Samenleving: De Nederlander in 2050

Dikker, ouder en alleenwonend

Hoe zien Nederlanders er over dertig jaar uit? Daarover kunnen we al behoorlijk nauwkeurige uitspraken doen. We zijn straks met meer, hét Nederlandse dieet zal verdwijnen en trouwen doen we pas als geluk eenmaal gerealiseerd is.

De muur was al gevallen en apartheid liep op zijn laatste benen. Dertig jaar geleden was de gemiddelde Nederlander centimeters korter, vele kilo’s lichter en hij geloofde nog in god en gebod. De fax deed zijn intrede, telefoneren deden we veelal met een draaischijf en computers doken hier en daar op de werkplek op. Op het menu stond in 1990 meestal nog aardappelen, vlees en groente en we gingen gemiddeld jaren eerder dood (geen oorzakelijk verband). En Goede tijden, slechte tijden was voor het eerst op tv.

Toekomstvoorspellers zitten er meestal naast, de glazen bol is van beperkte waarde. In 1990 voorspelde slechts een enkeling de toekomst van het internet voor iedereen, maar niemand kon bevroeden dat we dertig jaar later dagelijks vele uren naar een klein schermpje zouden turen. Voor werk, contact met anderen en grappige filmpjes. Ons leven is vele malen spectaculairder veranderd dan de meeste contemporaine visionairs voor ogen hadden. En soms ook niet: de vliegende auto is er nog steeds niet.

Toch hebben toekomstvoorspellingen zeker zin. Sommige lijnen kunnen wel degelijk doorgetrokken worden en prognoses geven in ieder geval een ontwikkeling aan. Zo valt vrij zeker te voorspellen dat de gemiddelde Nederlander in 2050 net zo lang is als nu. Door gezonde voeding zijn de mannen sinds 1981 nog wel vier centimeter gegroeid en de vrouwen één centimeter, maar de rek is er nu wel uit. ‘Wel blijven de regionale verschillen bestaan’, zegt Tanja Traag, woordvoerder en onderzoeker bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs). ‘De Friezen en Groningers blijven de grootsten en de Limburgers blijven gemiddeld drie centimeter korter.’ Veranderingen zullen alleen optreden als door migratie veel kleinere mensen in ons land komen.

De Nederlander groeit dan weliswaar niet meer in de lengte, maar wel in de breedte. We worden gemiddeld steeds zwaarder. In 1981 had een op de drie volwassenen boven de twintig overgewicht, nu is dat bij meer dan de helft het geval. Toen leed vijf procent aan obesitas, nu vijftien procent. En voorlopig zal aan deze ontwikkeling geen eind komen, verwacht Traag. ‘De vele campagnes voor gezonde voeding en voldoende beweging zien we in de cijfers niet terug.’

Een van de verklaringen hiervoor is dat veel inspanningen van de overheid zich richten op kinderen, terwijl bijvoorbeeld de groep tussen twee en negen jaar al sinds 2000 niet meer dikker wordt. Tussen negen en achttien jaar is het gewicht gemiddeld iets opgelopen, maar het wordt pas een probleem bij de jongvolwassenen. ‘Zodra ze het zelf mogen bepalen, stoppen velen met sporten en ze gaan vooral méér eten’, weet Traag. ‘En voor mensen met overgewicht blijkt het erg lastig te zijn om er weer vanaf te komen.’

Ook hier doen zich weer regionale verschillen voor. Landelijk heeft 35 procent van de volwassenen overgewicht, in bijvoorbeeld Amsterdam geldt dit maar voor 28 procent. Ook zijn er in de hoofdstad minder mensen met obesitas.

Of we de gewichtsepidemie voor 2050 kunnen stoppen, hangt voor een belangrijk deel af van het voedingspatroon dat we de komende vijftig jaar ontwikkelen. ‘Momenteel halen we in Nederland zo’n zestig procent van onze dagelijkse energie uit junkfood en producten die buiten de schijf van vijf vallen’, weet hoogleraar gezondheidswetenschappen en obesitas-expert Jaap Seidell van de Vrije Universiteit (VU). Het wordt de Nederlander ook niet gemakkelijk gemaakt. Zeventig procent van het eten in de supermarkt staat niet in de Schijf van Vijf en negentig procent van de aanbiedingen is gericht op ongezonde keuzes. ‘We staan het bedrijfsleven dus toe ons voortdurend te verleiden tot het kiezen voor de ongezonde optie.’

