Seamus Heaney’s gedicht ter ere van zijn overleden vriend Ted Hughes. Hij eindigt, zonder daar iets aan te verbinden, weer bij de ruziënde overburen.
Wat ervaart Bentz van den Berg hier? Afscheid, vergankelijkheid? De onmogelijkheid los te komen van jezelf? Het beeld dat beklijft is dat van een man, ongemakkelijk in zijn nieuwe huis, omringd door mensen en hun gevoelens.
Dat is wat Bentz van den Berg spelenderwijs schetst in Engelen in regenjas: de menselijke emotie. Zonder ooit te pochen met eruditie schieten zijn gedachten heen en weer, constant op zoek. Een enkele keer is het dan ook te gezocht, op het edelkitscherige af, bijvoorbeeld in Bezoek van een oudere dame; als Bentz van den Berg tijdelijk in een leegstaand huist verblijft, klopt er een oudere dame aan die spontaan haar levensverhaal uit de doeken doet en vertelt hoezeer dat huis van betekenis was. Het is net te gewild, net ongeloofwaardig. Maar het is een van de weinige uitglijers. Zelden zit Bentz van den Berg zichzelf in de weg. Hij schakelt moeiteloos tussen het persoonlijke, kunstzinnige, anekdotische, en wat een fijne gids is hij dan, die ons met zachte hand door zijn eigen denkwereld leidt – niet door het denkwerk voor ons te verrichten, maar door ons zachtjes op weg te helpen.