Opheffer

Diploma

Zijn Indische Nederlanders te vergelijken met Marokkanen? Ik ben een tweede generatie Indische Nederlander – dus hetzelfde wat het merendeel van de Marokkanen is. Mijn vader was Indisch, mijn moeder Nederlandse.

Het vreemde is dat ik alleen maar verschillen zie met Marokkanen. In de jaren zestig werden Indische Nederlanders gediscrimineerd – op het voetbalveld werd ik regelmatig kachelpijp en roetmop genoemd, ook wel schele Chinees en pinda, heel af en toe was het blauwe. Toen ik studeerde hoorde ik de term blauwe overigens vaker. Maar verder? Viel mee, maar ik had mijn milieu ook niet tegen.

Ik zeg het vaak: ikzelf heb mijn discriminatie pas erg gevonden toen ik ouder werd, uit principe – als kind heeft het me niet geraakt.

Indische Nederlanders die ik ken, hielden misschien niet van het land, de aarde, het klimaat (altijd gezeur over het gebrek aan horizon of iets dergelijks waardoor de Indo niet wist of hij naar het zuiden of het noorden liep, wat erg belangrijk schijnt te zijn) maar wel van de status van Nederland. Zij wilden dolgraag Nederlander zijn. Er was een grote bewondering – het woord admiratie werd gebruikt – voor Hare Majesteit de Koningin. Er was ook een grote admiratie voor het leger. Nederlander zijn was soms een doel dat je waarschijnlijk nooit zou bereiken. In de jaren zestig aten wij – verplicht – Hollands. En verder werd er bij ons ingehamerd dat je bescheiden moest zijn, je bescheiden moest opstellen, dat je leed had om te dragen, dat je je nooit moest opdringen, integendeel. Dociel gedrag was een deugd. Je niet met anderen bemoeien was een deugd. Er waren duizend deugden die meer op prijs werden gesteld dan normen en waarden. Normen en waarden stonden in slecht aanzien. Die waren vaak koloniaal bepaald. Ook gaven sommige van mijn Molukse tantes mij geen hand. Niet omdat ik een man was, zo werd me door mijn vader verteld, maar omdat het geven van een hand ‘afscheid’ betekent, en het was veel beleefder om in ieder geval de suggestie te wekken dat men je terug wilde zien, dus gaf men geen hand. Maar als men toch een hand verlangde, dan gaf men die. Aanpassen werd als grootste deugd gezien en beleefd. Als ik nieuwe nette kleren had gekregen van mijn moeder en ik liep daarmee de voorkamer in, dan zei mijn vader: ‘Ah, Toean Besar, Toean Belanda…’ Een Nederlandse man zijn, daar ging het om. En om een Nederlandse man te worden moest je ‘papiertjes halen’.

Diploma’s, diploma’s, diploma’s. Het is een tic die ik nog heb. Als ik met mijn hond op puppycursus ben, wil ik een diploma. Ik vroeg er ook om, na afloop – ik was de enige. Met skiën net zo. ‘We zouden een diploma van het hotel krijgen’, zeurde ik. Als er iets is waar je een papiertje voor kunt krijgen, ben ik al gelukkig. ‘U bent aanwezig geweest bij het seminar “filmproductie”, op 26 mei 2005 in het Alconquin Hotel, te New York’ – ik ben trots op zo’n papiertje.

Seminar duurde drie uur. Waarin een half uur voor een vooraf bestelde tuna-sandwich en een Starbucks-coffee. Het stelde werkelijk helemaal niets voor en kostte vijfhonderd dollar. Maar ik zet in mijn cv: ‘Volgde in New York een cursus filmproductie onder leiding van David Katz’.

Mijn ouders zijn gestorven, mijn dochter is meer dan volwassen, ik heb een Nederlands paspoort en schrijf over de Nederlandse samenleving en mezelf. Indische Nederlanders zijn anders dan Marokkanen. Marokkanen zijn anders dan Ghanezen. Normen en waarden slaan nergens op. Nederlander zijn – daar zou je een diploma voor moeten krijgen. Ik ben dus voor een examen in Nederlanderschap, al weet ik niet waar dat examen uit zou moeten bestaan.