Minder patat oorlog, minder hamburgers en véél minder kapsalons. Niet alleen vanwege onze gezondheid zullen we ons eetpatroon moeten aanpassen. Over dertig jaar leven er zo’n tien miljard mensen op aarde en om die monden te kunnen voeden is een transformatie naar een gezond en duurzaam voedingspatroon noodzakelijk. Ook de consumptie van rood vlees en suikerrijk voedsel zal moeten halveren. Het eten van noten, fruit en groente zal daarentegen meer dan moeten verdubbelen.

Het toekomstige gezonde weekmenu bestaat volgens Lancet-onderzoekers uit 37 landen uit drie keer per week vlees (honderd gram, voornamelijk kip), twee keer vis, twee eieren en dagelijks bijna twee porties zuivel. Daarnaast elke dag zo’n driehonderd gram groente en tweehonderd gram fruit. ‘Wat we precies eten in 2050 weten we natuurlijk helemaal niet’, zegt Seidell. ‘Maar we zullen in ieder geval sterk moeten veranderen.’

In The Wizard and the Prophet kijkt Charles Mann naar de verschillende perspectieven op voedselconsumptie in de toekomst. Wizards stellen dat alle problemen technologisch op te lossen zijn, bijvoorbeeld door de introductie van genetisch gemodificeerd hightechvoedsel. Prophets vinden dat we moeten zorgen voor het behoud van bestaande ecosystemen, omdat de mondiale voedselproductie anders de planetaire grenzen meerdere malen overschrijdt. Zij pleiten voor een radicale overgang naar een plantaardig dieet. Wizards vinden juist dat we naar een hogere opbrengst per hectare moeten om de voedselproblemen in 2050 het hoofd te bieden.

‘In 2050 hebben we beide nodig’, zegt Seidell. ‘Wanneer niet gelet wordt op biodiversiteit, het klimaat en het milieu maken we de planeet onleefbaar, maar ook is het onmogelijk om tien miljard mensen te voeden met de gangbare biologische landbouw. Technische oplossingen zijn daarom nodig, ook omdat tegen 2050 bijna iedereen in steden woont. Al die mensen zijn niet dagelijks te voeden met rijst en linzen, daarvoor zullen hoogwaardige voedingsproducten worden ontwikkeld.’

De markt voor vegetarisch nepvlees, gemaakt van bijvoorbeeld bonen, zal ongetwijfeld sterk blijven groeien, is de overtuiging van Koert van Mensvoort, directeur van Next Nature Network. Hij schreef in 2016 het In Vitro Cookbook, een kweekvleeskookboek vol met recepten die we nog niet kunnen maken. Of die gekweekte variant daadwerkelijk op ons bord gaat belanden, is nog maar de vraag. ‘Het is onzeker of het op tijd goedkoop en makkelijk genoeg te produceren is.’

Daarnaast zijn er nog juridische obstakels. ‘Kweekvlees zal eerst nog door de molens van de warenautoriteiten moeten.’ De laatste horde is de consument zelf, want lusten mensen het wel? Daar maakt Van Mensvoort zich geen zorgen om. ‘Als het makkelijk te bereiden is, gooien mensen het vanzelf in hun boodschappenmandje.’

Precisiefermentatie gaat ook groter worden, denkt Van Mensvoort. Nu houden we planten en dieren en laten we die ons voedsel produceren, maar dit verplaatst zich naar het niveau van microben. Micro-organismen maken dan ons voedsel en daar is in principe enkel zonlicht voor nodig, een radicale stap richting duurzaamheid. ‘Bedrijven als Unilever en het Finse Solar Foods zijn hiermee bezig, al bevindt het zich nog wel veelal in de onderzoeksfase.’

Hét Nederlandse dieet zal verdwijnen. Er zullen verschillende patronen ontstaan, is de verwachting. Een krimpend deel van de Nederlanders zal vasthouden aan een ongezond voedselpatroon, de middengroep eet volgens het gezonde flexitariërsdieet en een vegetarisch of veganistisch menu zal populairder worden. En er zal een niche van mensen zijn die voedsel bijzaak vinden en volstaan met nieuwe vormen als genetisch gemodificeerde organismen, pillen en poeders. Ook zal er een tegenbeweging zijn met mensen die waarde hechten aan lokaal, echt voedsel. ‘Het grootste deel van Nederland kiest echter een plek in het midden van dat spectrum’, denkt Seidell.

