Digitale stad ‘gewoon af en toe mijn gal spuien’

Het is de snelst groeiende stad van Nederland. Want de Digitale Stad zal deze week haar tienduizendste bewoner inschrijven. Het grote aantal bezoekers leidt inmiddels tot ernstige filevorming voor de elektronische poorten van de stad. Binnen de poorten vinden heftige debatten plaats. En wordt er veel gein en ongein getrapt. Een reportage aan de hand van -uiteraard digitale- straatinterviews.

Wat moeten mensen in vredesnaam met een Digitale Stad? Een stad heeft huizen, gebouwen, bioscopen, theaters, kroegen en restaurants. Een stad is gevuld met mensen, die leven, voelen, horen en zien. Een Digitale Stad is dat alles niet: plat op een scherm, eenzaam achter een toetsenbord.’
De hartekreet was geschreven toen de Digitale Stad nog slechts op papier bestond. Het bericht was een van de eerste bijdragen voor de forumgroep Technopolis, een virtueel discussiezaaltje in de Digitale Stad. Op 15 januari, toen de Digitale Stad officieel werd geopend voor het publiek, prijkte het ergens tussen de steigers.
Een digitale spookstad. O ja, er waren wegwijzers, in de vorm van keuzemenu’s, die je verwezen naar het postkantoor, de discussiezaaltjes, het stadhuis, de kantoorwijk en de bibliotheek. De archieven waren al flink gevuld, in de seksshops lagen de pornoverhalen klaar, vanaf het Centraal Station kon je wereldreizen maken via het Internet naar computers op de hele aardbol, maar om nou te zeggen dat de stad bruiste - nee.
Niettemin stroomde het publiek toe: de twintig telefoonlijnen voor de modemverbindingen waren van begin af aan continu bezet en daarnaast waren er altijd wel zo'n twintig anderen ingelogd via Internet-verbindingen. Elke dag zo'n tweeduizend bezoekers! Inmiddels, na zes weken, zijn er tienduizend vaste digitale-stadsbewoners, dat wil zegen mensen met een eigen opslaggebied in de Digitale-Stadcomputer en een eigen postbus voor electronic mail, e-mail. In de forumzaaltjes wordt inmiddels levendig en vaak zelfs verhit gedebatteerd - over Schiphol, de Centrumdemocraten en strategieen tegen extreem rechts, bouwen en breken in Amsterdam, al dan niet gaan stemmen, de gezondheidszorg et cetera. In de kiosk hangen steeds meer kranten en tijdschriften - onder andere NRC en De Groene - vaak zelfs eerder dan de gedrukte versies. In de digitale cafe’s (tekst-babbelboxen) is het voortdurend zo ontzettend druk dat, tot grote woede van de chat-junks, er sluitingstijden van 10.00 tot 22.00 uur zijn ingesteld.
Nee, de Technopolis-hartekreet was voorbarig: ook de Digitale Stad heeft huizen, theaters, kroegen en restaurants. De Digitale Stad is meer dan een elektronisch stadsplan of een gigantische database met beleidsnota’s, bestuursinformatie, partijprogramma’s, manifesten van belangengroepen, al is dat er ook allemaal. De Digitale Stad is wel degelijk gevuld met ‘mensen die leven, voelen, horen en zien’.
Wat doen mensen als ze een stad bezoeken? Veel rondbanjeren, flaneren, op terrassen zitten. Digitaal 'statten’ gaat niet veel anders: hoppen van menu naar menu, van de digitale-stadsmenu’s naar de zogeheten Gopher-menu’s, die direct verbindingen leggen met allerlei materiaal dat zich op Internet-computers elders in de wereld bevind. Wie in de Digitale Stad bijvoorbeeld naar de bibliotheek gaat, kan hop! naar de catalogus van de bibliotheek van Amsterdam, maar net zo makkelijk - nou ja, de verbinding duurt vaak even - naar die van New York of Helsinki.
En terwijl mensen rondbanjeren, kunnen ze overal hun berichten achterlaten. Prive’-berichten via e-mail, of openbare berichten in de forumgroepen. De Digitale Stad is wat dat betreft een groot gastenboek, vol complimenten, tips en vragen. En met het nodige geklaag natuurlijk: dat de verbindingen zo traaaag zijn, dat er te weinig inbellijnen zijn, dat het uploaden (het versturen van bestanden naar de Digitale Stad) dan wel het downloaden (het binnenhalen naar de eigen computer) weer niet werkt, dat je tot aan je knieen door de menu’s moet waden, dat het toch veel mooier en sneller kan met plaatjes in plaats van met tekstmenu’s. Of dat mensen niet zo moeten zeuren en blij moeten zijn met deze unieke Digitale Stad.
