Schnabbeleconomie: revolutie op de werkvloer

Digitale dagloners

De nieuwste fase in de flexibilisering: kruimel-zzp’ers. Zijn deze crowdworkers het zoveelste dieptepunt in het uitkleden van sociale rechten, of de blijde boodschappers van het postkapitalisme?

Medium serie1a

Heb je geld nodig? Ben je werkloos? Dan komt hier de oplossing voor al je problemen. Stap 1: zet je overvolle kledingkast om in harde valuta. ‘How to monetize your closet’, noemde _New York Times-_columnist Thomas Friedman dat enkele jaren geleden. Via sites als Tradesy, of in Nederland gewoon het vertrouwde Marktplaats, kan die in een overmoedige bui gekochte Louis Vuitton-tas nog aardig wat opleveren.

Maar de truc is om het niet, zoals Friedman, bij de kledingkast te houden. De echte vraag moet zijn: hoe je hele leven te monetariseren? Stap 2 dus. Bijvoorbeeld door je huis te verhuren aan toeristen, via Airbnb. Ben je de gelukkige bezitter van een auto? Rijd ze dan ook weer terug naar het vliegveld, en verdien zo als Uber-chauffeur een extraatje. Je parkeerplaats kun je in de tussentijd verhuren via park-sharing, een trend die inmiddels ook in Nederland is aangekomen.

Eenmaal thuis wordt het tijd voor stap 3: maak van je hobby je werk. Schilder je? Maak je voor de lol juwelen, of T-shirts met een kekke print? Zet het op Etsy, het platform dat zichzelf aanprijst als ‘een wereld vol vintage en handgemaakte producten’. Meer dan een miljoen ‘makers’ gingen je voor. Vergeet ook niet om ondertussen het gereedschap in de schuur op Peerby Go te zetten, ter verhuur. Wie weet levert het wat op, mocht iemand verderop uit de straat een oude hogedrukreiniger nodig hebben.

Zijn al je persoonlijke eigendommen verkocht, verhuurd of anderszins te gelde gemaakt – of heb je gewoon helemaal niets – dan is het tijd voor stap 4: écht werken. Voor vrijwel elke beroepsgroep schieten de digitale bemiddelingsplatforms als paddenstoelen uit de grond. Wie handig is, kan op klussen bieden op Werkspot en andere sites. Journalisten kunnen het waarschijnlijk beter proberen bij platforms speciaal voor tekstschrijvers, zoals het internationale Textbroker. Na een korte proeftekst word je ingedeeld op een niveau. Met een beetje geluk stromen vervolgens de opdrachten binnen. Geen _Groene Amsterdammer-_artikelen, wel korte reclameteksten, bijvoorbeeld voor webwinkels.

Ontbreekt het je aan iedere vorm van scholing, kennis of specialisatie? Dan nog is de situatie niet uitzichtloos. Probeer het eens op platforms als Croqqer. Er moet zondagavond een kleine kast naar beneden gesjouwd worden in Oegstgeest, lees ik. Iemand vraagt om het aanleggen van de bedrading voor een robotgrasmaaier.

Met andere woorden: werk genoeg. Toch?

Welkom in de wereld van de kruimel-zzp’er. Of, zoals het fenomeen in de Verenigde Staten al enige tijd wordt genoemd: de gig economy. Het is een model dat alles te maken heeft met de veelbesproken deeleconomie, de platformeconomie en een reeks andere digitale trends. Dat dit goed is voor het milieu wisten we al. Als delen het nieuwe hebben is, hoeven er veel minder nieuwe auto’s en andere vervuilende producten te worden gemaakt. Het kan bovendien de samenhang in de wijk versterken: gereedschap uitlenen aan buurtgenoten schept een band.

Minder aandacht was er lange tijd voor de consequenties van deze nieuwe, digitale economie voor de werkvloer – op de conflicten rond taxidienst Uber na. Maar die gevolgen zijn er niet minder om. Leah Busque, de jonge medeoprichter van TaskRabbit (zeg maar de Amerikaanse Croqqer) zei in een interview niets minder dan ‘een revolutie in de mondiale beroepsbevolking’ na te streven. Ze wees daarbij op de werkloosheid. In Nederland is die dalende, maar nog altijd staan er ruim een half miljoen mensen aan de kant. Meer dan veertig procent daarvan is langdurig werkloos. De gig-economie biedt volgens ondernemers als Busque een oplossing. In hun ogen is het probleem niet op de eerste plaats de beroerde economie, hoge particuliere schulden en een achterblijvende vraag met als gevolg dat bedrijven geen nieuwe mensen aannemen. Het zou vooral een kwestie van vraag en aanbod zijn. Die weten elkaar nog veel te vaak niet te vinden. Websites als TaskRabbit en Upwork beloven die frictie uit de wereld te helpen. Zij brengen mensen met te weinig geld maar veel tijd samen met degenen die over het omgekeerde beschikken: geld zat, maar te weinig tijd om het huis op te knappen of de tuin bij te houden.

