Niet eens zo heel diep in ons hart kennen wij de beweegredenen der religieuzen. Het zijn altijd dezelfde en hebzucht is daarvan niet de minste. De aartsbisschop dacht meer aan zijn geestelijkheid dan aan voornoemde vogels, toen hij zijn lijst maakte. Per geserveerde schotel mocht voortaan nog maar een enkele zwaan het loodje leggen, zo zat dat. Bleef de andere over voor hemzelf. Einde Reader’s Digestief.
‘Leg uw vleugeltjes in een diepe schotel. Smelt 15 gram boter. Voeg er evenveel bloem aan toe en giet daar vervolgens 75 cc azijn en de dubbele hoeveelheid pluimveebouillon bij. Aan de kook brengen en een minuut laten doorkoken. Peper en zout plus een gekneusde teen knoflook, dikke snuif gemalen kruidnagel, een kleine kleingesneden ui, een grof geraspte wortel, laurierblad, wat peterseliestelen, geraspte schil van een sinaasappel en enkele fijngehakte blaadjes basilicum erbij. Over de vleugels in de schaal gieten en vier uur wachten. Af en toe op de andere zijde leggen. Droogmaken, door geklopt ei halen en ook nog door wat bloem. Zachtjes bakken in heet vet. Serveren met gebakken peterselie.’ Zo stond het in La Nuovissima Cucina Economica, vrijgegeven door Vincenzo Agnoletti. Over de toekomst van het met zo veel liefde geprepareerde en half kostbare boter-en-bloembadje wordt niet gerept. Of hadden de eetgrage lezers van 1814 daaraan gebonden voorschriften al van huis uit meegekregen? Het ging allemaal over kalkoenvleugels, dat wel. Waar op de camping wellicht niet in is voorzien, maar er zwemt altijd wel ergens een zwaan en Cranmer keek tenslotte toch al een andere kant op.