'Dude’ (Theo Dudeck) is zo'n rondbanjeraar. Hij liep al rond toen de stad nog in de steigers stond en liet toen pesterige berichtjes achter als 'Huh? Waar gaat deze nieuwsgroep over?’ of 'Slechts een lullig berichtje hier?’ Maar naarmate de bijdragen en de (vooral technische) vragen binnenstroomden, was hij nooit te beroerd om overal raad te geven. En toen iemand zich kenbaar maakte als potentiele CD-stemmer, ging hij wekenlang openbaar in debat met die jongen. Hij lijkt wel vierentwintig uur per dag ingelogd te zijn.
Hem maar eens gemaild - vreemden aanspreken in de Digitale Stad is niet zo moeilijk. Is hij nou een hacker? Nee hoor, programmeur, 'hacker is een vies woord tegenwoordig’. Hij vermoedt wel dat zijn eerste kennismaking met Internet (in 1988) hem nu in de bak zou doen belanden. Inmiddels is hij een doorgewinterde Internet-reiziger, maar hij tikt in de Digitale Stad voortdurend mensen op de vingers die blaselopen te klagen. Immers: 'De Digitale Stad ziet er leuk uit en is het eerste systeem dat een min of meer gebruikersvriendelijke omgeving voor Internet-gebruikers biedt. Mensen zitten nu vooral nog te experimenteren.’ Zo'n proeftuin voor het Internet vindt hij uitermate zinvol, tenzij 'mensen het alleen maar als babbelbox gaan gebruiken’.
Tja, die digitale cafes, een fenomeen apart. Als je binnenkomt en verdwaasd staart naar de tekstflarden op je beeldscherm, is er altijd wel een grappenmaker die je wat te drinken aanbiedt of je begroet met 'Zoenderdezoen. Dag Marianne!’ Jawel, digitale ongewenste intimiteiten. En ook vechtpartijen: wie zich misdraagt in het digi-cafe, kan eruit worden geschopt. De gesprekken zijn typisch des kroegs: kletspraatjes, soms serieuze discussies, soms mensen die bijpraten met hun kennissen uit het buitenland. De top-tien van de meest gemaakte cafe’-opmerkingen spreekt boekdelen:

  1. 'Hoe weten jullie mijn naam?’ (Via een commando, maar newbies - nieuwelingen - weten dat natuurlijk nog niet.) 2. 'Ik moet gaan, heb nog maar vijf minuten’ (De 45 minuten inlogtijd is bijna om.) 3. 'Waarom word ik er steeds afgekickt?’ 4. 'Help, ik zie alles maar op 1 regel!’ (Terminalinstelling verkeerd.) 5. 'Hoe kom ik hieruit?’ 6. 'Exit, stop, quit, QUIT, help.’ 7. 'Het is niet echt druk hier.’ 8. 'Wie wil er wat drinken?’ 9. 'Wie is die mrjoost?’ (Een chat-junk). 10. 'Waar gaat het over?’ De Digitale Stad kent dus zo zijn eigen kroegtijgers en branieschoppers. Criminaliteit is echter nagenoeg afwezig; de forumdiscussie daarover loopt in elk geval van geen kant. Wonderlijk eigenlijk dat bejaarden zich niet in de Digitale Stad vertonen - daar kun je immers nog veilig over straat - maar de forumgroep voor ouderen is nog steeds geheel leeg. Wel schijnt het Amsterdamse bejaardenhuis Flesseman al weken bezig te zijn om on-line te komen. Nu zou het kunnen dat er wel degelijk krasse knarren door de stad cruisen, zij het onherkenbaar. In de Digitale Stad weet niemand immers hoe je eruit ziet en wat je leeftijd is. De meest verlegen puistekoppen kunnen dus in de digi-cafes de playboy uithangen. Namen kun je wel altijd zien en daaruit valt af te leiden dat er weinig vrouwen en nauwelijks migranten digitaal statten. Buitenlandse namen duiken eigenlijk alleen op in de scholierendiscussie, waar havo-leerlingen melden wat zij zouden doen als ze burgemeester van Amsterdam zouden zijn. Digitaal flaneren kent zo zijn eigen problemen. De Digitale Stad is weliswaar een wonder van gebruikersvriendelijkheid, zeker in vergelijking met het 'kale’ Internet, maar voor de meeste mensen is alleen al een modem installeren een hels karwei vol abacadabra over baudrates, terminalemulaties en download-protocollen. De