Lachen met de hand voor de mond

Dikkie Dik verveelt zich

Volgens cabaretier Jan Jaap van der Wal heeft humor een ventielfunctie: opgekropte schaamte krijgt even de vrije loop en dat lucht op. Maar welke grappen wel of niet kunnen blijft precair. ‘De wereld waar je je grappen in smijt is verdeelder en rancuneuzer geworden.’

Medium hh 4707318
© Berry Stokvis / HH

Freek en Hella de Jonge kopen in de jaren tachtig een zwarte pop voor hun dochter Rosalein. ‘Het idee was simpel’, vertelt de cabaretier, zittend aan een lange tafel vol boeken en aantekeningen in zijn huis in Muiderberg. ‘Wij geloofden toen dat het emanciperend zou werken om juist een zwart popje mee te geven naar school.’ Kenners van Freek de Jonge herkennen het verhaal misschien uit zijn voorstelling Stroman en trawanten uit 1984, en dan met name het moment waarop de pop wordt overhandigd aan hun dochtertje: ‘Zij ziet de pop en ik moet zeggen dat ze zich werkelijk fantastisch hield. Geen onvertogen woord. Ik was blij dat ze wisselde, anders had ze het puntje van haar tong eraf gebeten. De tranen spatten uit haar ogen.’

Freek en zijn vrouw overtuigen het meisje met argumenten: dat een zwarte pop minder snel vuil wordt en dat er best leuke ‘negerinnennamen’ te verzinnen zijn. Om de pop op te sieren krijgt die een rieten rokje, Freek spaart een botje uit de kippensoep. Het cabaretfragment bereikt een hoogtepunt als ‘oom Frits’ binnenstapt en roept ‘Godallemachtig wat stinkt het hier. Het wordt erger naarmate ik dichter bij de cadeautafel kom. Het is toch niet die nikkerpop die ik ruik?’

De zaal buldert van het lachen. ‘Maar terugkijkend kijk ik hier toch schoorvoetend naar’, zegt Freek nu. De raciale grap, of überhaupt lachen om minderheden, lijkt na een korte opleving weer in de taboesfeer te raken. Niet alleen in het cabaret ligt het gevoelig. Onder druk van identiteitspolitiek en emanciperende minderheden zijn delen van de samenleving op hun hoede geraakt bij het maken van zulke grappen. Een mopje over kleur of een achterstandspositie is in bepaalde kringen niet meer zo grappig, zegt Giselinde Kuipers, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in humor.

Precies een jaar geleden publiceerde ze een onderzoek, Moppen over buitenlanders en etnische groepen in Nederland, 1995-2012, naar moppen die middelbare scholieren elkaar vertellen en de mate waarin die etnische verhoudingen weerspiegelen. Om er zo achter te komen hoe dit soort grappen in vergelijking met de jaren negentig, toen ze dit ook onderzocht, zijn veranderd. De conclusies? Het aantal Turkenmoppen nam af maar bleef de grootste categorie. Ook het aantal grappen over Surinamers en Antillianen daalde, terwijl moppen over Marokkanen en moslims juist toenamen. ‘Deze veranderingen weerspiegelen veranderingen in de etnische hiërarchie in Nederland’, concludeerden Kuipers en haar collega Barbara van der Ent. Moslims liggen vaker onder vuur, minderheden met wortels in voormalige koloniën zijn minder vaak de pineut.

De ene mop over een minderheid is de andere niet, zo blijkt. Moppen die sterk leunen op uiterlijkheden hebben bijvoorbeeld een minder openlijk vijandig karakter dan zogenaamde attitudemoppen: grapjes waarbij de kern is dat bepaalde groepen te groot zijn of ‘dood moeten’. Juist die moppen nemen af, zo blijkt uit het onderzoek. ‘Dat verraste ons in een tijd dat negatieve sentimenten over minderheden veel gewoner zijn in bijvoorbeeld de politiek’, zegt Kuipers. ‘Onze verklaring is dat juist door verruwing en een “je-moet-kunnen-zeggen-wat-je-denkt”-cultuur de noodzaak is afgenomen om dit soort ideeën te verhullen als grap.’ Het taboe is eraf en dus is de schaamte verdwenen.

