Strafpleiters en ethiek (2)

Dikke enveloppen voor de advocaat

Het honorarium van strafrechtadvocaten is een heikele kwestie. Over enveloppen met cash van cliënten uit de onderwereld wordt liever gezwegen. Deel 2 over de ethische dilemma’s van de strafadvocatuur.

In zijn boek Leugens om bestwil (1997) beschrijft strafadvocaat Gerard Spong het dilemma van de advocaat die een declaratie wil innen bij een cliënt in een drugszaak. Moet hij onderzoeken of het geld van een misdrijf komt? Of moet hij de verdenking van heling op de koop toe nemen? Weliswaar is de kans op vervolging klein, ‘het blijft niettemin een onbehaaglijk gevoel steeds die verdenking op je te laden’, vindt hij. En dan volgen pagina’s met juridische argumenten om dit onderwerp, ‘dat tot dusverre taboe is geweest’, uit de taboesfeer te halen.

Is de honorariumkwestie inmiddels bespreekbaar? Op sociale media leidt het tot felle discussies, die vaak uitmonden in grove beledigingen. Arrogante toga’s die grof verdienen aan de drugsgelden van foute types, daar komt het op neer. Sporadisch duikt het op op de opiniepagina’s van de gevestigde media. Maar strafadvocaten zelf hoor je er zelden over. Beseffen zij misschien te goed dat de bron van hun inkomsten soms wringt met hun rechtsstatelijke positie?

Onlangs lekte een justitiedocument dat verband hield met het Marengo-proces uit naar de pers. Het bevat onder meer transcripties van sms-berichten uit 2015, verzonden via versleutelde pgp-telefoons, waarvan de code later werd gekraakt door justitie. Er wordt onbekommerd overlegd over de betaling van cashgeld aan de advocaten van verdachten die net zijn gearresteerd, en die bij de organisatie zouden horen. Later spreekt men over het overhandigen van twee keer een enveloppe met vierduizend euro cash aan twee strafadvocaten. ‘Bro, ik ga die 2 x 4000 brengen en dan ga ik met hun beide zitten en eigenlijk wil ik hun vragen wat vragen jullie totaal voor de hele zaak?’ aldus een bericht. Het is chatverkeer tussen derden; de advocaten zelf komen niet aan het woord. Onderzoek ernaar ligt nog ‘onder de deken’. Maar het kan een indicatie zijn van hoe betaling van advocaten in de onderwereld wordt geregeld.

In het kader van onze zoektocht naar ethische dilemma’s van strafadvocaten willen we weten hoe het met ‘het geld’ zit. We komen laconieke opvattingen tegen over betalende cliënten en de herkomst van hun geld, waarover de advocaten vooral niet het naadje van de kous willen weten. Om de precaire kern van de zaak draait men heen. Dat verdachten uit de hogere regionen van de onderwereld bijna altijd terechtkomen bij de crème de la crème van de strafadvocatuur, bijvoorbeeld, komt doordat die cliënten daarmee tegenover elkaar kunnen scoren. ‘De marktwaarde van een topcrimineel stijgt als hij een topadvocaat neemt’, stelt de Amsterdamse strafpleiter Peter Plasman.

Is het omgekeerde niet ook het geval? Steevast krijgen we te horen: iedereen heeft recht op een advocaat en die moet bijstand kunnen verlenen tegen een fatsoenlijk honorarium. Maar het in rekening brengen van een overmatig honorarium en profiteren van criminele gelden is niet toegestaan. Pas na lang doorvragen ontstaat er iets van ongemak. ‘Veel geld aanpakken terwijl je weet dat het van criminele herkomst is, dat vind ik geen prettige discussie’, zegt Plasman, die het daarom een goede zaak vindt dat de bancaire overboeking het contante afrekenen goeddeels heeft vervangen.

Wij blijken te morrelen aan iets wat politiek zo lastig is dat men het liever afdekt. ‘Het is een detail in de grote ellende van het witwassen en als je erin gaat roeren, krijg je heel veel gedoe’, zal Germ Kemper, oud-deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, later zeggen.

Tot ver in de vorige eeuw was rechtshulp in strafzaken een nauwelijks ontgonnen terrein. Verdachten werden vaak pro Deo bijgestaan door stagiaires, en áls zij al geld hadden, was het meestal zwart – daar wilden deftige kantoren niets mee te maken hebben. Pas toen leemtes in de rechtshulp een politiek onderwerp werden, begon de staat gefinancierde rechtshulp te faciliteren. Iedere verdachte, ook uit de criminele wereld, die in voorlopige hechtenis wordt genomen, kan er sindsdien aanspraak op maken. Zo worden de advocaten van Willem Holleeder via zo’n ‘toevoeging’ betaald, hebben ze zelf laten weten.

