De veelschrijver Béraud publiceerde zijn boek in 1922, toen discriminatie en politieke correctheid nog geen begrippen waren die het publieke debat beheersten. Inmiddels hebben allerlei onderdrukte groepen met succes hun vuist gebald - alleen de discriminatie van kamerolifanten gaat onbekommerd verder. In zijn nawoord geeft vertaler Willem Frederik Hermans ruiterlijk toe dat dikzakken ook zijn sadistische neigingen plegen wakker te roepen.
Bérauds boek is een kleine, vermakelijke catalogus van het leven als dikzak. Het aardige van Bérauds roman is dat hij een dikzak zo'n honderdvijftig pagina’s het woord geeft. In een reeks monologen rekent deze vrolijk af met allerhande vooroordelen - ‘een dikzak is een goedzak’, ‘een man die in het vet zwemt is zelden een gecompliceerd mens’ - en laat hij zien waar vermageringspillen, vastenkuren, Zweedse gymnastiek en Turkse stoombaden toe leiden: tot nog grotere vetzucht. Als de mollige ik-figuur een passante hoort zeggen: ‘Dat is er eentje die zich niets ontzegt!’ laat hij elk streven naar slankheid varen. Dan komt hij werkelijk in ‘de luchtballonfase’ van zijn leven. Het gevolg: kleren in steeds ruimere maat, vernederende sessies in de paskamer, en ontevredenheid over elke kleermaker.
‘Nooit eerder werd een zo verderlichte roman gewijd aan een zo zwaar onderwerp’, is de reclameslogan die Hermans bedacht. Maar ik vermaakte me niet alleen, ik ging me van lieverlede ook wat onbehaaglijk voelen. De dikzak wordt namelijk verliefd en natuurlijk heeft hij niet het postuur om een jonge Adonis te zijn. ‘Ik ben verliefd’, zegt hij, ‘daar moet de hele wereld om lachen. Een kamerolifant heeft niet het recht om zwoel te zuchten en Venetië is niet voor potvissen gebouwd.’ Bérauds dikzak is ook behoorlijk tragisch.