Dingetje

De vrouw die mij zal interviewen is een half uur te laat. Er was iets met haar auto, daarom had ze op het laatste moment de fiets genomen. Ze heeft een mooi, verwaaid kapsel als ze het restaurant binnenkomt. ‘Ik herken je van de foto’, zegt ze. We schudden handen en gaan zitten aan een tafeltje bij het raam, waar we zicht hebben op het wild klotsende kanaal. Af en toe schuift een vrachtschip voorbij. Vroeger droomde ik ervan om op een boot te wonen en rond te varen met een lading zand. Het leek mij het enige juiste tempo, dat trage glijden onder bruggen door, met steeds de wijdte van de horizon voor ogen. Ik zou mijn lading ergens afleveren en weer een nieuwe lading meekrijgen. ’s Avonds zou ik het schip aan een paal vastmaken en zwijgend wijn drinken, uitkijkend over het gladde water. Alle vogels zou ik bij naam kennen en nooit zou iemand tegen me schreeuwen, nooit zou ik me hoeven haasten.

De interviewster legt een blocnote op tafel en zoekt naar een pen. ‘Ik heb dus niets van u gelezen’, zegt ze, terwijl ze me, half in haar eigen tas hangend, vanonder haar woeste haardos aankijkt. ‘Het was een beetje een last-minute dingetje.’ Dan steekt ze triomfantelijk een pen in de lucht en glimlacht naar me. Er komt een mevrouw om onze bestelling op te nemen. We vragen allebei om een cappuccino. Ik denk na over ‘last-minute dingetje’. Een heel onspecifieke term, maar vreemd genoeg toch duidelijk. Je weet instinctief wat ermee bedoeld wordt en wat het zegt. Over jezelf, over de mensheid en over de tijdgeest. Ik voel een diepe zwijgzaamheid opkomen. We kijken naar buiten. Aan de golfslag te zien neemt de wind alleen maar in kracht toe. Hier en daar spat water op tegen de kant. Ik vraag me af of ik het zou kunnen: alles achterlaten om er in een boot vandoor te gaan. De interviewster noteert mijn gegevens boven aan een leeg, gelinieerd vel. Ze spelt mijn naam verkeerd.

‘Nou’, zegt ze. ‘Ik ben er klaar voor.’