H.J.A. Hofland

Dilemma’s na de overdracht

Niet alleen het Iraakse verzet, de terroristen van al-Qaeda en Aboe Moesab al-Zarqawi zullen paf hebben gestaan van deze vervroegde overdracht van de soevereiniteit. Ook Tony Blair kreeg op de Navo-top in Istanboel het nieuws pas op het laatste ogenblik door president Bush ingefluisterd, zichtbaar voor de camera’s. Het is voor het eerst dat Washington zijn beste vriend zo ostentatief buiten spel zet. «A penny for your thoughts», zeggen ze in het Verenigd Koninkrijk. Hoe de andere bondgenoten het hebben gehoord, vermeldt de geschiedenis niet. Laten we proberen deze manoeuvre te duiden.
Eerste verklaring, de meest voor de hand liggende. Het verzet had zich erop voorbereid om de 30ste juni op een andere manier tot een historische datum te maken: met aanslagen van een dusdanige omvang dat de wereldmedia van de moeder aller aanslagen zouden spreken. Die kans is verkeken. De terreur is, om het in actuele termen te zeggen, op het verkeerde been gezet. Onder omstandigheden die voor de terreur allernadeligst zijn. Want inmiddels is voor het volk van Irak het perspectief op het herwinnen van de onafhankelijkheid definitief geopend. Niet de 30ste maar de 27ste juni is de dag van de triomf. De bevrijder heeft nu in zijn grootmoedigheid het volk zijn begeerde soevereiniteit teruggegeven. Ter bevestiging daarvan heeft proconsul Paul Bremer meteen een enkele reis naar huis genomen.
Legt de terreur of het verzet zich daarbij neer? Er zijn twee redenen om daaraan te twijfelen. In de eerste plaats is er weinig dat bij de verliezer een zo diepe wrok veroorzaakt als iets cadeau te krijgen van degene die zich als de genadiglijke overwinnaar gedraagt. Troostprijzen, ontvangen uit de handen van vreemdelingen die daaraan dan bovendien nog een opvoedkundige boodschap verbinden, zijn onverdraaglijk. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar, ook Arabieren. Dat kun je in Duizend-en-een-nacht nalezen. Het verhaal De geest in de fles bevat toepasselijke wijsheid.
Daarbij komt dat het verzet, door wie dan ook gepleegd, zich in de anderhalf jaar van de oorlog heeft gevestigd, dat wil zeggen, zich georganiseerd heeft, zijn ei gen structuur heeft gekregen, zijn mogelijkheden kent. Het niet-Iraakse moslimfundamentalisme heeft het front met het Westen kunnen verlengen. Hoe worden de ongewenste elementen van al-Qaeda ontmaskerd en op gepakt, in een land waar ze in hun vrije tijd niet van het volk te onderscheiden zijn? Met een vervroegde plechtigheid is deze ongrijp bare organisatie niet opgeheven.
Maar laten we aannemen dat de grote meerderheid van het volk, verlangend naar een ordelijk bestaan, door de soevereiniteitsoverdracht nieuwe hoop heeft gekregen, in die mate dat het de terreur nu als de werkelijke vijand gaat beschouwen. Dan blijft één probleem voorlopig bestaan. Aan de aanwezigheid van de 130.000 man van de Amerikaanse bezettingsmacht plus nog eens 30.000 man van de Coalitie komt voorlopig geen einde. Hoe we het ook wenden of keren, de Amerikanen hebben zich in Irak niet populair gemaakt. De beelden uit de Abu Ghraib-gevangenis zijn niet alleen in Irak maar in de hele Arabische wereld het logo van dit Amerika. De nieuwe Iraakse regering is door de bezetter aangesteld, wordt in zijn handelingsvrijheid door de bezetter beperkt. Ook wat dit aangaat maken die paar dagen vroeger of later geen verschil. De Amerikanen moeten opnieuw beginnen met het winnen van de hearts and minds.
Het dilemma dat zich al voor het begin van de oorlog aftekende, blijft onder andere omstandigheden voorlopig bestaan. Een toch al ingewikkelde natie is structureel in een puinhoop veranderd. Die nu in deze regio aan haar lot overlaten is een internationale misdaad. Maar het voortduren van het verzet garandeert dat de onrust en de onveiligheid blijven, in welke vorm dan ook. De Amerikaanse regering zoekt al langer naar de oplossing voor het klassieke vraagstuk dat in het Wilde Westen bekend staat als het changing horses midstream. Twee keer werd in Washington verondersteld dat de andere oever bereikt was: toen de president het einde van de grote operaties aankondigde en na de arrestatie van Saddam. Dit is de derde keer.
De tijd begint te dringen. De presidentsverkiezingen zijn over precies vier maanden. Wat er tussen nu en 2 november in Irak gebeurt, zal bepalend zijn voor de toekomst van George W. Bush. Volgens de laatste enquête is zijn job approval gedaald tot 41 procent. Dat was dus vóór de soevereiniteitsoverdracht. Statistici hebben uitgerekend dat iedere dertigste gesneuvelde Amerikaan hem één punt kost. Robert Kagan, de beroemde denker tussen de gewone conservatieven en neo’s in, schreef vorige maand in de Washington Post: «Alleen een stekeblinde aanhanger van Bush blijft het nog verborgen dat deze regering geen idee heeft van wat er morgen in Irak moet gebeuren, laat staan volgende maand.»
Dat probleem lijkt dus opgelost. Bush wil van Irak af. En ook weer niet. Vandaar de versnelde overdracht. Maar er blijven een ambassade met duizend man personeel plus 130.000 soldaten om de nieuwe regering te helpen, op Iraaks verzoek vanzelfsprekend. In vroeger tijden werd een staat onder dergelijke leiding een vazal of satelliet genoemd. Zo moeten we het niet zien, zullen de Bush-gezinden ongetwijfeld antwoorden. Als je het in historisch perspectief bekijkt is deze onderneming in Irak volkomen geslaagd. Bestudeer de geschriften van Paul Wolfowitz, volg het denken van Condoleezza Rice, let op de woorden van Rumsfeld. Irak is nog maar het begin van de Bush-revolutie. Die kan alleen doorgaan als Bush wordt herkozen. Daarom moeten de troepen te rug, althans zo veel mogelijk. Dan wordt de Navo gevraagd Washington uit de nood te helpen.
Dat is het dilemma aan deze kant van de oceaan: Bush’ herverkiezing bevorderen? Het volgende voldongen feit mogelijk ma ken? Wat denkt Tony Blair ervan?