VVV cq. EHBO van de Digitale Stad, de helpdesk, krijgt daar dan ook veel vragen over (en over vergeten passwords). Maar het grootste probleem is de verkeerschaos. Er zijn vrijwel altijd files bij de ingang en eenmaal binnen wil er nog wel eens een verbindinkje uitvallen door de overbelasting. De arme Digitale-Stadcomputer staat voortdurend te koken. Want dat zou je bijna vergeten: de Digitale Stad is gewoon een computer. Hij staat naast XS4all (spreek uit: 'Access for all’), het vlaggeschip van Hacktic: de eerste computer in Nederland die een betaalbare Internet-toegang bood aan particulieren en non-profit-organisaties. De Digitale Stad is een nieuwe mijlpaal van Hacktic: gratis (althans tot 1 april) publiekskennismaking met het Internet, via een Nederlandstalige, gebruikersvriendelijke stadsmetafoor en een draadje tussen de DDS-computer en XS4all. Dat kon worden geregeld in samenwerking met politiek-cultureel centrum De Balie en de steun van sponsors, het ministerie van Economische Zaken en de gemeente Amsterdam. Er komen immers verkiezingen aan en was er ook niet iets met de kloof tussen burger en politiek? Rop Gonggrijp, een van de Hacktic-stadsbouwers: 'De bedoeling is dat meer mensen te weten komen dat er een parallel universum aan het ontstaan is op het net. Als we daar nu niet mee beginnen, dan zal het net zonder twijfel geheel in handen van een paar grote bedrijven vallen. Tenminste een deel van het Internet hoort openbare infrastructuur te zijn.’ Felipe Rodriquez, ook van Hacktic: 'De Digitale Stad is een voor de wereld unieke samenwerking tussen cultuur, politiek, media en techneuten. Voor het eerst zijn overheidsarchieven zo openbaar geworden, voor het eerst kunnen politici en burgers digitaal met elkaar communiceren, voor het eerst experimenteren kranten en tijdschriften met deze nieuwe vorm van massacommunicatie.’ De populairste informatie in de stad? 'De archieven van de gemeente, NRC Handelsblad, Het Financieele Dagblad en De Groene (echt!)’ Joost Flint schreef de handleiding voor de Digitale Stad. Nee, geen hacker, eerder een 'romanticus’ en een 'politicus’, die wil 'bekijken hoe zo'n nieuwe technologie maatschappelijk geengageerd te gebruiken is’. Internet biedt zeker dat perspectief: 'Het is een onuitputtelijk reservoir van kennis, kennis in de hoofden van mensen en in computers. De kracht van het medium is koppeling en samenwerking.’ Je kunt immers honderdduizenden boeken, artikelen en computerprogramma’s gratis van het net plukken. Dat is een principieel ander mechanisme dan het profijtbeginsel en de afscherming waarop de vrije markt is gebaseerd: 'Als mensen en instituties hun relaties gaan baseren op samenwerking in plaats van afscherming, heeft dat overal invloed. Het denken zelf verandert erdoor.’ De romantische politicus wordt lyrisch: 'Het Internet is een fantastisch platform voor volwasseneneducatie. Als de dokter zegt dat je kunt kiezen uit twee geneeswijzen, is het Internet straks de aangewezen manier om dat af te wegen. Huurderscomite’s en advocaten kunnen er hun kennis delen met elkaar en hun clienten. Netwerkvorming en thuiswerken kunnen leiden tot minder files, meer deeltijdarbeid, meer zorg van mannen voor kinderen en meer zorg voor bejaarde of zieke ouders.’ Dat is wel heel visionair. De eerste kennismaking met Internet kan niettemin enorm aanstekelijk zijn. Neem Steven Lenos, planoloog, en moderator - een soort digitale voorzitter zonder hamer - van de forumdiscussie 'Bouwen en breken in Amsterdam’. Een newbie die zich met hart en ziel op het net heeft gestort: 'Met enig pathos: ik voel mij soms een wereldreiziger. Ik laat een computer in Californie draaien om mij alle sonnetten van Shakespeare toe te sturen. Ik kom in streken waar ik nog nooit ben geweest en val van de ene verbazing in de andere. Weleens Amerikanen argumenten zien zoeken waarom ze zouden gaan fietsen, of een Amerikaanse fietser horen klagen dat andere fietsers steeds minder vaak terugzwaaien?’ Maar bieden de nieuws- en discussiegroepen nu ook nieuws dat elders niet te vinden is? Geert Lovink is oprichter van Bilwet (Beoefening Illegale Wetenschap), een stichting die zich bezighoudt met onze 'neo- natuurlijke omgeving’ van media en technologie. Hij loopt al langer rond op het Internet en vindt heel vaak en vooral snel werkelijk nieuwe informatie: 'Vooral in de nieuwsgroep yugo.anti-war lees ik vaak dingen die ik niet elders te horen of te zien krijg.’ Marleen Stikker, werkzaam bij De Balie en door sommigen de 'burgemeester van de Digitale Stad’ genoemd, wijst op de discussie over en met de CD-stemmer: 'Elders slaan mensen er meteen op, in dit medium kun je rustig aan je argumentatie schrijven. Er is een archief van wat je eerder hebt gezegd, daar kun je niet meer op terugkomen. Ik heb zelden zo'n constructief debat gezien.’ Dude volgt - naast kennelijk de hele Digitale Stad en vooral de CD-discussie - de groep 'rec.martial-arts’ over vechtkunst, en diverse technische nieuwsgroepen: 'Ik pik vooral uit de programmeerniewsgroepen veel dingen op die te diep gaan om in een tijdschrift gepubliceerd te worden.’ En Felipe Rodriquez: 'Tijdens de coup in Rusland was het Internet de enige manier om te communiceren met dat land. Evenzo tijdens de Chinese opstand op het Plein voor de Hemelse vrede.’ De nieuws- en discussieforums houden het midden tussen een live-zaaldiscussie en een ingezonden-brievenpagina, waar iedereen direct zijn zegje kan doen. Lenos: 'Je hoeft geen alom gerespecteerde wetenschapper te zijn om toch je verhaal over het voetlicht te krijgen zonder dat je in de rede wordt gevallen of dat je een voorzitter spreektijd moet afsmeken.’ Dude: 'Niemand kan zeggen: ho, ho, dit publiceren we niet hoor, dit kan niet. Ik gebruik sommige nieuwsgroepen dan ook af en toe om mijn gal te spuien :-).’ (Dat laatste teken, gelezen met het hoofd een kwart slag naar links, is het e-mailsymbool voor 'grijns’.) Wijnand Duyvendak - werkzaam bij Milieudefensie en moderator van de DDS-nieuwsgroep Schiphol - is echter 'niet wild enthousiast’ over het niveau van de bijdragen - en dan heeft hij het nog niet eens over die gek die zo nodig in de Schiphol-groep de naam moest publiceren van de 'hippie waarmee mijn ex er vandoor is’ en de reactie van die 'hippie’ daar weer op. Duyvendak: 'Iedereen kan er maar wat roepen en dat maakt het vrijblijvender dan een serieuze zaaldiscussie waar vaak toch echt wat op het spel staat. De Schiphol-nieuwsgroep wordt kennelijk vooral gebruikt door stadswandelaars die ’m toevallig tegenkomen en dan snel even een reactie typen. De kunst van het posten van een wat uitvoeriger reactie beheerst bijna niemand.’ Duyvendak gelooft niet dat het medium in een gigantische behoefte zal voorzien: 'Het is surplus, extra, en ik zie vooral het politieke nut van de toegankelijkheid van zoveel mogelijk gratis informatie. Of het een perspectiefvol discussiemedium is, betwijfel ik. Bij een goede discussie moet het zinderen, moet je elkaar zien zweten - het beeldscherm blijft toch maar kil en afstandelijk.’ Marcel Bullinga, publicist, newbie op het net maar wel al langer een enthousiaste afschuimer van bulletin-boards (openbare computersystemen die niet op het Internet zitten) vermoedt 'dat de DDS-nieuwsgroepen binnenkort zullen afsterven. Je ziet het nu al: alleen Technopolis en de Hacktic-Internetgroepen lopen goed (logisch: omdat het over het medium zelf gaat).’ De Digitale Stad vindt hij 'schitterend, maar wel gebruikersonvriendelijk: inconsistente menu’s, een handleiding die nodig is om de zaak echt te doorgronden, regelmatig problemen met crashen en downloaden…’ De tienduizend stadbewoners laten zich kennelijk toch niet afschrikken. Voor de meeste mensen zal vooral e-mail een openbaring zijn: niet alleen sneller, informeler en minder omslachtig dan een brief; je kunt ook computerprogramma’s, je proefschrift of artikelen opsturen. Patrick Oonk - 'Kafka’ is zijn inlognaam en zijn visitekaartje vermeldt 'cyberpunk’ - werkt bij Hacktic en daarnaast als house-DJ. Beide soorten vakkennis haalt hij al jaren van het Internet, eerst als kraker, nu legaal. Hij vindt per dag zo'n acht persoonlijke e- mailbrieven in zijn postbus en zo'n dertig tot veertig zakelijke voor Hacktic. 'Ook veel vragen van mensen die me mailen nadat ze een bericht van mij in een publiek forum hebben gezien.’ Geert Lovink ontvangt tussen de vijf en tien e-mailberichten per dag. Ja, qua inhoud zeker anders dan PTT-post: 'Meer originele documenten en onbewerkte info. Verder ben ik gewoon vaker met Zagreb, Tokyo en Montreal in contact.’ Marleen Stikker belt en faxt steeds minder. Haar dagelijkse portie omvat zo'n twintig e-mailberichten: 'Veel internationale vragen over de Digitale Stad, aankondigingen van internationale conferenties en allerlei creatieve voorstellen voor nieuwe gebouwen in de stad: een kerk, een bank, een digitale kunstacademie, een denksportcentrum, een architectuurmuseum.’ Felipe Rodriquez ontvangt wel zo'n zeventig berichten per dag - 'meestal over Hacktic en de Digitale Stad, af en toe berichten van vriend(inn)en en de laatste week digitale interviews :-’ - en Dude is goed voor zo'n vier tot tien mailtjes per dag: 'De helft over computerzaken, de andere helft sociaal: hallo, hoe gaat het, hoe is het weer bij jullie. Het merendeel is gericht aan mensen die ik al “ken” - al heb ik velen daarvan nog nooit ontmoet - , ongeveer een kwart aan mensen die ik niet ken. Soms gaat dat een tijd door en zo wordt zo'n persoon dan iemand die je “kent”.’ Duyvendak pakt nog steeds liever de telefoon, al heeft e-mail wel voordelen: 'Het is net als wanneer je belt en stiekem hoopt op een antwoordapparaat: je kan je bericht kwijt maar hoeft niet een heel sociaal gesprek te voeren en aardig te zijn.’ Dude: 'Via e-mail leer je iemand nooit voor honderd procent kennen. Iemand die een grote bek heeft via e-mail, kan in het echt heel verlegen zijn. Maar ook persoonlijke zaken kun je op je gemak intikken, je hoeft niet naar woorden te zoeken.’ Joost (zo'n tien berichten per dag): 'Maar daardoor kan het ook sneller emotioneel en kwetsend zijn. En in zekere zin ook laf, omdat je niet rechtstreeks wordt geconfronteerd met de ander.’ Over laf gesproken: waar blijven de politici? Moesten die niet digitaal communiceren met het volk? De vraag zindert door de Digitale Stad en de conclusies ook: de politiek plengt krokodilletranen over de kloof tussen burger en bestuur. Lenos: 'De Digitale Stad lijkt echt op de echte wereld: de politici zitten ook hier in hun eigen stadhuis en hun eigen digitale kantoortjes!’ Inderdaad, de digitale stedelingen bediscussieren allerhande politieke onderwerpen maar de politici zelf zijn nergens te bekennen. Ja, hun partijprogramma’s en -archieven zijn in te zien, maar dat de Digitale Stad meer is dan een passieve database waar je je spullen in dumpt, is nog niet doorgedrongen. Maar de politici krijgen een herkansing: 1 april loopt het Digitale-Stadexperiment officieel af - maak het structureel en laat niet alleen de burgers kloven overbruggen…