Individuen, huishoudens en bedrijven hebben voortaan met één muisklik altijd en overal een sloofje binnen handbereik

De ambities reiken zelfs nog verder. De apostelen van de gig-economie beloven niet alleen meer, maar ook beter werk. Ze beloven vrijheid en autonomie voor iedereen. ‘Mensen beginnen vraagtekens te zetten bij het concept van fulltime werk an sich’, zei Busque daarover, ‘en de jongere generaties willen meer controle over hun werk.’ In de schnabbeleconomie hoeft niemand meer om acht uur ’s ochtends in een fabriek in te klokken. ‘Rij wanneer je wilt, verdien wat je nodig hebt’, belooft Uber op haar website. Staat een klus je niet aan, dan kies je gewoon voor een andere. Luilekkerland lijkt binnen handbereik.

Hoe serieus deze ontwikkeling is, blijkt wel uit de interesse van multinationals als Amazon en Google. Beide hebben zich op de kruimel-zzp’er gestort. Ook de klassieke uitzendconcerns komen in beweging. Randstad lijfde eerder dit jaar Twago in. Met naar eigen zeggen vijfhonderdduizend freelancers in meer dan tweehonderd landen is dit Europa’s grootste online marktplaats in haar soort. De oprichter en ceo van Twago sprak bij deze gelegenheid van een ‘win-win-situatie voor iedereen’, maar bovenal de freelancers die nu nog meer en beter werk zouden krijgen.

Vreemd genoeg beperkt het enthousiasme voor de crowdworkers, zoals ze ook wel worden genoemd, zich niet alleen tot Silicon Valley-ondernemers en rijke multinationals. Ook hun meest geharnaste critici koesteren grootse verwachtingen. Hun analyse van de micro-jobbers vertoont grote overeenkomsten met die van mensen als Busque. Met één cruciaal verschil: in plaats van het kapitalisme te versterken, zullen de crowdworkers het systeem uiteindelijk omverwerpen. Inderdaad: de kruimel-zzp’er als het nieuwe, revolutionaire subject.

Die voorspelling doet onder anderen de Britse journalist Paul Mason in zijn veelbesproken boek Postcapitalism: A Guide to Our Future, dat inmiddels ook in Nederlandse vertaling is verschenen. ‘Het kapitalisme’, betoogt Mason, ‘heeft de grenzen van zijn aanpassingsvermogen bereikt.’ Hij voorziet de opkomst van het ‘postkapitalisme’. Mason wijst daarvoor drie oorzaken aan. Ten eerste: informatietechnologie vermindert de noodzaak om te werken. Ten tweede: de aloude schaarste maakt plaats voor een gigantische overvloed. De markt heeft moeite om een prijskaartje te hangen aan die nieuwe stroom informatiegoederen – kijk maar naar de problemen waar de muziek- en de filmindustrie het afgelopen decennium mee worstelde. Ten derde: we zien nu al tal van voorbeelden van een alternatieve, op samenwerking gerichte productiewijze. Dat zijn de nieuwe commons: Wikipedia, _open source-_software, et cetera. Van staatsmacht of marktwerking trekken zij zich weinig aan.

Medium serie1c

Zo baart het informatiekapitalisme zijn eigen doodgravers. ‘Door miljoenen via netwerken verbonden mensen in het leven te roepen’, schrijft Mason, ‘financieel uitgebuit maar met het geheel aan menselijke intelligentie onder hun vingertoppen, heeft het infokapitalisme een nieuwe drager van verandering gecreëerd: de goed opgeleide en verbonden mens.’ De crowdworkers dus, het digitale precariaat.

Nieuw is die stelling niet. Mason leunt zwaar op met name een groep Italiaanse politieke denkers, de zogenoemde ‘operaïsten’. Het bredere publiek kent ze hooguit als de autonome marxisten, kortweg ‘autonomen’, wat de associatie oproept met in het zwart geklede straatvechters. De werkelijke autonomen gingen heel wat grondiger te werk. In de jaren zestig begon een groep Italiaanse intellectuelen het werk van Karl Marx opnieuw te lezen. Niet kritiekloos, maar in het licht van de veranderende wereld. Om die beter te leren kennen, gingen zij de fabrieken in om te ontdekken hoe echte arbeiders, van vlees en bloed, werkten en dachten. Sociologie dus, maar dan met als doel de hemel te bestormen.

