Digitaal geloven

Tournee tot en met 7 maart. Op 1 maart te zien in het Bim-huis in Amsterdam.
Wel of niet geloven - daar wordt vaak over gesproken alsof het twee tegengestelde dingen zijn. Terwijl er van alles tussenin kan liggen. Kinderen schijnen of wel, of niet in Sinterklaas te geloven, en de wakkere helden die de magische grens tussen die twee mogelijkheden passeren, worden onmiddellijk betrokken in een samenzwering tegenover de ongelukkigen die nog in hun goedgelovige waan verkeren. Die nadruk op het overschrijden van die magische grens fascineert me altijd in de tv-programma’s van de EO. Zolang je niet ‘in’ de Here bent, ben je er uit, en dan mis je van alles. Maar zo digitaal zit de menselijke geest helemaal niet in elkaar. Ik weet me nog heel goed te herinneren dat ik als kind een beetje in Sinterklaas geloofde. Een hele tijd heb ik in dat overgangsgebied verkeerd. Misschien ben ik daar wel nooit meer uitgekomen.

In het theater kun je heel goed bewijzen verzamelen tegen die digitale geloofstheorie. Bijvoorbeeld bij de voorstelling Babylotion, een muziektheaterstuk waarvoor musicus Jan Hans Berg het initiatief nam. Deze voorstelling toont twee werelden die naadloos in elkaar grijpen. Op het podium staan vier musici en twee acteurs. Verder is het podium bijna leeg. Een klein tafeltje, een paar muziekstandaards, stoelen en wat spullen van de musici. Praktische dingen allemaal, die de spelers nodig hebben. Losse dingen zijn het bovendien, die iedereen kan oppakken en verplaatsen. Dat betekent dat de terreinen niet zijn afgebakend. Geen ‘toneeltje’ dat de acteurs kunnen annexeren als decor voor de personages die zij neerzetten. Geen orkestbak, geen achtergrond waarin de musici bescheiden kunnen verdwijnen. De musici in Babylotion - trombonist Wolter Wierbos, cellist Jan Hans Berg, The Ex-gitarist Andy Moor en saxofonist Tobias Delius - zijn ook helemaal niet bescheiden. Je moet voortdurend naar ze kijken, het is een nogal woest gezelschap als ze bezig zijn. Hun instrumenten worden geslagen en gemarteld, gekartelde deksels van conservenblikjes worden tussen snaren gestoken, er wordt gezaagd en getimmerd.
Vergeleken bij die musici zijn Saskia Temmink en Peter Paul Muller een zeer geciviliseerd stel acteurs. Zij vertellen het verhaal over een relatie die op een dood spoor is beland. Ze doen van alles om hun relatie nieuw leven in te blazen. Ruzie zoeken, elkaar op de huid zitten, demonstratief vertrekken. Een herinnering aan hun eerste ontmoeting wordt ingezet in de strijd. En hetzelfde gebeurt met de musici. De vrouw flirt met de gitarist, de cellist strijkt plagerig zijn strijkstok in de richting van haar korte rokje. De man vormt samen met de andere mannenmusici een samenzweerderig clubje. De saxofonist eet een appel en geeft de vrouw een stukje. Maar die relaties tussen de acteurs en de musici zijn vrijblijvende ontmoetingen voor de duur van een improvisatie. De musici spelen geen rollen. De acteurs doen dat soms, ze spelen een beetje toneel. Maar ze spelen ook met de woorden die Don Duyns voor hen schreef, en met de musici. Of met de losse spullen van de musici. Ze pakken de dempers van de trombonist af, en doen met elkaar wie de grootste heeft. De acteur kijkt door een van die dempers naar het publiek, en biedt hem aan mijn buurman aan. 'Toneelkijker?’
De relatie tussen spelers en publiek is open, zoals bij een concert. We zitten niet in het donker. We kijken naar de musici, die niet terugkijken omdat ze helemaal opgaan in de muziek. En we kijken naar de acteurs, die terugkijken en toch dat ruziende stel blijven verbeelden. En we zijn bij hen in de huiskamer en tegelijkertijd getuige van een geweldig concert. Dat kan allemaal maar, in het theater.