Dat schaamte en humor hand in hand gaan, behoeft na de MeToo-onthullingen rond de Amerikaanse komiek Louis C.K. weinig uitleg. Zijn grapjes over masturbatie en seksueel overschrijdend gedrag blijken zo dicht bij de werkelijkheid te liggen dat de lol er na de onthullingen inmiddels wel af is. Terwijl schaamte de bron van veel grappen is, of het nou gaat om de schaamte van een individu of van een samenleving.

De grap, zo schreef Freud al in 1905, is een prettig ventiel waarmee opgekropte spanning kan ontsnappen – en een explosie kan worden voorkomen. Humor is zo bezien een onschuldig of zelfs helend iets. Maar wie er filosofen op naslaat vindt vooral kritische noten. Plato zag lachen als obstructie van rationele zelfcontrole en vond dat vertegenwoordigers van de staat lachen zouden moeten vermijden. Elke vorm van lachen was volgens hem uiteindelijk een vorm van hoon, verachting of leedvermaak, iets wat Aristoteles trouwens ook vond en wat naadloos paste in de Leviathan van Hobbes. Hij koppelt de lach nadrukkelijk aan hiërarchie en vernedering. Descartes is iets genuanceerder door te stellen dat er meerdere bronnen van humor bestaan, maar laat het ook niet na te onderstrepen dat lachen vooral het resultaat is van het ridiculiseren en verachten van anderen.

Belangrijk in de hedendaagse humortheorie is nog altijd het boek Le rire van Henri Bergson uit 1900, waarin hij lachen beschrijft als een vorm van sociale correctie. Zodra we iets komisch vinden en dat hardop delen, zorgt dat voor schaamte bij degene die het onderwerp van de grap is. Met een simpel grapje wordt iemand zo bij de les gehouden of de groep uit getorpedeerd, een mechanisme dat iedereen zich herinnert van het schoolplein.

Plato zag lachen als obstructie van rationele zelfcontrole en wilde dat vertegenwoordigers van de staat lachen vermeden

‘Je kunt ook om iets lachen zonder dat je het ermee eens bent, of terwijl je zelfs vindt dat je er niet om zou mogen lachen’, verklaart Kuipers. Het beste voorbeeld hiervan is de hand voor de mond slaan, een directe vorm van zelfcorrectie. Het is de spannende schemerzone waarin we lachen om dingen die net niet verboden zijn. Humor overschrijdt altijd een beetje een grens, dat kan alleen als een groep weet waar die grenzen liggen en hoe daarmee om te springen. ‘Terugkijkend op het begin van deze eeuw zie je dat de grens is verschoven en we nu soms met terugwerkende kracht alsnog de hand voor de mond slaan’, zegt Kuipers. ‘In feite is dat vertraagde reflectie: je realiseren dat waar je vroeger hard om lachte minder onschuldig is dan je zelf wilde geloven.’

Freek de Jonge liep, zoals wel vaker, voor op zijn tijdgenoten toen hij de grappen over de zwarte pop maakte en zo de draak stak met wat later ‘politieke correctheid’ is gaan heten. Het duurde namelijk nog tien jaar, tot de jaren negentig, voor de etnische grap echt uit het verdomhoekje kwam en volgens Kuipers begon aan een opwaartse beweging de samenleving in. ‘Raciale grappen bestonden altijd al, maar werden niet door hogeropgeleiden verteld, ook niet op het toneel.’ Het in 1990 opgerichte comedygezelschap Comedytrain, met als clubhuis Toomler in de kelder van het Amsterdamse Hilton Hotel, zorgde ervoor dat comedians met een migrantenachtergrond op de planken kwamen te staan. Hun favoriete onderwerp? Hun eigen afkomst en de vooroordelen die daarbij horen. Zo brak Najib Amhali door op het Leids Cabaret Festival met een show waarbij de openingszin was: ‘Als Marokkaan kom ik graag bij de mensen thuis. Ik hoop maar dat een van mijn broeders nu niet bij u thuis zit.’ Comedians van kleur hoefden maar tegen het onderwerp aan te schuren en de zaal beloonde het met daverend gelach.