Strafadvocaten als Bénédicte Ficq en Stijn Franken draaien naar eigen zeggen voor tachtig procent op toevoegingen. Op #weski weet menige twitteraar zeker dat Inez Weski zich laat betalen uit de drugsgelden van haar cliënt Ridouan T., maar dat staat geenszins vast. Ze geeft hierover geen informatie. ‘Duidelijk is, dat grote delen van het publiek ten aanzien van de rechtsbijstand in het Marengo-proces kennelijk een juridisch en financieel volstrekt scheef beeld hebben’, aldus Weski in een mail aan ons zonder verdere toelichting. Wel schrijft ze: ‘In zijn algemeenheid kan overigens worden gesteld, dat vele werkzaamheden in strafzaken op toevoegingsbasis (zoals studie wetten/literatuur enz) überhaupt niet worden vergoed.’

Haar reactie strookt met die van veel van haar collega’s; strafadvocaten richten hun pijlen al jaren op het stelsel van toevoegingen. Dat stelsel is door bezuinigingen uitgekleed, waardoor zij moeten werken voor een fooi. ‘Alles boven de 24 uur wordt per uur betaald’, zegt Jan Frederik Schnitzler, strafadvocaat en deken in Oost-Brabant. ‘Het is onvoorstelbaar moeilijk om meer uren te krijgen. Het kan dus best zo zijn dat je vijftig uur werkt en maar voor 24 uur betaald krijgt.’ In grote strafzaken kun je wel makkelijker die extra uren krijgen. ‘Als je als advocaat genoeg klanten hebt en geen personeel, en je hebt extra uren, dan is het goed te doen, als je de kosten verder laag houdt’, zegt de jonge Amsterdamse advocaat Vito Shukrula. Ficq bestrijdt dat: ‘Bij een toevoegingszaak krijg je honderd euro bruto, dan houd je niks over. Wij verzinnen al die zittingsdagen niet zelf. En als de uren op zijn, zitten we letterlijk voor niks te werken – dat is een schande.’

‘De marktwaarde van een topcrimineel stijgt als hij een topadvocaat neemt’

Voor een advocaat is het lucratiever als een vermogende cliënt zelf zijn verdediging financiert. In de tijd van de Maastrichtse strafpleiter Max Moszkowicz ging dat gepaard met op kantoor afgeleverde stapels bankbiljetten, een praktijk die tot in de jaren negentig wijdverbreid raakte onder nieuwe generaties strafpleiters. ‘Als wij een nota schreven, mocht dat cash betaald worden, al was het vijftigduizend euro’, zegt Pieter van der Kruijs, tot aan zijn pensioen decennialang strafadvocaat in Den Bosch. Peter Plasman begon eind jaren tachtig als stagiair en kent vooral de verhalen. ‘Veel cliënten willen natuurlijk cash betalen. Ze willen hun cashgeld kwijt, ze hebben ook alleen maar cash’, zegt hij erover. ‘Maar het is strenger geworden, ook omdat de Orde zich is gaan bemoeien met de betalingen.’

De Orde van Advocaten begon de betalingen te reguleren in de jaren negentig, in de periode dat Gerard Spong het thema in Leugens om bestwil aanstipte. Directe aanleiding was de vervolging van de Haagse advocaat Mischa Wladimiroff, bekend om zijn scherpzinnige verdediging in fraudezaken, op verdenking van heling en het aannemen van geld onttrokken aan een faillissement. De Orde was in rep en roer. Iedere verdachte heeft recht op kwalitatief hoogstaande verdediging, ook verdachten zonder een officiële bankrekening, werd van die zijde benadrukt. Er volgde overleg tussen advocatuur en Openbaar Ministerie (OM). De uitkomst: cash betalingen werden vanaf 1995 van regel tot uitzondering.

Voortaan moest het betalingsverkeer in principe keurig via de bank verlopen, het uurtarief ‘redelijk’ zijn en was er een deugdelijke boekhouding vereist. In ruil daarvoor zou het OM zich ‘zeer terughoudend’ opstellen – advocaten verwijzen in dit verband naar een brief van de procureurs-generaal uit 1995. Uit mailcorrespondentie met ons blijkt dat het OM dit ‘herenakkoord’ niet kent, hoewel ze zich kunnen voorstellen dat terughoudendheid is afgesproken. Volgens de advocatuur werd met die brief betaling van een redelijke vergoeding voor diensten veiliggesteld. Dat werd uitgewerkt tot de ‘Bruyninckx-richtlijnen’ en in 2015 verwerkt in de Verordening op de advocatuur.

