Web[oor]log

Dinsdag 25 april

Medium jenj

Groene-redacteur Joeri Boom en fotograaf Jeroen Oerlemans zijn de troepen vooruitgereisd. Deze zomer worden in de Centraal-Afghaanse provincie Uruzgan 1600 Nederlandse militairen gelegerd. Joeri en Jeroen peilen in Afghanistan alvast de temperatuur van de oorlog. De voortvluchtige Taliban-leider Moelah Omar, die zijn machtsbasis heeft in Uruzgan, waar hij geboren is, beloofde onlangs immers een hete lente.

Vandaag reizen we terug naar Kaboel, een goed moment om eens te beschrijven hoe dat in zijn werk gaat, zo’n binnenlands vluchtje van een uur in Afghanistan.

Gisteren, aan het einde van de middag, heeft Saïd tickets voor ons geregeld, op de terugweg van de opiumdorpen. Doodmoe meldden we ons bij een aftands kantoortje, het hoofdkantoor van Kam Air in Herat. Wat we zagen in Kaboel, een kantoor met airconditioning en een lange rij balies, blijkt de uitzondering te zijn geweest die de regel bevestigt: in Afghanistan is doorgaans niets geregeld naar westerse maatstaven. Dat is overigens een van de dingen die dit land voor ons zo aantrekkelijk maakt. In het KaM Air-kantoor in Kaboel hoefde niemand op zijn beurt te wachten. Vriendelijk juffrouwen lachten je toe, je mocht gratis zoveel ijskoud water drinken als je wilde, uit zo’n ijskoudwaterapparaat, die een tijd lang in alle belegen klerkenkantoren van Nederland stonden. Nooit eerder zagen we er een in Afghanistan.

Medium bazaar 20herat

In Herat gaat het zoals we gewend zijn. Het kantoortje is snikheet. Er zijn vier loketten, maar slechts een is bemand. De eenzame baliemedewerker heeft een grote snor. Dat hoort zo. En hij werkt tergend traag. Hoort ook zo. Aan zijn kant van het glas heerst de rust zelve, aan de andere kant is een veldslag gaande. Zeker twintig mensen proberen zo dicht mogelijk bij de opening in het balieraam te komen om daar een handvol geld doorheen te steken in de hoop dat er een ticket voor terugkomt. Ik ben toe aan een maaltijd, een douche en een bed, maar ik besef dat dit heel lang gaat duren.

Saïd heeft de twee dagen op het platteland van Herat doorgebracht in net kostuum. Het is een wonder dat hij het schoon heeft weten te houden. Jeroen en ik zitten onder het stof. Voordat hij het stinkende Kam Air-kantoortje binnenging, vouwde hij zijn jasje op en legde het op de achterbank van onze terreinwagen. “Ik ken de manager”, zei hij, en we liepen samen naar het gebouwtje.

Eenmaal over de drempel verandert de nette fixer in een woesteling. Saïd stort zich in de massa, onderwijl een bedelende burqa van zich af houdend. Ik stop haar twintig afghani toe (40 dollarcent), dat scheelt enorm gezeur, want dergelijke dames zijn vasthoudend, zeker als ze een Westerling zien – en geef ze eens ongelijk. Het doet me denken aan die vele keren dat ik in Pristina, Kosovo pogingen deed om een busticket te kopen naar Skopje of Belgrado. Voordat de Navo daar zijn intrede deed en de oorlog er nog in volle gang was, heerste er volslagen anarchie. In Joegslavië was het altijd al dringen aan het loket, maar nu woedde de oorlog, tot in het ticketkantoor. Ik leerde te werken met mijn ellebogen. Een plek vooraan veroveren is niet heel moeilijk, maar hem behouden, daar gaat het om. De truuk is dat je met een hand de schouders pakt van iemand vóór je, zodat je hem uit balans kunt trekken en vliegensvlug je heup en schouders in de ruimte kan draaien die hij prijsgeeft, terwijl je met de elleboog van je rechterarm een korte, venijnige por geeft. Die komt vrijwel altijd terecht op het lichaam van iemand achter jou, die bezig is jouw plekje in te pikken. Ik leerde blind te mikken op de nieren, voor het beste effect. Een goede stoot kan belagers een paar seconden uitschakelen. Niet te hard, en een beetje opvallend, anders heb je kans in een vechtpartij terecht te komen. Vriendelijk blijven kijken strekt tot aanbeveling.