Deze ‘proletarische onderzoekingen’ leverden interessante inzichten op. De operaïsten behoorden tot de eersten die zagen hoe de economie zich, onder invloed van de protestbewegingen van de jaren zestig en zeventig, transformeerde. Veel van wat sindsdien gezegd is over het nieuwe informatiekapitalisme is al veel eerder bij deze denkers terug te vinden. Dat geldt in het bijzonder voor de crowdworker. Een politiek filosoof als Paolo Virno heeft diens realiteit tot in de details beschreven: de breuk met de oude wereld van de verstikkende fabriek en de vaste werkweek; diens betekenis voor de kenniseconomie (de Italiaanse autonomen hadden het aanvankelijk over de ‘massa-intellectueel’), de vervaging van het onderscheid tussen werk en vrije tijd, en de tendens waarbij we allemaal behalve consumenten ook producenten zijn: de ‘prosumers’.

Het regime van fabriek en prikklok heeft plaatsgemaakt voor een niet minder heftige vorm van disciplinering: ratings

De bekendste naam uit het gezelschap is ongetwijfeld die van Antonio Negri. Deze politiek filosoof ontwikkelde zich in ballingschap in Frankrijk – hij werd in eigen land beschuldigd van lidmaatschap van de Rode Brigades – tot ‘post-operaïst’. Samen met de Amerikaanse filosoof en literatuurwetenschapper Michael Hardt schreef hij een reeks boeken. Daarin is een hoofdrol weggelegd voor de crowdworkers, door hen ‘multitude’ gedoopt.

Volgens de ‘Marx en Engels van het internettijdperk’, zoals Le Nouvel Observateur het tweetal noemde, is de arbeidersklasse verleden tijd. Het bijzondere van haar opvolger, de menigte, is dat zij eigenlijk al grotendeels ‘communistisch’ werkt. Ga maar na: waar fabrieksarbeiders de machines van de baas moesten bedienen, beschikken de crowdworkers zelf over de voornaamste productiemiddelen – doorgaans niet meer dan hun hersenen en een laptop. Productie is voor hen bovendien al een collectief proces. In de woorden van Negri en Hardt: ‘Iedereen die in de informatie- of kennissector werkt – van landbouwdeskundigen die zaden veredelen tot softwareprogrammeurs – verlaat zich op gemeenschappelijke kennis die van anderen afkomstig is. Tegelijk creëren ze op hun beurt nieuwe gemeenschappelijke kennis.’

Het potentieel is volgens Mason, Negri en hun medestrijders enorm. Kijk naar de Arabische lente, naar Occupy of recentelijk nog Nuit Debout. Zie hoe eenvoudig deze jonge mensen elkaar dankzij de communicatietechnologie weten te vinden. Hoe bedreven zij zijn in het democratische proces. En merk daarbij op dat zij geen enkele behoefte schijnen te hebben aan een formele vertegenwoordiging, een partij of een voorhoede. Dat verklaart het grenzeloze optimisme van de pleitbezorgers van het postkapitalisme. Het is volgens hen slechts een kwestie van tijd voordat dit digitale precariaat zich bewust wordt van zijn eigen kracht. Dat het beseft dat het al die parasiterende, op winst beluste bedrijven niet meer nodig heeft om welvaart te produceren – dat die eerder een belemmering vormen voor hun creativiteit. En dat de crowdworkers zich van het verstikkende keurslijf van het kapitalisme ontdoen. Hoe mooi klinkt dat: slechts enkele centimeters onder de gig-economie ligt het postkapitalistische strand.

‘In plaats van de revolutie in het werk die me was beloofd, vond ik enkel en alleen een bestaan van hard werken, lage lonen en een systeem dat arbeiders benadeelt’, schreef de Amerikaanse journaliste Sarah Kessler in Fast Company Magazine. Ze had er toen een maand lang ploeteren in de gig-economie op zitten. Ook onder de (soms Nederlandse) schrijvers die sites als Textbroker gebruiken, klinkt gemor over de inkomsten. In de reguliere media wordt een woordtarief van tien of vijftien cent al snel gezien als schaamteloos laag. In de gig-economie zijn vergoedingen van één of twee cent per woord geen uitzondering.

Het is een alom gehoorde klacht. In theorie mag de schnabbeleconomie prachtig klinken, de praktijk is anders. Terwijl in de Verenigde Staten druk gediscussieerd wordt over een forse verhoging van het huidige minimumloon van amper zeven dollar blijkt uit onderzoeken dat crowdworkers via platforms als TaskRabbit daar ver onder zitten. Slechts tien procent zou in de buurt komen van een bestaansminimum. Autonomie? Vrijheid? Dat kun je niet eten.