Eén lijn kan volgens demografen vrijwel zeker doorgetrokken worden: er komen steeds meer Nederlanders. In 2050 zijn we met 19,3 miljoen, is de verwachting. ‘De groei van de bevolking is wel een constante’, zegt Tanja Traag van het cbs. ‘De coronacrisis zal waarschijnlijk voor een groeiloos jaar zorgen, maar dat is een tijdelijke dip.’ De groei komt voor een klein gedeelte doordat er meer kinderen worden geboren dan er mensen doodgaan. Maar belangrijker is de migratie naar ons land, vooral van mensen binnen de Europese gemeenschap. ‘Nu heeft 24 procent van de bevolking een migratieachtergrond, in 2050 is dat 36 procent, zo’n 6,9 miljoen mensen.’

Maar ook hier zijn weer grote regionale verschillen: de grote en middelgrote steden in het westen van het land groeien sterk, terwijl de huidige krimpgebieden aan de randen van Nederland nog harder krimpen. Volgens de Regionale Bevolkings- en Huishoudprognose van het Planbureau voor de Leefomgeving (pbl) groeit Amsterdam in de periode 2018-2050 met 23 procent, Rotterdam met twintig en Den Haag met negentien procent. De bevolking van Delfzijl neemt daarentegen met 35 procent af, Kerkrade met veertien en Sluis (Zeeuws-Vlaanderen) met elf.

Liever happy single dan ongelukkig samen, wordt het devies. ‘Relaties worden try-outs. Losser dan nu’

De Nederlander wordt bovendien steeds ouder. De levensverwachting blijft door verbeteringen in de gezondheidszorg stijgen. De prognose voor een pasgeborene is in 2020 82,25 jaar, in 2050 is dat 86,87 jaar. Er zullen dan meer dan twee miljoen tachtig-plussers zijn, een verdubbeling ten opzichte van nu.

Ouder én eenzamer. In 2050 is namelijk de helft van alle huishoudens vrijgezel. Het wordt, zeker in steden, steeds normaler om alleen door het leven te gaan. Liever happy single dan ongelukkig in een relatie, zo wordt het devies. In 2050 is een derde van de paren ongehuwd, dat is nu ongeveer achttien procent. ‘Relaties zijn in de toekomst meer try-outs’, zegt Jan Latten, hoogleraar sociale demografie en oud-cbs-demograaf. ‘We leven in 2050 nog wel samen, maar losjes – losser dan nu.’ Het wensenlijstje met eisen die zowel mannen als vrouwen aan hun partners stellen, groeit. Nederlanders gaan in de toekomst steeds vaker ongetrouwd samenwonen om het uit te proberen, maar bij dit soort relaties is de kans dat het stukloopt aanzienlijk groter.

Van de stellen van nu is in 2050 meer dan de helft uit elkaar. Dit komt volgens Latten omdat veel millennials gewend zijn te leven als vrije vogels. Als een relatie dan in de toekomst tegenvalt, wordt teruggegrepen op die eerste jaren in het volwassen leven, waarin alles nog kon. Daardoor is het makkelijker om op late leeftijd de knoop door te hakken en een punt achter een relatie te zetten. Stabiliteit is niet meer het doel, maar geluksmaximalisatie. Een relatie is een element in die zoektocht.

Een economische crisis kan de boel wel verstoren. ‘Uit demografisch onderzoek weten we dat stress en werkloosheid relaties doen klappen’, zegt Latten, ‘maar dat een verslechterende economie relatiebreuken ook lastiger kan maken. Een ander huis is immers lastig gevonden zonder baan. Is de relatie nog in tact als je noodgedwongen samenwoont? Eigenlijk niet.’

Trouwen we nog in 2050? Volgens Latten bestaat het huwelijk nog wel, maar is het meer een bevestiging dat de relatie geslaagd is, drie kinderen en een hond incluis. ‘Vroeger trouwde je om daarna geluk na te streven, nu doe je eerst try-outs. Je trouwt als geluk eenmaal gerealiseerd is.’