Het is voor het eerst dat ik mezelf niet in het gewoel hoef te begeven. Saïd doet het zware werk. Tot mijn verbazing begint hij, omiddelijk nadat hij zich enkele plaatsen naar voren heeft gewerkt, een naam te roepen. Er beweegt iets in de schemerdonkere ruimte achter de loketten. Een man van middelbare leeftijd (snor) stelt zich op achter de tergend langzaam tickets uitschrijvende balieklerk, en kijkt wantrouwend naar de vechtende kluwen klanten. Saïd roept opnieuw, een brede lach om zijn mond, en steekt zijn hand op. Het gezicht van de man breekt open. Hij is de manager, een van Saïds vele vrienden. De man gebaart. Saïd maakt zich los uit de kluwen, en gebruikt daarbij duidelijk zichtbaar zijn ellebogen. Elk aan zijn eigen kant van het glas, lopen de mannen naar een van de ongebruikte loketten. Door de opening worden handen geschud en beleefdheden uitgewisseld. Eerst altijd vragen naar de familie van de ander, hoe maakt die het, hoe die. Dan geeft Saïd een stapeltje bankbiljetten. De manager loopt terug naar de balieklerk, en zegt iets tegen hem. De klerk legt het ticket dat hij aan het schrijven was terzijde en begint aan een nieuw. Veel sneller dan voorheen. Dan nog één. Geamuseerd zie ik hoe iets meer dan vijf minuten nadat we binnenkwamen, Saïd grijnzend met twee vliegtickets op me af komt lopen. Als ik dit in mijn eentje had moeten regelen, zou ik zeker een uur zijn bezig geweest.

Onze vlucht vertrekt om elf uur ’s ochtends. We moeten om tien uur op het vliegveld zijn. Wijs geworden van onze eerdere Kam Air-ervaring, laten we ’s ochtends vroeg bellen met Saïds managervriend. De vlucht vertrekt een half uur eerder, zegt hij. Dat vermoedden we al.

Medium moskeedeur klein

Mooi op tijd arriveren we op het vliegveld. In een aftands gebouwtje hebben zich enkele passagiers verzameld. Hun bagage ligt op een hoop in een van de vertrekken, waar ook een bureautje staat. Een van de Afghaanse passagiers spreekt ons aan in het Nederlands. We kijken er al niet meer zo van op, dit gebeurt regelmatig. In Nederland wonen veel Afghanen, en die bezoeken zo nu en dan hun familie. Hij heet Ahmad en woont in Amsterdam. Hij werkt al jaren op de Zwarte Markt in Beverwijk. Hij doet in parfums. Zijn stapel bagage is enorm. Hij komt net terug uit Iran, waar enkele familieleden wonen. Daar heeft hij eens flink ingeslagen voor familie in Kaboel. Bovendien had hij al aardig wat tassen met kadootjes meegenomen uit Nederland. De presentjes vormen zeker driekwart van Ahmads bagage: schoenen, sierraden, kleding, stoffen (hij stamt uit een kleermakersgeslacht), computerspelletjes en zelfs enkele digitale camera’s zullen de zijnen ten deel vallen. De enige opleiding die hij heeft, vertelt hij, is een cursus beveiliging van een half jaar. “In Nederland heb je geen opleiding nodig om verder te komen. Als je handig bent, kun je als handelaar veel geld verdienen” , zegt hij. “Hier in Afghanistan is het anders. Iedereen handelt en niemand heeft een opleiding. Hier steek je er juist bovenuit als je wel probeert verder te leren.”

Ahmad legt ons uit hoe het Afghaanse schoolsysteem werkt. Alles, van kinderopvang voor werkenden, tot en met de universiteit is gratis. Het percentage schoolgaande kinderen is de laatste jaren explosief gestegen. Fantastisch! Eindelijk een Afghaans succesverhaal. “dat had je gedacht”, lacht Ahmad. Hij legt uit dat er inmiddels veel meer leerlingen zijn die naar de universiteit willen, dan de universiteiten aankunnen. Er zijn er achttien in het land. “Er zijn niet genoeg lokalen, niet genoeg boeken, niet genoeg docenten. Zoals je weet hebben we hier aan alles gebrek, behalve aan wapens, munitie, opium en hash.” Voordat je op een universiteit aangenomen kan worden, moeten de scholieren een examen afleggen. Dat examen is nu zo zwaar gemaakt, dat afgelopen jaar maar 12% het gehaald heeft, vertelt Ahmad. Een neefje van hem zit met de gebakken peren. “Hij gaat het volgend jaar weer proberen.”