Wladimiroff schikte de zaak (om, zei hij indertijd, bij de verdediging niet in de problemen te komen met zijn geheimhoudingsplicht). De Orde zorgde voor regulering. Sindsdien zijn er geen advocaten meer vervolgd op verdenking van heling of witwassen. Spong, indertijd kantoorgenoot van Wladimiroff, typeerde de situatie zo: het welbewust aanvaarden van een ‘leugen om bestwil’, omdat alle betrokkenen, ‘ieder vanuit een eigen honorabel belang’, onder hetzelfde hoedje spelen.

In 2011 bleek de Belastingdienst minder terughoudend te zijn bij controle van de boekhouding van Bram Moszkowicz. De flamboyante strafpleiter zou ten minste een miljoen euro cashgeld hebben achtergehouden. Het bewijs zat onder meer in stapels bonnetjes van aankopen in de P.C. Hooftstraat te Amsterdam. Dit leidde binnen de eigen beroepsgroep tot een serie klachten over zowel de financiële integriteit als de algehele professionaliteit van Moszkowicz, en luidde de neergang in van een roemruchte advocatendynastie. Na Bram vielen ook twee van zijn drie broers van ‘het tableau’.

Aan de ene kant is er dus de staat die de rechtshulp in strafzaken in de ogen van velen onvoldoende financiert. Aan de andere kant zijn er cliënten (vooral in drugszaken) die juist graag willen betalen, maar slechts contant geld hebben. Een en ander leidt tot redeneringen die soms gewrongen aandoen. ‘Als een crimineel een brood koopt, wordt ook niet van de bakker verwacht dat hij hem dat weigert. Voor de advocatuur geldt hetzelfde’, aldus de algemeen deken van de Orde van Advocaten Jeroen Brouwer in 2005 in een standpunt dat wij, in tal van variaties, ook horen. Maar anders dan een bakker heeft een advocaat een gedragscode en kan hij bij een cliënt die wordt verdacht van bijvoorbeeld grootschalige drugshandel vermoeden waarmee dat geld is verdiend.

Hoe werkt de cashgeldregel in de praktijk? ‘Er is een kleine categorie cliënten zonder bankrekening, nou die kunnen niet verstoken blijven van rechtsbijstand’, zegt Jan Frederik Schnitzler. ‘Bij hoge uitzondering en alleen wanneer de situatie dit rechtvaardigt is daarom tot vijfduizend euro cash per cliënt per jaar toegestaan, daarboven is het slechts geoorloofd na overleg met de deken.’ Maar volgens Peter Plasman wordt de regel zo uitgelegd dat je tot vijfduizend euro gewoon mag aannemen – ‘het moet wel praktisch blijven’. We horen dit zo vaak terug dat we aannemen dat het gemeengoed is, maar Schnitzler reageert fel. ‘Dat vind ik schandelijk, want het is absoluut in strijd met de regels.’ Ook zijn collega-deken in Amsterdam Evert-Jan Henrichs vindt het een foute interpretatie, laat hij schriftelijk weten: ‘Beneden de 5000 cash aannemen mag alleen in uitzonderlijke gevallen.’

Plasman zegt zich bij hogere bedragen te houden aan het voorschrift van bancaire overboeking. Betekent dit dan dat de geldstroom richting advocatenkantoor zichtbaar wordt, en eventueel zwart geld via de bancaire route verandert in wit geld? En dat een cliënt, die een hoog uurtarief met zwart geld financiert, op de radar van de politie verschijnt? Nee. ‘Als ik een overschrijving binnenkrijg van een autogarage in Oost, die zegt te betalen voor Pietje Puk, dan komt het op mijn bankrekening binnen’, legt Plasman uit. Strafadvocaat Stijn Franken: ‘Ik wil via de bank worden betaald en zeg: je regelt het maar. Ik ga niet voor jou bepalen hoe je het regelt en of dat gaat via je vader of moeder.’ Deken Schnitzler sluit zich hierbij aan: ‘Leg het probleem bij degene die het strafbare feit pleegt. Er kan altijd iemand anders betalen, je oma, een vriend.’ Emeritus hoogleraar advocatuur Floris Bannier heeft hier moeite mee. ‘Mijn probleem is dat derden die betalen invloed kunnen krijgen op het strafproces en op de rol van de advocaat. Wiens brood men eet…’