Daar komt een reeks andere bezwaren bovenop. Omdat de kruimel-zzp’ers formeel zelfstandige ondernemers zijn, is er niemand die voor hen sociale premies betaalt. Krijgen zij een ongeluk, worden ze ziek of gewoon oud, dan staan ze er alleen voor. Net als de ruim één miljoen ‘gewone’ zzp’ers die Nederland al telt, oftewel twaalf procent van de beroepsbevolking. Vooralsnog lijkt de gig-economie daarom alleen een paradijs voor haar consumenten: de individuen, huishoudens en bedrijven die voortaan, met één muisklik, altijd en overal een sloofje binnen handbereik hebben.

Die barre praktijk valt moeilijk te rijmen met de radicaal-linkse heilsverwachtingen. Of zijn we hier getuige van een gruwelijk, maar om de revolutie in gang te zetten noodzakelijk, proces van Verelendung? Zelfs dat lijkt niet het geval. In theorie staat het precariaat inderdaad sterk. In de praktijk is daar helaas weinig van te merken.

Dat heeft te maken met ten minste twee omstandigheden die de revolutionaire denkers over het hoofd lijken te zien. Allereerst heeft het regime van fabriek en prikklok plaatsgemaakt voor een niet minder heftige vorm van disciplinering: ratings. De door de gig-ondernemers bewierookte vrijheid is daardoor grotendeels schijn. Een Uber-chauffeur of klusjesman die niet breed glimlachend zijn werk doet, kan onmiddellijk bestraft worden met een slechte beoordeling. En wie gemiddeld een ster minder ‘scoort’, ziet de gevolgen daarvan terug in de hoeveelheid opdrachten die hij krijgt. Het resultaat is dat werkenden zichzelf meer en meer beschouwen als kleine ondernemingen. Het ik als start-up; voortdurend bezig zichzelf te profileren, zijn merk te promoten en zich nóg aantrekkelijker te maken voor potentiële opdrachtgevers. Openlijk kritiek leveren op de gig-economie helpt daar niet bij.

De ironie is pijnlijk. Deze dromers wilden een postkapitalisme, maar ze kregen het hyperkapitalisme

De tweede reden is de immense versplintering. Die wordt niet alleen veroorzaakt door de permanente concurrentiestrijd waarin kruimel-zzp’ers verwikkeld zijn. Feit is ook dat lang niet alle crowdworkers kenniswerkers zijn, zoals Negri en Mason lijken te veronderstellen. De verschillen, bijvoorbeeld tussen een jonge programmeur en een alleenstaande moeder die via TaskRabbit schoonmaakklussen zoekt, zijn enorm.

Over gezamenlijk een vuist maken, laat staan staken, hoeven de crowdworkers zich dan ook geen illusies te maken. Het is zelfs al ingewikkeld om met je collega’s in contact te komen. De steeds schevere machtsverhoudingen waartoe dit soort flexibilisering leidt – in Nederland werken inmiddels zo’n drie miljoen mensen als zzp’er, uitzendkracht of op een tijdelijk contract – komen het duidelijkst tot uitdrukking in de arbeidsinkomensquote. Dat is het deel van de vruchten van de productie dat geplukt wordt door de werkenden zelf. Het hoeft niet te verbazen dat dit cijfer al jaren onophoudelijk daalt.

Het klinkt zo aantrekkelijk. In plaats van te somberen over de teloorgang van vakbondsmacht en sociale rechten hebben de pleitbezorgers van het postkapitalisme een zonnig verhaal: de Verlossing is nabij! Nu zijn de alternatieven, de talloze nieuwe commons die met de informatie-economie het toneel hebben betreden, daadwerkelijk inspirerend. Ze laten zien dat het kapitalisme niet de enige optie is. Een ander soort economie blijkt wel degelijk mogelijk. Maar de fout van de postkapitalisten is dat zij hun revolutie voorstellen als een automatisme. Een historische onvermijdelijkheid, waar je schijnbaar niets voor hoeft te doen. Het taaie proces van mensen organiseren en in beweging laten komen, wordt overgeslagen. De (internet)technologie doet het werk; ideaal voor studeerkamerfilosofen.

De wens lijkt hier de vader van de gedachte. Eerder dan als een hoogtechnologische, revolutionaire voorhoede oogt de crowdworker als een moderne, digitale dagloner. De nieuwe internetplatforms hebben daarmee iets weg van het dorpsplein van voor de industriële revolutie. De plaats waar de plaatselijke herenboer zijn personeel voor die dag selecteerde: jou wil ik wel, die lange daar ook; nee, jou hoef ik niet.