Het was tevens de tijd van Ali G Indahouse, een hitfilm van de Britse komiek Sacha Baron Cohen die een zwarte gangster speelde met alle bijbehorende stereotypen. Enkele jaren later vertolkte hij de eveneens weinig subtiele Borat, een Kazach die in alles de achterlijke Oostblokker voorstelde en in de film constant botst op de westerse cultuur als hij in de Verenigde Staten aankomt. Dichter bij huis lachten we om de legendarische cabaretsketch van De Vliegende Panters over Dikkie Dik: ‘Vandaag is Dikkie Dik het beu. Hij loopt over straat, en verveelt zich de tering zeg hé. Maar wat ziet-ie daar? Een hele grote dikke bmw uit de 7-serie. Hij loopt eropaf en hij kijkt door het raampje. En wat ziet-ie daar? Een radio! Die zou Dikkie Dik graag willen hebben zeg. Zouden jullie niet zo’n cd-speler willen hebben?’

Voor wie dit fragment niet kent, het eindigt zo: Dikkie Dik slaat het raampje in, schiet en passant een politieagent dood en zet tot slot een spuit heroïne in zijn pootje. In 1999 maakte cabaretgroep De Vliegende Panters furore met dit hilarisch uit de hand lopende kinderverhaaltje. Dikkie Dik, toonbeeld van onschuldige kinderachtigheid, was van een lieve kat een grove misdadiger geworden. En bovendien zwart; de volledige sketch wordt uitgesproken met een onvervalst Surinaams accent.

‘Dat was ook het succes van deze grap’, zegt Dick Zijp, cabaretcriticus van NRC Handelsblad die aan de Universiteit Utrecht promoveert op de politieke implicaties van cabaret. ‘Juist door dat accent en de situering is de grap geslaagd, het appelleert aan de vooroordelen die we in die tijd hadden over de Bijlmer waardoor mensen de grap begrepen.’ Er werd hard om gelachen, kritiek was er niet of nauwelijks.

Welke grappen wel of niet ‘kunnen’ is altijd precair. Termen als ‘zelfcensuur’ en ‘smaakpolitie’ gaan dan al snel over tafel. Binnen de theatermuren mag en moet nog altijd alles kunnen, zeggen cabaretiers en experts die voor dit verhaal geraadpleegd zijn. ‘Het theater moet een amorele vrijplaats blijven’, laat Micha Wertheim stellig weten in een e-mail. Niemand betwist dat, sterker nog: cabaretiers als Hans Teeuwen en Theo Maassen lijken juist onverminderd grenzen op te zoeken en geen last te hebben van veranderende smaak.

‘De lol van een accentje doen kan misschien nog wel’, zegt Jan Jaap van der Wal. ‘Maar als je het doet, is het schetsen van context veel belangrijker geworden. Als je die zorgvuldig opbouwt, kun je een wereld scheppen waarin je alles kunt maken.’ Toch zijn volgens hem zowel het publiek als de theaterdirecteuren hypergevoelig geworden voor grappen die raken aan de collectieve schaamte over ongelijkheid tussen groepen: ‘De wijde wereld waar je je grappen in smijt is nou eenmaal veel verdeelder en rancuneuzer geworden.’

De eerste keer dat Freek de Jonge zich schaamt voor zijn grap over het zwarte popje is als hij hem naar het Engels vertaalt en ten gehore brengt op een theaterschool in San Francisco. Nog voor hij uitgesproken is, staat er een zwarte student op die roept: ‘This is bullshit!’ – en vertrekt. ‘Ik ben erachteraan gerend, heb hem teruggehaald en we hebben erover gesproken. Die jongen had hartstikke gelijk.’