De betalingskwestie blijft een ongrijpbaar, grijs gebied. ‘We weten nooit zeker waar het geld vandaan komt’ – dat horen we vaak. ‘Een advocaat is geen rechercheur, hij hoeft geen onderzoek te doen naar herkomst van geld.’ Bovendien, zeggen anderen, de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Justitie wast zelf wit als crimineel geld in beslag wordt genomen en in de staatskas terechtkomt. ‘In een groot deel van de BV Nederland zit geld waar niemand de herkomst van weet. Kijk maar naar de P.C. Hooftstraat, sauna’s, kappers, autoverhuurbedrijven, de horeca. En op ons is enorm bezuinigd. Het is zó hypocriet. Ik zit er totaal niet mee, die betaling van ons’, zegt een advocaat off the record.

‘Een advocaat is geen rechercheur, hij hoeft geen onderzoek te doen naar herkomst van geld’

Schnitzler laat in de kaal-witte vergaderzaal van het kantoorgebouw van de Orde in Den Bosch merken het ook wel een lastig onderwerp te vinden. Hardop denkend ziet hij een parallel in het civiele recht: een ondernemer in vastgoed had een gigantische hoeveelheid vennootschappen opgetuigd die op een gegeven moment allemaal failliet gingen. De ondernemer zelf en zijn echtgenote gingen persoonlijk failliet. Ze vluchtten het land uit. Deze situatie duurt al vijf, zes jaar, en toch voert de ondernemer allerlei procedures, vaak tot in hoogste instantie, en bedient zich van Nederlandse advocaten. Hoe worden die betaald? Als deze ondernemer geld gebruikt dat eigenlijk toebehoort aan de schuldeisers en dat via allerlei constructies is achtergehouden, kunnen zijn advocaten ook gevaar lopen te worden vervolgd voor heling en witwassen, aldus Schnitzler.

Dit geval houdt curatoren in het faillissement bezig. Theo de Roos, emeritus hoogleraar strafrecht, is ingeschakeld om zijn licht erover te laten schijnen. Zijn conclusie, zo zegt De Roos via de telefoon, is dat de onderzoeksplicht van deze civiel-rechtelijke advocaten naar de herkomst van het geld groter wordt naarmate zij er zekerder van zijn dat hun honorarium afkomstig is van misdrijf. Volgens Schnitzler hebben de regionale dekens zijn rapport goed gelezen en de betrokken advocaten bij zich geroepen – bijna allen hebben hun relatie met de betreffende vastgoedondernemer beëindigd. Ze wilden geen klachtenprocedure riskeren.

In strafzaken moet een individu zich verweren tegen de staat, daar weegt het belang van rechtsbescherming zwaarder, zei Schnitzler vorig jaar. Maar inmiddels kan hij zich zo’n sterkere onderzoeksplicht in strafzaken ook wel voorstellen. Hij spreekt aan de telefoon van ‘voortschrijdend inzicht’. Pieter van der Kruijs blijft een tijd stil als we hem een hypothetische vraag voorleggen: ‘Als advocaat trek je alles uit de kast, je voert tientallen verweren, het proces gaat daardoor veel langer duren – en je honorarium komt uit evident verdachte bron, terwijl je voor tonnen kunt declareren…’ Dan zegt hij: ‘Nou ja, als jullie het zo vragen zouden we dat niet moeten willen, nee. Maar als je die stap zet, betekent het dat we een ander soort advocatuur krijgen. Alleen nog op basis van toevoeging.’

Hoe heeft het OM nou precies de afspraken met de Orde geformuleerd? Welk uurtarief kan een advocaat rekenen aan een kopstuk in de onderwereld, wil het nog een ‘redelijk’ honorarium zijn? (We horen in de wandelgangen spreken over uurtarieven tussen de 250 en 450 euro.) Na heen en weer mailen laat de woordvoerder van het functioneel parket afdeling fraude weten van geen ‘herenakkoord’ met de Orde te weten, hooguit was er in het verleden sprake van terughoudendheid bij het vervolgen van advocaten. ‘Een advocaat die zich willens en wetens laat betalen met crimineel geld, ook al gebeurt dat giraal, heeft geen vrijbrief en had dat toen ook niet. Ook niet op grond van dat zogenoemde herenakkoord.’ Navraag leert dat over de correspondentie overleg is geweest met de top van het Openbaar Ministerie, het College van procureurs-generaal.

