Media

Digitaal panopticum

Er lijkt niet veel meer over van de utopische verwachtingen waarmee de opkomst van het internet gepaard ging. Het web zou de traditionele politieke en economische verhoudingen overhoop halen en de weg vrij maken voor de ultieme bevrijding van de individu. Aan de einder gloorde een democratisch paradijs, waarin alle burgers werkelijk een stem zouden hebben. Niet dat er van die belofte helemaal niets terechtgekomen is, maar het web heeft ook geleid tot nieuwe vormen van dwang en controle, met soms angstwekkende proporties.

Een betrekkelijk late exponent van het ongebreidelde digitale optimisme vormde PopUp, een essaybundel van mediatheoreticus Mark Deuze en journalist Henk Blanken (2007). Daarin werd hoog opgegeven van de ‘Yahoo-generatie’, die heel anders met de media zou omgaan, ‘van alles door elkaar, obsessief communicerend, desnoods over niets, en vooral: loyaal aan niets of niemand en wantrouwig ten opzichte van alles wat met institutionele autoriteiten te maken heeft: zorgverzekeraars, politiek, journalistiek’. De opkomst van het web, aldus Deuze en Blanken, zou het lot bezegelen van de oude media én de traditionele politiek, gedragen door publieke omroepen, dagbladen, tijdschriften en politieke partijen, waarvan het bestuur telkens ‘uit nagenoeg dezelfde oude witte rijke mannen’ zou bestaan die burgers ongevraagd ‘lastigvallen’ met ‘hinderlijke informatie’.

Nog geen decennium later lijken die utopische verwachtingen naïef en tegelijk grotendeels achterhaald. De hoeveelheid fora, blogs en beschikbare informatiebronnen mag dan fenomenaal toegenomen zijn, wetenschappers worstelen met de vraag of die groei inderdaad heeft geleid tot een politieke empowerment van de burgers en daarmee tot een fundamentele versterking van de civil society. Dat het web in landen in crisis , zoals Tunesië en Egypte, een sleutelrol heeft gespeeld, wordt door niemand betwist, maar de vraag is hoe blijvend het democratisch potentieel van het web op termijn is. Sommige theoretici zijn daarover uitgesproken somber.

In hun ogen hebben sociale netwerken en computer- en internet­bedrijven als Google, Apple en Microsoft omgevingen gecreëerd die tegenover de gebruikers autonomie suggereren, maar hen in feite onderwerpen aan een nieuw disciplinair regime, gebaseerd op participatory surveillance. Binnen dat systeem geeft de gebruiker zichzelf prijs om te mogen meedoen; hij levert privé-gegevens en andere data die, onder meer door cookies, profilering mogelijk maken, en wordt beloond in de vorm van sociale communicatie, informatie, bestellingen en financiële transacties. Andere bedrijven en instellingen, inclusief overheden, hanteren dezelfde methoden, waarmee onze identiteit als het ware wordt overgenomen. Algoritmen transformeren burgers van vlees en bloed in profielen.

Aan deze ontwikkeling lijkt voorlopig geen einde te komen. Enerzijds blijken technologische en economische veranderingen sneller te gaan dan de wet- en regelgeving, anderzijds zijn overheden huiverig maatregelen te nemen, uit angst economisch achterop te raken, zoals bedrijven niet moe worden te beargumenteren. Bovendien maakt de overheid in haar opsporingsbeleid zelf gretig gebruik van deze nieuwe technieken, met het doel terroristen, pedofielen, smokkelaars en andere wetsovertreders op te sporen.

Ondertussen wentelen we ons als burgers in meerderheid in aangename argeloosheid. Uit het gedrag van webgebruikers blijkt niets van wantrouwen en trouweloosheid, volgens de auteurs van PopUp kenmerkend voor de ‘Yahoo-generatie’. De meeste gebruikers lijken zich op het standpunt te stellen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken zolang ze zelf niet iets illegaals doen. Ze nemen het voor lief dat Gmail al hun e-mails scant en in de marge daarvan automatisch advertenties genereert, dat bedrijven hun koopgedrag kunnen volgen en de iPhone hen precies kan lokaliseren – in ruil voor de rijkdom die het web biedt, niet alleen in economische zin maar ook in sociaal en creatief opzicht. In het essay I’ve Got Nothing to Hide and Other Misunderstandings of Privacy hekelde de Amerikaanse jurist Daniel Solove in 2008 deze naïeve opstelling, vooral in relatie tot de antiterreur­politiek. Volgens hem is het een misvatting dat privacy in de eerste plaats betrekking heeft op het verbergen van bepaalde gedragingen en opvattingen. Privacy gaat om onze mentale en fysieke autonomie, om vrijheid van denken en handelen, om persoonlijke veiligheid en geborgenheid.

De utopie van ongebreidelde vrijheid in cyberspace heeft inmiddels plaatsgemaakt voor schrikbeelden van een digitaal panopticum, waarbij het gedrag van alle burgers – niet alleen via internet, maar ook via andere apparaten die ons kunnen traceren, zoals webcams en mobiele telefoons – precies in kaart kan worden gebracht. Een samenleving kortom die het midden houdt tussen de werelden van Orwell, Kafka en Huxley.