‘Je ziet dat komieken steeds minder stelling nemen en steeds meer depolitiseren. Ik noem dat de poldercabaretier’

De Nederlandse publieke ruimte van de jaren negentig was er een van optimisme en overwinning, zegt vrijwel iedereen die voor dit artikel is gesproken. ‘We hadden net de apartheid afgeschaft, die stemming snap je?’ zegt Freek de Jonge. Een grapje over ras of allochtonen werd juist ervaren als een symbool van progressief denken. ‘Vergeet niet dat we toen een gevoel hadden dat het nog best wel eens wat kon worden met die multiculturele samenleving’, zegt Giselinde Kuipers. ‘Er was een breed gedragen gevoel van “hier komen we wel uit” en dat zie je terug in veel kunst en populaire cultuur van de jaren negentig. Je zou dat het Jörgen Raymann-gevoel kunnen noemen.’ Juist bij die opgetogenheid hoort een losse omgang met iets wat tegenwoordig zo explosief lijkt te zijn: identiteit. Wie grapte over een andere groep liet juist zien dat hij of zij al lang boven al die verschillen stond.

Het opvallende is ook dat die grappen zich over het hele cabaret verspreidden. Niet alleen Hans Teeuwen, die zijn handelsmerk maakte van grofheid en grenzen overschrijden, maar ook brave kleinkunstenaars als Kees Torn grapten plots over ‘negerinnen’. ‘Dat is wel het moment dat ik me ben gaan afvragen of het niet gewoon een gratuit stijlmiddel was geworden’, zegt Kuipers.

Zeker toen bleek dat er hard om elkaar gelachen werd maar misschien weinig met elkaar. Toegegeven: we hadden Raymann is laat én Kopspijkers, maar een snelle blik in de zalen verried dat er een grote kloof gaapte tussen de twee publieken. Het ene leek louter uit minderheden te bestaan, het andere was vooral wit. ‘Dit is altijd de boter op ons hoofd geweest’, vertelt Jan Jaap van der Wal. ‘Je spreekt niet voor de mensen over wie je het misschien hebt. Zeker in het theater is dat zo. Bij televisie heb je tenminste nog een grote kans dat je meer mensen bereikt.’ Volgens Van der Wal versterkt de opmars van identiteitspolitiek die trend vooral: ‘Mensen keren zich af en gaan vooral nog naar mensen die “van ons” zijn. Je krijgt verzuild cabaret.’

Het idee dat cabaretiers roergangers zijn die in een seculiere samenleving de richting aangeven is achterhaald. ‘Het cabaret is zijn functie van scherpe spiegel wel enigszins verloren’, zegt Jan Jaap van der Wal. Volgens hem heeft humor eerder een ventielfunctie: opgekropte schaamte krijgt even de vrije loop en dat lucht op. ‘Er is absoluut engagement, maar ik heb niet meer de illusie dat ik de mening van het publiek diametraal kan omdraaien met een avondje cabaret. Wij gaan de Zwarte-Pietendiscussie echt niet oplossen hoor.’

Dick Zijp, die voor zijn proefschrift de geschiedenis van het cabaret onderzoekt, vindt het opmerkelijk hoe hardnekkig het idee is dat cabaret een leidersrol heeft: ‘Of dat het überhaupt links zou zijn.’ Dat imago is volgens hem een erfenis van Neerlands Hoop en Don Quishocking, die op hun beurt ook een modieus verschijnsel waren. ‘Meedeinend op de jaren-zestiggolf hebben zij een heel duidelijke standaard geschapen voor wat cabaret moet zijn, terwijl die al lang niet meer gangbaar is’, zegt Zijp. ‘Sinds de jaren tachtig is er een rechtsere onderstroom zichtbaar geworden. De Fortuyn-revolte heeft dat alleen maar aangejaagd.’

