Perquin

Dik

Ik heb een vriend die het somber inziet voor de mensheid. Jarenlang is hij een rasoptimist geweest. Een humorvolle man. Nu zit hij thuis, achter gesloten gordijnen. Om de wereld niet onder ogen te hoeven komen. Ik ging laatst bij hem langs. ‘We zijn met te veel’, zei hij, terwijl hij koffie inschonk. 'En we worden te dik.’ Ik knikte. Zulke dingen lees je inderdaad. 'We willen niks’, vulde hij aan. 'Behalve eten en neuken.’ Daar wist ik geen antwoord op. Het leek mij geen goed moment om tegen te werpen dat we nog veel meer willen. Oorlog voeren bijvoorbeeld. Blikken verf door de gootsteen gieten. Heel hard rijden door de bebouwde kom. Ik kan zulke dingen best opbeurend zeggen, maar hier leek het mij toch ongepast. 'Eten en neuken’, herhaalde hij nog eens. Hij zette een groot pak speculaasjes op tafel. 'Vroeger at ik zulke dingen niet’, zei hij. 'Geraffineerde suikers. Nu denk ik: wat maakt het nog uit?’
Ik knikte nog maar een keer en dacht aan het woord 'speculaties’. Een pak speculaties. Om toch iets te zeggen vertelde ik over een artikel dat ik gelezen had. Het ging over een experiment dat was uitgevoerd in een kantoorgebouw in New York. Om te testen wat het effect van levende planten op de werksfeer was, werden tussen de bureaus honderden yucca’s neergezet. Na drie maanden bleek het ziekteverzuim te zijn gedaald. De productie was bovendien met twintig procent gestegen. De directie was zo van de resultaten onder de indruk dat besloten werd het hele pand klimaatneutraal te maken en een deel van de winst structureel te doneren aan bosbehoud. 'Dus’, zei ik, 'zo zie je maar.’
Mijn vriend zweeg. Hij pakte een speculaasje en begon, starend naar de gesloten gordijnen, te eten. Een tijdlang was alleen het geluid van zijn malende kaken te horen. Ik trok mijn jas aan. 'In New York’, zei hij toen ik opstond, 'worden de mensen nog dikker dan hier.’ Hij schudde mij zwijgend de hand. Toen ik naar huis fietste hing de geur van droefenis als een walm om me heen.