Ahmad vraagt zich af hoe dit gaat aflopen. Elk jaar wordt het potentieel van scholieren die gefrustreerd zijn omdat ze niet naar de universiteit kunnen, groter. “Als je het mij vraagt komt hier gedonder van. Er is maar één oplossing: de capaciteit van de universiteiten moet omhoog. Daar hebben we de internationale gemeenschap weer voor nodig.” Als ik hem vertel dat ik laatst gelezen heb in de Kabul Weekly dat het ministerie van Onderwijs, zwaar gesponsord door het buitenland, het niet eens voor elkaar kreeg om voldoende schoolboeken te drukken voor de hoogste klassen van de lagere school, haalt hij zijn schouders op. “Vermoeiend. Wij Afghanen zijn zulke harde werkers. Waar gaat het dan toch mis?”

Medium pannenwinkel

We kijken elkaar aan en moeten lachen. We weten het allebei, maar zeggen het niet. Dat geld voor die schoolboeken is op talloze niveaus in de oneindige bureaucratie ‘blijven hangen’. Niet in de laatste plaats, overigens, bij westerse ngo’s die vaak maar liefst 20% van hun budget besteden aan veiligheidsmaatregelen en nog eens 20% aan de hoge salarissen voor hun westerse personeel. Vorig jaar werd president Karzai onder druk gezet om Ramazan Bashar, minister van Planning, te ontslaan. Bashar had aan de orde gesteld dat hij nog nooit een westerse hulporganisatie had aangetroffen die meer dan 80% van zijn gelden besteedde aan de bevolking. Volgens Afghaanse analysten kwam de druk op Karzai van diezelfde hulporganisaties en enkele westerse regeringen, die zeggen Afghanistan te steunen, maar in feite vooral hun eigen hulpsector spekken.

Het wordt een eentonig verhaal met Kam Air. Uiteindelijk vertrekken we pas om half twee. Er komt een geweldig gedrang op gang als een man plaatsneemt achter het bureautje in de ruimte waar de passagiers hun bagage moesten deponeren. Iedereen moet zijn tassen naar hem toe slepen, zodat hij er een nummertje op kan plakken dat correspondeert met een bonnetje dat je in de hand gedrukt krijgt. Vervolgens sleep je je tas een gang door, waar een andere verveelde meneer staat die controleert of het nummer op je tas correspondeert met het bonnetje en daar een stukje van afscheurt. Op dit soort momenten krijg ik vaak een nauwelijks te onderdrukken neiging te willen weten water gebeurt met het scheursel. Wat doet die man daarmee? Ordent hij het? Gaat het naar de sectie bagage-scheursels op de lokale afdeling van het ministerie van Interlokaal Vliegverkeer? Tot mijn vreugde zie ik dat hij er keurige stapeltjes van vormt in zijn niet scheurende hand. Dit land gaat het helemaal maken. Men is hier grondig en behulpzaam, en dat alles met een gulle lach.

Bij het volgende station, de bagagecontrole, moeten we uren lang buiten wachten, tegen muren aangeplakt om het streepje schaduw te benutten dat wordt opgeworpen door de brandende zon. We zijn het inmiddels gewend. Jeroen schiet wat plaatjes, en ik schrijf allerlei verhaaltjes in mijn hoofd voor ons binnenkort te verschijnen, nu al waanzinnig populaire fotoboek While the Wold is Waiting . We hebben nog geen reis gemaakt waarbij we meer in actie waren dan aan het wachten. Het geduld dat ik inmiddels heb gekweekt, bewijst me thuis onschatbare diensten. Zeker als ik het combineer met een andere eigenschap: als ik het gevoel heb dat iemand me moedwillig tegenwerkt, wacht ik eerst rustig, maar uiteindelijk trek ik hem desnoods aan zijn stropdas z’n bureautje over en druk ik hem letterlijk met de neus op de feiten. Op die manier heb ik eens een buitenlandse vriendin die crepeerde van de kiespijn, maar niet geholpen ‘kon’ worden door een Amsterdamse tandarts omdat ze geen verzekering had, zelfs niet nadat ik voor hem driehonderd euro uittelde, een godsvermogen voor een dergelijke ingreep, in de behandelstoel gekregen. De rekening werd mij opgestuurd. Ik hoor de lezer denken: “tut, tut, zo werkt het niet in ons land”. Welnu, laat ik dan een geheim verklappen. Zo werkt het wel in ons verwende landje. Sterker nog, zo werkt het overal.
k moet er overigens wel bij zeggen dat dit recept niet van toepassing is op mannen met wapens.