Eén hoopvol toekomstvisioen kent een hardnekkig bestaan: over een jaar of dertig hoeven we nog maar twintig uur in de week te werken, omdat robots ons werk hebben overgenomen en automatisering een vlucht heeft genomen. Taken die vroeger niet als routinematig werden beschouwd, zoals het interpreteren van röntgenfoto’s, het uitnodigen van geschikte sollicitanten voor sollicitatiegesprekken of het besturen van een auto, kunnen dan zelfs zonder de tussenkomst van mensen worden gedaan. En inderdaad: robotica, spraakherkenning en kunstmatige intelligentie zullen in 2050 steeds in hoge mate worden toegepast in verschillende sectoren van de Nederlandse economie.

Maar de totale hoeveelheid banen en ook de hoeveelheid werk neemt hierdoor niet af, blijkt uit het rapport What Happens to Workers at Firms That Automate, dat het Centraal Planbureau begin 2019 uitbracht. ‘De heersende gedachte dat automatisering zorgt voor een krimpend banenaanbod klopt niet’, stelt Anna Salomons, hoogleraar werk en ongelijkheid aan de Universiteit Utrecht en co-auteur van het rapport. ‘Het soort werk verandert alleen. De angst geen werk meer te hebben door automatisering berust niet per se op data.’ Het onderscheid tussen micro en macro is hierin echter belangrijk. ‘Als een taxichauffeur ontslagen wordt omdat auto’s zelf kunnen rijden, dan is het een schrale troost om te zeggen dat er ergens op de arbeidsmarkt wel weer een nieuwe baan bijkomt. Die is misschien totaal onbereikbaar, bijvoorbeeld omdat een ander opleidingsniveau nodig is.’

Robots zijn nu nog beperkt inzetbaar, maar dit kan richting 2050 veranderen. In sectoren als de zorg en het onderwijs is het lastig om productiviteitsslagen te maken. ‘Het zou geweldig zijn als robotica dit soort personeelstekorten deels zou kunnen oplossen. Een krimpende beroepsbevolking en langer levende ouderen zetten druk op het Nederlandse sociale stelsel.’ Automatisering zou een toekomstige krimp van de beroepsbevolking deels kunnen opvangen. Daarnaast zal de aow-leeftijd nog verder omhoog gaan en werken ouderen langer door.

De grote arbeidsmarkttrend van de laatste jaren – flexibilisering – loopt nu tegen zijn grenzen aan, zegt Salomons. ‘Nederland is kampioen zzp en dit stelsel loopt nu wel tegen de lamp. De huidige crisis onderstreept de wankele positie van een grote flexibele schil en de politieke wil om hier verandering in te brengen, lijkt te groeien. We dobberen niet als een kurk stuurloos op de oceaan rond, als we iets willen veranderen kunnen we daar zelf voor kiezen. We moeten nadenken over hoe we willen dat werk er in 2050 uitziet. Op basis daarvan kunnen we bijsturen. Dat zijn politieke keuzes.’

En die overwegend grootstedelijke, dikkere, ouder wordende, alleenwonende, nog steeds hardwerkende Nederlander, gelóóft die nog ergens in? Het cbs vraagt al sinds 1981 aan Nederlanders of ze behoren tot een religieuze groep en drie jaar geleden vond een doorbraak plaats. Slechts 49 procent antwoordde met ja. Inmiddels is dat zelfs gezakt naar 47 procent, waarbij katholiek (22 procent), protestant (vijftien procent), islam (vijf procent) en overig (vijf procent) het meest werd aangevinkt. De ongelovigen (53 procent) zijn dus sinds kort in de meerderheid, Nederland is officieel een heidens land geworden. Het is bovendien een ontwikkeling die zich razendsnel voltrekt; de laatste jaren werd er bijna elk jaar een procentpunt minder geloofd.

Hoe ver deze dalende lijn nog doorgaat – en of er ooit weer een knik naar boven komt, Nederland is niet voor niets door de Paus uitgeroepen tot zendingsgebied – valt niet te zeggen. Wel ziet Yolande Jansen dat ‘ongelovig’ een term is die vooral vanuit een religieus perspectief betekenis heeft, maar die niets zegt over wat voor niet-gelovige mensen betekenis aan het leven geeft.