Daarnaast kent cabaret juist een erg conservatieve reflex, zegt Zijp. Dat in elke grap een kern van waarheid schuilt is niet zomaar cliché, al wordt wel vaak vergeten dat die waarheden vaak collectieve waarheden zijn. Wie de lachers op zijn hand wil hebben zal moeten tappen uit een vaatje van collectieve aannames en ideeën. In de woorden van emeritus hoogleraar Gloria Wekker een ‘cultureel archief’; als je misgrijpt in dat archief slaat je grap letterlijk nergens op. Grappen zijn wat Durkheim ‘sociale feiten’ noemt: ze werken alleen maar als ze gedeeld worden door een grote groep.

‘Tussen grappen maken en denken gaapt een diepe kloof’, grinnikt Freek de Jonge. De grap komt nu eenmaal sneller dan de reflectie: ‘Humor ontstaat over het algemeen niet door achter een tafel een grap zitten bedenken. Het ontstaat intuïtief.’ Dat dwingt tot extra oplettendheid: ‘Zelfcensuur bestaat niet, doordenken wél. Je kunt zodra je een goede grap hebt bedacht ophouden met nadenken, terwijl je je ook de vraag kunt stellen: deugt deze grap wel?’ Volgens De Jonge gebeurt dat te weinig. ‘Gezamenlijk gelach wordt al snel een soort eredienst, een bijeenkomst waar je met elkaar de zaak probeert schoon te wassen en af te schudden.’

Cabaretcriticus Zijp deelt die mening: ‘Je ziet dat komieken steeds minder stelling nemen en steeds meer depolitiseren. Ik noem dat de poldercabaretier.’ Een komiek die niet meer stevig stelling neemt en de zaal aan de hand meeneemt, maar om de lastige discussies heen laveert en zo kiest voor de veilige middenpositie. Wederom is de Zwarte-Pietendiscussie, die in elke voorstelling opduikt, het beste voorbeeld. ‘Cabaretiers nemen vaak een enerzijds/anderzijds-standpunt in of trekken de kaart dat het wel een erg vermoeiende discussie is, dat werkt.’

Zo vertelt Jochem Myjer, cabaretier en vogelaar, in zijn laatste show vrolijk over hoe hij een zwart vogeltje bekijkt als hij plots opmerkt dat we dat vogeltje straks alleen nog maar ‘roetveegvogeltje mogen noemen’. ‘Eigenlijk is dat een heel flauwe grap’, zegt Zijp. ‘Maar de reactie van de zaal hierop was explosief. Mensen lachten onbedaarlijk hard om deze grap en klapten er zelfs voor.’ Zijn verklaring? ‘De teleurstelling dat dit eigenlijk niet meer mag zit kennelijk toch diep in onze samenleving.’

Dit voorjaar stond Freek de Jonge op de planken met een verkiezingsconference: ‘Waar moet ik nog grappen over maken?’ wierp hij zijn publiek toe. ‘Er zijn zo veel taboes. Vrouwen? Dat is een geëmancipeerde minderheid! Daar mag je niet meer om lachen’, waarna hij snel vervolgt: ‘Maar dat is goed! Het wordt er niet leuker op maar het is goed. Hetzelfde heb je met de negers… de zwarten uh… Met “de Caribbean Europeans” heb je precies hetzelfde.’ Hij besluit met de welgemeende woorden: ‘Wij moeten af van dat superieure dames en heren.’

Gaat de grap boven alles? ‘Ik denk het niet meer’, zegt Freek de Jonge in zijn woonkamer. Daar zit ook teleurstelling. ‘We dachten ooit dat we er waren: met seksisme, racisme en ongelijkheid. Nu ontdekken we langzaam dat we helemaal niet zo groots zijn. Dat is een tamelijk harde confrontatie.’ Hij tikt op een boek dat op tafel ligt: Zwarte bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis van Rob Hartmans. ‘Schaamte is het inzicht dat je niet volmaakt bent. Dat gevoel gaat aan de schuld vooraf. Een samenleving die blijft hangen in schaamte komt nooit aan de schuldvraag toe.’