Diplomabubbel

Twee cijfers over hoger onderwijs in Nederland. Als eerste: van 2003 tot 2016 groeide het aantal hoogopgeleiden in de beroepsbevolking van twee naar drie miljoen. In administratieve beroepen nam het aandeel hoogopgeleiden zo met de helft toe; onder vertegenwoordigers en inkopers verdubbelde het bijna. Cijfer twee: het ministerie van Onderwijs verwacht dat de komende jaren het hoger beroepsonderwijs (hbo) twintigduizend studenten verliest en universiteiten er vijfentwintigduizend bij krijgen. Kortom: het hoger onderwijs leidt bij honderdduizenden de secretaresses en inkopers van de toekomst op en de universiteit neemt een steeds groter deel voor haar rekening.

Verschillende universiteiten zijn deze week in een beleefde staat van oproer. Er worden colleges gegeven in de buitenlucht, debatten gehouden, protesten georganiseerd. Aanleiding zijn bezuinigingen en kortingen die het kabinet op Prinsjesdag aankondigde. Nieuw aan deze protesten is dat studenten, docenten én universiteitsbestuurders verenigd zijn in hun verzet. Drie jaar geleden richtte de onvrede zich nog op de colleges van bestuur als handlangers van ‘Den Haag’.

Onderwijs in Nederland is een omgekeerde piramide geworden

Die bezuinigingen zijn absurd in het licht van zoveel signalen van te hoge werkdruk aan universiteiten, afgefakkeld jong personeel en toenemend flexwerk. Het kabinet weigert nu een bezuiniging terug te draaien die een duizendste kost van de dividendbelasting en voegt daar nog een tienduizendste aan toe. Dat kan niet rationeel gemotiveerd zijn. Evengoed draait het huidige verzet aan universiteiten om dat (en ander) geld. Terwijl de eerder genoemde cijfers en het achterliggende probleem veel belangrijker zijn. De vraag zou niet moeten zijn: met hoeveel geld moeten we het doen, maar: wát moeten we met dat geld doen?

Waar dient hoger onderwijs voor? Lees de missieverklaring van universiteiten, en je vindt antwoorden met drie vaste onderdelen. Universiteiten bereiden studenten voor op de wetenschap, vormen hen tot steunpilaren van de samenleving en geven hen onmisbare vaardigheden voor een wereldwijde arbeidsmarkt. Die drie zaken zijn pure fictie, als het gaat om de aantallen die nu door de universiteit worden geloodst. Amerikaans onderzoek toont aan dat studenten na hun studie nauwelijks beter scoren op vaardigheidstests en dat zij vrijwel geen vaardigheden leren die ze in hun baan gebruiken. De waarde van hoger onderwijs ligt eerder waar Nobelprijswinnaars als Joseph Stiglitz en Michael Spence het zochten: bij het ‘educatiesignaal’ naar werkgevers. Die zien aan een universiteitsdiploma dat iemand waarschijnlijk slim en ijverig is en niet bezwijkt onder eindeloze verveling – een ideale werknemer.

Studenten willen daarom een zo hoog mogelijk diploma – hoogopgeleiden verdienen meer. De overheid wil dat eveneens – ‘kennissamenleving’ en zo. En ook hbo’s en universiteiten willen (vanwege de manier waarop onderwijsfinanciering is ingericht) zo veel mogelijk studenten. Zo is onderwijs in Nederland een omgekeerde piramide geworden. De minste studenten zitten op het mbo. Dat is de wereld op z’n kop, met diploma-inflatie en diplomafetisj als gevolg. Net als de huizenbubbel staat de diplomabubbel bol van opgepompte lucht.

In een veelbesproken opiniestuk op groene.nl wijst socioloog Willem Schinkel verzet tegen de bezuinigingen af als ‘meer geld eisen om hetzelfde te doen’. Het zijn de universitair docenten en onderzoekers, die zichzelf onderwerpen, afpeigeren en tuchtigen. Maar deze bezuiniging slikken is geen logisch begin voor verandering. Het klopt dat er een veel bredere verandering nodig is. Laten we beginnen met eerlijk zijn over wat een universiteit doet. Laatst vroeg ik een groep studenten waarom zij geschiedenis waren gaan studeren. Een jongen zei dat je ‘nou eenmaal het papiertje nodig hebt’ en dat hij dan liefst iets deed wat hij leuk vond. Hij werd uitgelachen door de groep. Volgens mij had hij er beter over nagedacht dan de rest.