Dijken worden dijen

het water is woest wijlzij rokken slootvernuft bewaarde de grommen van het waterde loden lust inhet wantij de aftocht van het watersloopt haar rokkenverwulfbewaarster

In zijn meeslepende Gebruiksaanwijzing der lyriek (1927) ontwerpt Paul van Ostaijen een suggestieve theorie over de werking van poëzie, waarbij hij stelt dat klank en betekenis een verbintenis moeten aangaan: ‘Zijn beide verenigd, de zin en de klankwaarde, dan spreek ik van de sonoriteit van het woord en daarmee bedoel ik, zoals in de schilderkunst, het trillen der waarden tot elkaar, het imponderabele dat in de spanning ligt tussen twee woorden, spanning, die door geen teken verbeeld, toch de essentiële trilling is.’

Dat klinkt mooi, maar roept bij nader inzien meer vragen op dan er beantwoord worden. In de eerste plaats lijkt Van Ostaijen er ten onrechte van uit te gaan dat er een magisch verband bestaat tussen klank en betekenis, in de tweede plaats zijn begrippen als ‘het imponderabele’ en ‘essentiële trilling’ zo vaag dat er eigenlijk niets gezegd wordt. Niettemin heeft Van Ostaijen gelijk, zoals de geschiedenis van de dichtkunst laat zien, want iedere dichter en poëzielezer kent de evocatieve kracht van taalmuziek. Poëzie is een placebo die zelden zijn uitwerking mist.

Ben Zwaal (1944) beoefent als weinig anderen ‘de sonoriteit van het woord’, al vele bundels lang. Zijn biotoop is het Hollandse landschap met brede waterwegen, havens, weilanden en ongenaakbare wolkenluchten, en hij kent het geheim om met een minimum aan woorden een bezielde wereld op te roepen. Zijn nieuwe bundel opent met wat misschien het kortste gedicht uit de Nederlandse literatuur is:

tij

grijst

Niet alleen drukken de twee lettergrepen op een overigens witte bladzijde – jammer dat er nog een paginanummer is – de nietigheid van het spreken en van de menselijke existentie binnen de grootsheid van de kosmos uit, de klanken zijn ook perfect gekozen. De herhaling van de ij en het feit dat de tekst begint en eindigt met een t lijken de eeuwige kringloop van eb en vloed te imiteren, terwijl de eentonigheid een maar al te bekend weertype tekent. Bovendien heeft ‘grijst’ een personifiërend aspect, als is het tij een man of vrouw op leeftijd.

Eerder een vrouw dan een man, waarschijnlijk, want de dichter bezingt het land als een gulzige minnaar: ‘de hemel is rukwind/ bolt het dek op// bloosblank/ zachte zoetlip// zoenige benen/ onder rijmrok’. Dijken worden dijen, en waar water buiten zijn oevers treedt, vindt een erotische schermutseling plaats:

liederen van vrome bloemen

verzetten de dijen

uit het broek beent het water

over de polder

kleedt ingelanden

opdat zij hun bloemen

kletsnat verschansen

Hier en daar gaat de klank zozeer zijn eigen gang dat de betekenis bijzaak wordt. Zwaal toont zich op zulke momenten verwant met de vrijwel vergeten Jan Engelman (‘groen is de gong van de zee’), maar ook met de Zeeuwse minimalist F. van Dixhoorn. Ik zou niet weten wat ik me moet voorstellen bij ‘zee ovuleert mastodonten’, maar in combinatie met ‘duin/ is west/ een wonne’ wordt de zin volkomen aanvaardbaar.

De bundel heeft echter meer te bieden. Met een verwijzing naar Vondels Constantijntje schetst Zwaal een beeld van religieus getinte hoogmoed die ten val komt, en dat binnen een reeks die de staf breekt over minder prettige kanten van de moderne consumptiemaatschappij. Heidenen, zegt hij, bouwden aan het einde van de ijstijd koepelgraven in heidevelden, maar ‘christenen razen/ op meubelboulevards’. Erger is een potentieel explosieve verruwing in het politiek discours. De volgende regels moeten wel betrekking hebben op zeker geblondeerd Kamerlid en zijn door ressentiment gedreven aanhang:

smaakland smakt bitter het vijzelgebit

woorden ploderen in en uit

vlamvertragers verzaken

schermutseltaal slaat

de kreupele kop op

doch er schalt een toon

lokmaestro’s harpoeneren de stem

In een andere reeks refereert Zwaal aan de twijfelachtige consequenties van wat Balkenende recentelijk de voc-mentaliteit heeft genoemd. Vloten ‘vereffenen zeepaden’, maar wanneer die paden in de volgende regel tot ‘padie padie’ transformeren, is het duidelijk dat er een agressieve, op winst beluste kolonisator op weg is:

schotels dienen de spijs af

hangen de gebraden

patrijzen de keelpoorten uit

gevloerd de maaldrift

het naaiend vertier sopt de scheden alert

rijstebranden smullen het alang alang

Grimmige strofen als deze detoneren in de organische wereldorde die Zwaal in de rest van de bundel zo welsprekend tot klinken brengt, maar het maakt ze des te effectiever.

Uiteindelijk hebben natuur en eeuwenoud cultuurlandschap toch het laatste woord. In de eerste reeks staat een gedicht dat begint met de hoogdravende regels ‘porta coeli/ extase’, waar de Latijnse woorden (hemelpoort) de naam van een schip zouden kunnen zijn. Welvaart, aldus de volgende strofe, ‘zoog/ hoeve melkvloei/ leeg’. De economische en ecologische crisis is een feit. Maar na de herrie en vervuiling van de Rotterdamse haven te hebben aangestipt eindigt het gedicht als een lyrische psalm: ‘rijnmonde/ almonde’. Wij verdwijnen, het landschap blijft.

B. Zwaal

Oever drinkt oever

Wereldbibliotheek, 72 blz. € 19,90

Paul van Ostaijen

Gebruiksaanwijzing

der lyriek

Bezorgd door Matthijs de Ridder

Huis Clos, 64 blz. € 15