Dingen leuk vinden

Indien alles je benauwt of verveelt, je leven niet op gang komt of is vastgelopen, wat kun je dan doen?

Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten, € 21,95

Medium maarten vd graaff

Je kunt het aanvaarden in de wetenschap dat we allen in hetzelfde schuitje zitten, je kunt proberen een doorbraak te forceren, maar de eerste impuls is waarschijnlijk: ik wil hier weg. Maar waarheen? En hoe? Wanneer een bankrover ervandoor gaat, doet hij dat gewoonlijk in een vluchtauto, maar in een surveillance-staat als de onze is de kans op ontsnapping gering. Hij wordt aangehouden, op de vlucht neergeschoten of moet zich de rest van zijn leven schuilhouden.

Maarten van der Graaff (1987) zoekt de vrijheid. Het blijkt niet alleen uit de titel van zijn debuutbundel, maar ook uit het achttiendelige gedicht waarmee het boek wordt besloten, de ‘Vrije encyclopedie’. ‘Ontsnappen is sexy’, aldus het programmatische openingsgedicht, maar de trendy formulering laat al zien dat er geen uitweg is. Aan datgene wat je heeft voortgebracht valt niet te ontkomen, zelfs niet op papier. In zijn vermaarde studie The Anxiety of Influence (1973) heeft de Amerikaanse criticus Harold Bloom voorgesteld de literatuurgeschiedenis als een oedipaal proces te beschouwen, waarin iedere strong poet zijn literaire vader om zeep moet helpen om zelf verder te kunnen. Na eerst enige malen te hebben uitgeroepen dat de bibliotheek hem van zelfmoord heeft weerhouden, opent Van der Graaff dan ook de aanval op zijn voorgangers:

Ik zag Rutger Kopland in blinde paniek zoeken naar dat en dat/

gedicht. Tonnus Oosterhoff sterft misschien opmerkelijk vroeg,/

of hij sterft met een hond in zijn achterbak op de snelweg./

Jules Deelder moet op het podium sterven.

Ter Balkt, Duinker, Koenegracht en Brassinga, ze moeten er allemaal aan geloven, waarna de dichter zegt: ‘Ik lig in dit bed. Ik ben doof’. Inderdaad, hij ligt ingebed in een traditie en een infrastructuur, maar van doofheid is geen sprake.

Van der Graaff wil zich niet laten vastpinnen. De bundel bevat heel lange en heel korte gedichten, sommige teksten zijn fragmentarisch en veelstemmig, andere juist bondig en apodictisch, maar het is duidelijk dat er gestreefd is naar een onmooie vorm. Woorden worden schijnbaar achteloos herhaald, veel regels zijn te lang om als eenheid te kunnen worden ervaren, er wordt veel betoogd en verwezen naar efemere cultuurverschijnselen: ‘Maxime Verhagen heeft geen ziel./ Mijn vrienden en ik, wij weten dit en/ wenden ons af van Maxime Verhagen’. Misschien is de aloude term stream of consciousness het meest bruikbaar om deze poëzie te omschrijven.

In ‘De atleet vertrouwt zijn sprong’ gaat Van der Graaff zonder veel fiducie het ennui te lijf. ‘Ik heb een boek gevonden, maar kom er niet toe het te lezen’, zegt hij. ‘Gedrag is mijn plicht. Ik moet beweging arrangeren.’ Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan, omdat ‘aangelegenheden en voorvallen ieder afzonderlijk zonder enige/ regelmaat en samenhang optreden en door elkaar lopen/ en omdat ze in het schrilste contrast tot elkaar staan en niets/ gemeenschappelijks hebben’. Het bestaan ontbeert coherentie, vandaar dat ook poëzie onvermijdelijk in brokstukken uiteenvalt. Ook dat is weer een bron van ergernis:

Op 19 februari mail je me: fragmenten vervelen me./

Wij lezen al zo lang fragmenten.

Waar is de ronde gezondheid van het vuur?

Leven, zegt de dichter, ‘is dingen leuk vinden’, als was de hele wereld één groot Facebook. In arren moede verdiept de spreker zich in het evident niet-leuke, maar ook dat levert weinig op. ‘Er zijn verstuivingen en viaducten die ik nooit zal zien./ Ook al probeer ik alle verstuivingen/ en alle viaducten te zien, nooit zal ik alle verstuivingen en viaducten zien./ Het zijn er te veel’. De aan het proza van Grunberg herinnerende herhalingen drukken een peilloze weerzin uit.

In de ‘Vrije encyclopedie’ slaagt Van der Graaff er het best in de moedeloosheid van zich af te werpen door, zoals hij enkele malen aankondigt, een ‘real time autobiografie’ op te tekenen. Cynisme is weliswaar alomtegenwoordig, maar de dichter geeft zijn woede én plezier de vrije loop. ‘Laat ik je vertellen wie ik ben dan/ kunnen we eindelijk verder’. Zeker, er is weinig wat deugt, en authenticiteit is bij voorbaat uitgesloten:

We spelen het menselijk drama, het mysterie,

zodat we ons niet kapot vervelen. Zodat we niet nu al – te vroeg –/

opgeven.

De crisis is heerlijk, de crisis is een mysterie.Het kapitalisme is heerlijk, deconstructie is heerlijk, verzet is/

een mysterie.

Gelukservaringen zijn echter geenszins uitgesloten, hoezeer ze ook van het cliché zijn doortrokken. Men kan houden van ‘zomers die allesbehalve koket zijn. Fel./ Van auto’s die op het nippertje door de apk komen./ Klassiekers die niemand leest. Een feest dat in minuten denkt’. Niet direct ’s levens felheid misschien, maar er lijkt toch enige hoop te zijn, getuige de ‘ontdekking van het orgasme’, dat soms theatraal is maar ook tot verstilling kan leiden. Meteen daarna gooit Van der Graaff weer zijn eigen glazen in door zich een masturberende Obama voor te stellen.

Ook het meest natuurlijke is gecorrumpeerd, aldus een gedicht waarin de protagonist de natuur in trekt. De _outdoor-_ervaring lijkt een kortstondig succes te zijn, totdat zijn metgezel Blondie (zijn hond?) opmerkt ‘dat wij door ons onvermogen/ symbolen plat te slaan,/ al te indirecte zoogdieren zijn’. Laten we dus de poëzie uit ons leven bannen, dan komt alles goed.

GEDICHT UIT GALICIË

We lopen een tocht waarin we niet geloven.

Een zwarte regen wil naar zee (die niet vol raakt, maar slikt

zonder te kauwen, zoals het toerisme duizenden per jaar eet.)

Het is moeilijk te zeggen hoe moe alles is.

Maarten

van der Graaff

Vluchtauto-

gedichten

Atlas Contact,

56 blz., € 21,95