De ironie is pijnlijk. Ze wilden een postkapitalisme, deze dromers, maar ze kregen het hyperkapitalisme. Daarmee lijkt de gig-revolutie een heel andere belofte in te lossen: die van het marktdenken.

Het draait allemaal om de vraag die econoom en Nobelprijswinnaar Ronald Coase zichzelf ooit stelde. Waarom bestaan er bedrijven? Zijn antwoord: transactiekosten. Stel dat een ondernemer voor elke klus die hij heeft apart iemand moet inhuren. Dan moet er iedere dag opnieuw overlegd worden, onderhandeld over de prijs, contracten opgesteld over wie waarvoor verantwoordelijkheid draagt. Dat kost tijd én geld, aldus Coase. Daarom kiezen bedrijven ervoor personeel in dienst te nemen. Ze bieden werknemers een vast contract en een gegarandeerd inkomen, in ruil voor werklust en loyaliteit.

Zo vanzelfsprekend als dit klinkt, zo gênant is het voor de aanhangers van het ware, zuivere marktdenken. Maar volgens sommigen is de redding nabij. De gig-economie maakt het mogelijk arbeid als een echte markt te organiseren. Voor elke taak bekijkt een ondernemer opnieuw welke arbeider de beste prijs en kwaliteit biedt. De technologie zorgt ervoor dat de transactiekosten desondanks laag blijven. Ondertussen verhelpen de ratings het vertrouwensprobleem. Dat is niets minder dan een ultraliberale droom: het friction-free capitalism waar Microsoft-baas Bill Gates jaren geleden al hardop over fantaseerde.

De vraag is of het echt ooit zo ver zal komen. Er zijn goede redenen om daaraan te twijfelen. Zo strookt het ideaal van een vrije marktplaats niet met de dominante aanwezigheid van enorme, machtige bedrijven. Denk opnieuw aan Amazon en Google. Of neem Uber, dat haar taxitarieven van bovenaf oplegt. Is de taxicentrale daarmee niet gewoon een grote werkgever, en zijn haar crowdworkers dan ook werknemers? Daarover zullen rechters zich moeten uitspreken. Het zou één manier zijn om de opkomst van de kruimel-zzp’er een halt toe te roepen.

Als je iets met zekerheid kunt zeggen over de gig-economie, dan is dat toch weer een voorspelling van zo’n dekselse Italiaanse autonoom. In zijn A Grammar of the Multitude maakt Paolo Virno, wiens werk gekenmerkt wordt door een wat realistischer blik dan zijn collega’s, een interessante vergelijking. Ons moderne kapitalisme, schrijft hij, heeft steeds meer weg van een wereldtentoonstelling: ‘De productiemodellen, die elkaar over een lange periode opgevolgd hebben, keren allemaal tegelijk terug.’

Inderdaad zien we in onze economie niet langer één dominante productiewijze. En dus ook niet één homogene klasse die daarin het werk opknapt, zoals vroeger de arbeiders deden. Er zijn kenniswerkers, maar ook de cottage industries zijn terug van misschien wel nooit weggeweest. Nog altijd bestaan er miljoenen fabrieksarbeiders die, op een waaier van contracten, auto’s en smartphones maken aan de lopende band. En nu is er dus ook de kruimel-zzp’er – het zoveelste paviljoen op deze steeds bontere wereldtentoonstelling van de arbeid. Die metafoor sluit in elk geval aan op onderzoeken naar het ware gezicht van de kruimel-zzp’er. De uitkomsten daarvan suggereren dat vooralsnog weinig mensen geheel afhankelijk zijn van de gig-economie. Ze gebruiken het eerder als extraatje. Zo bleek uit een enquête van onder meer tno naar Nederlanders die hierin actief zijn dat slechts één op de vijf respondenten er meer dan de helft van zijn inkomen mee verdient. De rest van het geld komt van elders. Het ligt voor de hand dat dit nog veel meer opgaat voor gebruikers van slecht betalende sites als Upwork.

Het is de ontnuchterende realiteit. De crowdworker niet als revolutionaire Verlosser, noch de ultraliberale droom, maar gewoon, een mens die zijn rekeningen hoopt te betalen door een welkome aanvulling op het reguliere loon, de studiebeurs of de uitkering bij elkaar te schnabbelen.


Dit is de laatste bijdrage van Koen Haegens als redacteur van De Groene Amsterdammer. Per 1 september werkt hij voor de Volkskrant