Het OM benadrukt dat sinds de jaren negentig een hoop nieuwe wetgeving werd ingevoerd, onder meer inzake witwassen. Dus zal de advocaat zich ‘net als iedere andere beroepsbeoefenaar’ moeten afvragen ‘wie zijn cliënt is en bij een vermoeden van acceptatie van fout verdiend geld bij zichzelf te rade moeten gaan of er sprake kan zijn van witwassen bij het aannemen van dat geld. Dat zal op grond van de huidige regelgeving, is onze inschatting, snel zo zijn.’ In een van de mails is daaraan toegevoegd: ‘Verdachten kunnen gebruik maken van een pro-Deoadvocaat. Niemand hoeft zonder advocaat voor de strafrechter te staan.’

De Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (nvsa) reageert per mail met een samenvatting van de regelgeving van de Orde. Aan de telefoon zegt Anno Huisman van de nvsa desgevraagd: ‘Ons beeld is dat de regelgeving goed wordt nageleefd. Wij weten niet beter dan dat de indertijd gemaakte afspraken met het OM onverkort gelden. Een ander standpunt is voor zover wij weten niet met de Orde overlegd.’ Het OM antwoordde eerder: ‘Er is naar onze mening geen sprake van een beleidswijziging.’

Zegt het OM hiermee: we treden er harder tegen op? Dat blijft onduidelijk. Het belang van de rechtsstaat is niet om de vertrouwensrelatie tussen advocaat en cliënt onder druk te zetten, luidde een van Gerard Spongs stellingen. Iets dergelijks zegt in feite ook oud-deken Germ Kemper: ‘Het is een te groot dilemma.’

Voor de advocaat kleven er ook risico’s aan het aannemen van geld van verdachte herkomst. ‘Fout geld kan kwetsbaar maken’, zegt Pieter van der Kruijs. ‘Hoe hoger het honorarium, hoe groter het gevaar dat je je onafhankelijkheid verliest en ergens ingetrokken wordt’, zegt ook Jan Frederik Schnitzler. Die risico’s zullen allicht toenemen als men in strijd met de norm toch cash bedragen boven de vijfduizend euro aanneemt. ‘De verleidingen kunnen groot zijn’, zegt Vito Shukrula. Hij geeft een fictief voorbeeld over een eenpitter die nauwelijks rondkomt en dan Albanezen over de vloer krijgt die twintigduizend euro ineens willen betalen. ‘Er zijn allerlei verhalen in omloop over het aannemen van cash, criminelen praten met de politie, in cafés, over de telefoontap’, zegt Peter Plasman.

Wie betaalt, de misdaad of de rechtsstaat? Zou het een oplossing zijn om de gefinancierde rechtshulp tot norm te verheffen? Dat is wel zo zuiver in dit soort zaken, zegt Schnitzler, maar dan moet er vanuit de overheid voldoende geld zijn voor een goede verdediging. Het lijkt erop dat de leugen om bestwil nu wint.

De toevoegingspot

Jaarlijks geeft de staat ruim vierhonderd miljoen euro uit aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Een derde daarvan is voor het strafrecht, de rest gaat naar onder andere schuldsanering, mediation, psychiatrisch patiëntenrecht en huurrecht. Uit de uitgaven voor piketdeclaraties blijkt, zegt de Raad voor Rechtsbijstand, dat die voor het strafrecht in de afgelopen vijf jaar zijn gestegen van 27 miljoen naar 40 miljoen euro, vanwege het ingevoerde recht van de verdachte op verhoorbijstand. Maar het aantal piketten daalt – een beeld dat past in een over de hele linie dalende geregistreerde criminaliteit.

Over de klacht dat de ‘toevoegingspot’ door grote strafzaken wordt leeggegeten, zegt de raad: ‘We werken in Nederland niet met een gesloten budget. Dat betekent dat de “pot voor rechtshulp” niet kan worden “leeggegeten”.’ Van het verminderen van het totale budget voor toevoegingen door de overheid is volgens de raad geen sprake. ‘De jaarlijkse uitgaven voor toevoegingen zijn afhankelijk van het volume. De uitgaven kunnen daardoor enigszins per jaar fluctueren.’ Volgens Jan Frederik Schnitzler, deken in Oost-Brabant, is het probleem dat het stelsel verouderd is. Mogelijkheden tot verbetering zouden momenteel onderzocht worden.