Medium dusty 20herat

De controle van onze bagage levert hilarische taferelen op als in mijn rugzak eerst een Groene Amsterdammer wordt aangetroffen die opengeslagen blijkt te liggen op een advertentiepagina, die bijna geheel in beslag wordt genomen door een prachtige schildering van een schaars geklede dame. Ik overtuig de streng kijkende agent van de kuisheid van ons weekblad door het eens rustig met hem door te bladeren. Vervolgens vindt hij de fles J&B Whiskey. Toen die nog niet geopend was, kon ik zeggen dat ik zelf niet dronk, maar dat het een presentje betrof voor een paar Amerikaanse hulpverleners hier of daar. Amerikanen hebben hier zo’n slechte naam, dat Afghanen er ogenblikkelijk vanuit gaan dat ze zélfs alcohol drinken. Nu zeg ik maar dat de fles een kado voor mij was, dat ik niet zomaar kan achterlaten, want dan beledig ik degene die het me gegeven heeft. De fles is half leeg.

De agent schroeft de dop eraf, ruikt eraan en geeft de fles aan een collega. Die ruikt er ook aan en geeft de fles aan een man op een stoel. Hij draagt een donker pak zonder stropdas (daar komt hij goed mee weg) en heeft niet zomaar een snor, maar een hangsnor. Het is er een van de veiligheidsdienst, dat kan niet missen. Dit soort types martelen je glimlachend, en bedoelen het niet persoonlijk, ze doen gewoon hun werk, net als ieder ander. Hij is oud genoeg om tijdens het communistische regime menig moedjahedien naar Allah geholpen te hebben, met zijn ophangmethodes en nageluittrektechnieken. Hij lacht charmant, ruikt aan de fles en wil een slok nemen. Alle agenten in een deuk, hilariteit alom. Ik lach vrolijk mee. De slok blijft uit. Nu gebaart hij dat ik moet drinken. De hangsnor tikt met twee vingers in zijn nek, het gebaar in de moslimwereld waarmee alcoholisten worden aangeduid, die kregen ten tijde van de sultans een brandmerk in hun hals. Ik weer de fles af en zeg dat-ie hem mag houden, als hij whiskey zo lekker vindt ruiken. Hij geeft de fles aan een agent die hem weer in mijn tas propt. Net als ik de boel dicht rits, roept hij iets met barse stem, opeens lijkt hij boos. Fles weer uit tas. Fles maakt weer ruikrondje. Fles weer bij hangsnor. Neemt weer geen slok. Allemaal weer lachen. Fles weer in tas.

Wat een creep.

Medium zwemmende 20jongetjes klein

Op naar het vliegtuig. Dat blijkt er niet te staan. Opnieuw volgt een uur wachten, nu in een overvolle, bedompte ruimte die doorgaat voor vertrekhal. Ik krijg een lachstuip als we zien wat de oorzaak is van al deze vertraging. Met enorm geraas landt een militair Hercules C17 transportvliegtuig. Het ding taxiet tot vlakbij de vertrekhal. Duidelijk zien Jeroen en ik het teken van de Nederlandse luchtmacht. Italiaanse militairen leggen een beveiligingscordon, het uitladen begint.

Dan landt het Kam Air-toestel. Maar we mogen er nog niet in. Eerst een handbagagecontrole waarbij ik alle batterijen die in mijn vestje zaten, in mijn kleine rugzak moet stoppen. Ik knik begrijpend. Natúúrlijk, dat maakt een wereld van verschil. Het is bijna een teleurstelling als we dan eindelijk de vliegtuigtrap bestijgen. Ik kreeg het net naar mijn zin, met al die fratsen. Maar de chagrijnige Russische stewardessen, dezelfden als op de heenweg, maken veel goed.