Jansen is bijzonder hoogleraar voor de humanistische Socrates Stichting aan de VU en hoofddocent filosofie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). ‘Ongeloof is een kale term’, vindt ze. ‘Het definieert wat je niet bent.’ Het is haar overtuiging dat ongelovigen net zo goed als gelovigen steeds meer bezig zijn met levensvragen en dat dat meer zichtbaar wordt dankzij sociale media en instituties zoals humanistische geestelijke verzorging. Religie speelt op andere manieren juist wel een nieuwe rol in de samenleving, die je niet met een onderzoek naar ‘secularisatie’ of ongelovigheid zichtbaar kunt maken.

Politiek en religie raken op een nieuwe manier met elkaar verweven. ‘Je ziet dit bij verwijzingen naar de ‘joods-christelijke cultuur’, die impliciet moslims en de islam buitensluiten. Hier gaat het meestal niet om daadwerkelijke religieuze overtuigingen en deze ontwikkeling vind je dan ook niet terug in de statistiek van het cbs, maar het is wel nieuwe relevantie van religie. In combinatie met populisme en nationalisme is het een giftig mengsel.’

Ook de tegenstelling uit de Verlichting, tussen geloof en wetenschap, is aan het verschuiven. ‘Aan beide zijden van het spectrum van ‘weten’ en ‘geloven’ zijn mensen te vinden die vooral gegrepen zijn door hun eigen waarheid en de onwaarheid van de anderen’, zegt Jansen. ‘Onder de gelovigen zijn dat de mensen die nu het coronavirus als een straf van god zien of “een streek van de duivel”. Maar ook aan de kant van de wetenschap zitten mensen die alles graag tot één ware basisoorzaak terugbrengen: atomen, genen, of bijvoorbeeld algoritmen. Daartegenover staan wetenschappers en religieuzen die zich niet in dat soort algemene en brede waarheidsclaims herkennen en die met elkaar willen samenwerken en elkaar beter willen begrijpen, die zien dat zowel de wetenschappen als religies altijd onvolledige manieren zullen zijn om verschijnselen in de wereld om ons heen zo goed mogelijk te begrijpen en te waarderen.’

De hoogleraar komt meer en meer mensen tegen die met een open mind naar problemen kijken en die uit verschillende bronnen putten. ‘Mensen kijken naar hun eigen rol en de plek waar ze wonen, hun band met de aarde. Soms vergelijkbaar met natuurgodsdiensten. Ze houden rekening met de belangen van dieren, doen niet meer mee aan het circus van productie en consumptie, hechten belang aan datgene waar anderen betekenis aan geven en zitten niet bovenop hun eigen waarheden. Ze zoeken ook naar betekenis en vinden die bijvoorbeeld in muziek, toneel of juist in stilte, maar ook, en dat erkennen we nu eindelijk weer op grote schaal in het publieke leven, in zorg voor anderen.’

Jansen geeft aan de UvA les aan studenten uit de ‘witte middenklasse’ of de ‘seculiere mondiale elite’, maar aan de VU doceert ze vaak aan gelovige studenten met een migratieachtergrond en eerstegeneratiestudenten. Het zijn vaak islamitische studenten die heel bewust hun religieuze instelling uitdragen, een hoofddoek dragen en bidden, maar ook heel kritische vragen kunnen stellen over hun positie in de samenleving. Beide groepen hebben in het dagelijks leven nauwelijks contact met elkaar en toch ervaart Jansen bij beide groepen een ‘enorme openheid’ om over levensvragen en over de toekomst van de aarde en Europa na te denken.

‘De één denkt natuurlijk erg vanuit het geloof en bij de ander is het startpunt maatschappelijke ongelijkheid en een dekolonisatie van de wetenschap’, zegt ze, ‘maar je komt uit op dezelfde thema’s. Het bewustzijn van studenten, van hoe hun medestudenten lijden onder de vooroordelen en opposities waar ze soms bijna dagelijks mee te kampen hebben, is groot. Ik zie vaak een oprechte belangstelling voor andere perspectieven en weinig nadruk op verschillen tussen gelovigen en niet-gelovigen, ook niet aan de VU.’

Geloof en ongeloof kunnen in de toekomst dus wel eens dichter bij elkaar komen te liggen, verwacht Jansen. ‘Mensen komen erachter dat ze wel degelijk wat van elkaar kunnen leren en dat andere verschillen dan religieuze, zoals op het gebied van racisme, gender, absurde verschillen tussen arm en rijk, maar ook de opwarming van de aarde en mensenrechten, een stuk belangrijker zijn.’